terug  begin  verderprepost
[p. 92]

De grafkelder.t

1o Mensch! waarom is er iets in uwen gestorven natuurgenoot, 2dat afgrijzinge, of ten minsten schrik bij u verwekt? - Waarom is 3zelfs de deugdzaamste niet boven deeze ontzettende aandoening3 4verheven? - Honderdmaalen heb ik mij verbeeld aan de zijde mij-5ner julia voor alle vrees beveiligd te zijn - met haar in den 6aakligsten Grafkelder een Paradijs te vinden, en nu - nu heb ik, 7haar in mijne armen drukkende, een verzamelplaats der dooden 8bezocht en - gesidderd!

 

9Eenige uuren van ons Vlek verheft zich een tempel, die wegens9 10zijne eerbied verwekkende schoonheid in den geheelen omtrek be-11roemd is. Nergens, sprak het Gerucht, vond men een aandoenlijker11 12schouwtoneel dan in zijne onderaardsche gewelven. julia had12 13deezen tempel nooit aanschouwd, en ook ik kende hem slechts door 14beschrijvingen. Een gevoelig hart bemint alles wat somber en ver-1415heven is. - Meer dan eens had ik met julia op den rand eens grafs 16traanen van wellust gestort. Gemeenzaam met de gedachte des16 17doods, voorspelden wij ons de zuiverste geneuchte uit de bezichtiging17 18van het gevaarte. - Op eenen schoonen zomerschen morgenstond18 19wandelden wij hand in hand naar den tempel. De aandoen-

[p. 93]

20lijkste gesprekken, waarin onze mond de eenvouwdige tolk van ons 21hart was, deden ons den weg kort schijnen. - Geen' kus drukte ik op 22de lippen mijner julia of onze traanen vermengden zich. De zon 23verhief zich even boven de kim, en de slaap hield de oogen der halve 24waereld nog gesloten, toen wij geheel eenzaam het ontzaglijk ge-23-242425bouw binnen traden. - Eerbiedig en vol van eene godsdienstige 26vrees bogen wij onze knien voor den onzichtbaaren, die26 27in deezen tempel wordt aangebeden. De Godsdienst verheft het hart 28en doet den mensch zijne waare grootheid gevoelen. - Met eene28 29ruimademende borst herrezen wij, en onze eerste begeerte was den 30Grafkelder te bezichtigen. - In het donkerste gedeelte des tempels 31ontdekten wij tusschen twee gothische zuilen eenen breeden marmeren31 32trap, die naar beneden leidde. Wij daalden er langs af, en 33ijlings bevonden wij ons in eenen tweeden tempel, die even zo veel33 34lichts ontving, dat men er de voorwerpen in onderscheiden kon. -33-34 35Toen onze voorste voet den grond van dit rustvertrek des doods 36raakte, weêrgalmde het geheel gewelfsel en deeze doffe klank scheen 37tegen alle de kisten, die ons oog in een lang verward verschiet37 38ontdekte, te stuiten. - Eene koude rilling vloog over ons geheele 39ligchaam - julia verbleekte. - Ik sprak en mijne woorden wer-40den viermaalen, al treuriger, al treuriger, herhaald. De hevigheid der 41aandoening, en eene onwillige schrik overweldigden mijne tedere41 42gezellinne - zij zeeg op eene doodkist neder. - Wat treft mijne 43julia? vroeg ik met eene bevende stem. - ‘Ik verbeeldde mij 44het geluid van een mensch te horen’ antwoordde zij ontroerd. - 't Was44 45de schrik, die u bedroog, of mooglijk het geblaas van den wind, die

[p. 94]

46langs deeze verwelfde bogen huilt. - ‘Luister slechts!’ - Neen 't is46 47niets. Alles is in rust en zo stil als de dood. - Welk een schrik-48verwekkend gezicht! - hoe majestueus is de gedaante van dit ver-49heven gebouw, wiens aêloude pylaars hunne marmeren kruinen 50verheffen, om dit dikke gewelf, dat zijn eigen gewigt vast en on-51wrikbaar maakt, te onderschragen. - ‘Welk eene kalmte heerscht51 52in deeze plaats! - Hier is alles een toneel van afgrijzinge en schrik 53voor mijne ontroerde oogen ..... Hier overweldigen de graven en de 54diepe verblijfplaatsen des doods mijn bekommerd hart en doen het 55verstijven. Geef mij uwe hand, Eduard! .... doe mij uwe stem horen 56.... ja! haast u tot mij te spreken .... doe mij uwe stem horen. - Als ik 57spreek verschrikt mij de verdubbelde weêrklank mijner woorden’ 58..... Nu drukte ik mijne koude hand in de sidderende hand van julia 59- onder eenen geduurigen galm traden wij den trap weder op. - 60Hier bekwamen wij van onze akelige gewaarwordingen. - Hoe 61kleen, hoe nietig was de waereld nu in onze oogen! - Door hoe 62weinig banden wierden wij er nog aan gebonden! - - Wij dachten62-63 63alle onze vrienden na - en het grootste gedeelte er van was reeds in 64de eeuwigheid. julia! sprak ik, onder de hevigste aandoening, 65julia! zo wij in het zelfde oogenblik stierven - reeds wonnen wij bij 66onze verwisseling. Reeds zijn wij sterker vermaagschapt aan de65-666666 67eeuwigheid dan aan den tijd - Ook in de onzichtbaare waereld66-6767 68zullen wij geen vreemdelingen zijn! - Welk eene omhelzing, mijne68 69Beminde! zal dat zijn! - Zo veele bitterbetreurde bloedverwanten 70en vrienden, na zulk een lang gemis weêrtevinden! - kommerloos 71aan het zwoegend hart te drukken! .... o Mijne julia! hoe heerlijk71

