1‘Wat zucht gij, mijne ziel! - Waarom zoekt gij kristallen beeken1 2in de wildernis en onvermengde zaligheden bij schepsels van stof?2 3- Waarom vordert gij van dit leven, wat slechts de eeuwigheid 4geven kan? - IJl te rug, onsterfelijke! eer u eene bedrieglijke hoop4 5door den doolhof van aardsche wenschen leidt, die nooit tot genot 6rijp worden, zonder nieuwe en ongestuimer wenschen voorttebrengen6 7- Te rug van uwe vlucht door het ongebaande oneindige! -7 8De gelukzaligheid stroomt uit geen geschapen bron.’ -1-88
9o Mijn Vriend! hoe diep gevoelt mijn hart op dit oogenblik de 10waarheid van deeze uitspraak. - Wie kon zich immer het waar10 11geluk op dit beneden rond beloven, zo het Eduard niet is na den11 12vond eener julia? - Ach, mijn Vriend! - deeze julia zal ik nooit11-12 13als mijne Echtgenoote aan deezen boezem drukken - nimmer zal zij 14aan mijne borst vernachten. - - o Gij! die alle uwe schepselen14 15poogt gelukkig te maken, Bron van alle Liefde! - Gij boodt mij het 16edelst geschenk aan - reeds nadert mijne van dankbaarheid be-17vende hand tot u - ach! een ongevoelig Natuurgenoot ontrukt mij17 18op eens alles! - en wie is die ontmenschte sterveling? De Vader18 19mijner julia - een Vader, die zulk eene dochter niet waardig is. 20Hoe! hij kent de tederheid van haar hart - haare gevoelvolle ziel - 21en poogt haar geluk aan aardsche grootheid opteofferen? - julia21 22eenen Echtgenoot kiezen, die zich door niets dan verachtlijk goud 23aanbeveelt! - Neen, wreede Vader! - Gij kunt mijnen weg met22-23 24doornen bezaaien - julia eerbiedigt, zelfs in een onmenschelijk 25bevel, den oorsprong van haar leven - nimmer, ach! nimmer25 26schenkt zij mij haare hand als gade! - dan, verwacht ook niet dat26 27die hand zich aan eenig sterveling geeft, dien zij niet gelukkig zou 28maken - en, wien kan zij dit doen dan Eduard, die alleen voor zulk28 29eene zaligheid geboren, door u, zo onuitspreeklijk rampzalig wordt! 30- o mijne julia! - onze harten, onze liefde zijn boven alle geweld30 31verheven - geen zweem van vrees zelfs ontrust mij omtrent uw hart31 32- voedt waare liefde, die nooit dan op zuivere achting rust, ooit een32 33beledigend wantrouwen? - maar welk eene lange onafzienlijke 34keten van heil wordt ijlings van een gereten? - Welk eene zalige34
35maatschappij verbroken? - Eduard zal dan nooit den dierbaaren35 36naam van Vader horen? - en de tedere betrekking van Moeder is36 37voor de gevoelvolle julia voor eeuwig verloren! - Geen rij van 38spelende wichtjes zal ooit onze knien omarmen - onder onze38 39vreugdetraanen opgroeien - de troost van onzen ouderdom zijn 40- eens onze oogen sluiten - en dan - op ons vereenigd stof40 41wenen! - op ons vereenigd stof! - - Mijne julia! - Welk een 42geluk is voor ons verloren! - Ten minsten beminnen wij - en een42 43oogenblik in uwe tegenwoordigheid verspreidt zaligheid over een 44geheel vak van mijn leven - o verdubbelen wij deeze oogenblikken!44 45- smaken wij dan met stromende gewaarwordingen ons heil - en45 46zo ooit een onwillige blik in een verschiet, dat voor ons gesloten46 47is, traanen uit onze oogen perst - zo wij dan spraakloos naast 48elkanderen zitten en op het stof staren - julia! herinneren wij ons48 49dan onder duizend zuchten: Neen! de gelukzaligheid stroomt uit 50geen geschapen bron! -
* * *