[p. 95]

72een morgenstond zal die der opstandinge zijn! - Hoe veele vrienden72 73zullen dan aan vrienden waardiger, dierbaarer, wedergegeven wor-74den! - Hoe veele Echtgenooten, die hier, op het naauwst vereenigd, 75naauwlijks hun geluk smaakten of de dood rukt ze uit elkanders 76armen! .... Herinnert gij u die beide looden kisten, die naast elkan-65-7677deren stonden? - op welker eene gij gezeten hebt? - De eerste was 78die eener tedergeliefde echtgenoote. - Niets haperde aan het geluk 79van haaren Zielvriend dan de tedere naam van Vader. - Het oogen-80blik was daar, dat hij zijnen wensch voldaan zou krijgen, en dat 81langgewenschte oogenblik rooft hem in eens beide zijne Gade en 82Zoon! - Welk een aandoenlijk opschrift heeft hij op haare lijkbus82 83gezet! Zaad van God gezaaid om rijp te worden tegen den dag des 84oogsts. - Na eenen langen, moeilijken, en aaklig eenzaamen, levens-83-8485loop stierf ook de tot zijnen dood getrouwe Echtgenoot. - Hij heeft 86zijn eigen grafschrift vervaardigd. Ik weet, mijn Verlosser leeft! - Ja!86 87deugdzaame, gevoelige harten! uw Verlosser leeft! - Hij bewaakt 88uwe kille asch, en geen stofje zal er van verloren gaan! - o mijne88 89julia! hoe zal deeze onderaardsche Tempel weêrgalmen van hun-90nen vrolijken lofzang ten dage hunner verrijzing! - Welk eenen90 91erkentelijken blik zullen ze voor 't laatst op deeze plaats hunner 92langduurige woning werpen, daar ze, terwijl eeuwen over hun stof

[p. 96]

93heenen waaiden, eenen gerusten droomloozen slaap genoten, en nu, 94verkwikt, versterkt, voor eenen eeuwigen morgenstond ontwaakten! 95- o! ik gevoel, ik gevoel hunne spraaklooze blijdschap - maar 96vruchtloos poge ik mijn gevoel met woorden uit te drukken. - Ik 97zie hunne harten kloppen, hunne boezems zwellen, hunne oogen 98traanen - julia! welk een verschiet .... o mijne julia! ...... Hier98 99zegen wij in elkanders armen, terwijl onzer beider harten versmolten99 100en door overmaat van gevoel geen woord meer van onze lippen kon 101vloeien. - Wij knielden op nieuw naast elkanderen met dooreenge-102vlochten handen en spraakloos dankten wij vuurig den alwe-103tenden voor onze onsterfelijkheid - - onsterfelijkheid - -103 104Toen keerden wij zwijgende - maar genietende - naar onze wo-105ningen - en nooit had mijn hart meer gevoeld hoe dierbaar de 106deugd en het genot van een kalm geweten zij! ...... Ach! moest ik 107eerlang in gevaar komen om beide onherstelbaar te verliezen? ......107

 

* * *

tDe grafkelder: In de 18e eeuw werd er nog algemeen in de kerken begraven. Tegen het eind van de eeuw werden er steeds vaker bezwaren geformuleerd tegen dit onhygiënische gebruik en werd begraven buiten de kerken gepropageerd. Zie P.J.A.M. Buijnsters, Tussen twee werelden, p. 62-64.
3de deugdzaamste: nl. (zoals uit het verloop van dit hoofdstukje blijkt) Julia.
9Vlek: (meestal: groot) dorp.
tempel: kerkgebouw (in verheven taal).
11sprak het Gerucht: zo werd gezegd; het Gerucht is hier een personificatie zoals het Latijnse fama.
12schouwtoneel: toneel, entourage.
14Een gevoelig hart ... is: zie Inl. hfdst. 6.
16traanen van wellust: tranen van genot.
Gemeenzaam: vertrouwd.
17voorspelden wij ons: rekenden wij op.
de zuiverste geneuchte: het zuiverste genot.
18gevaarte: (hier) indrukwekkend gebouw.
23-24der halve waereld: nl. van dit halfrond.
24ontzaglijk: ontzagwekkend.
26vrees: (hier) schroom.
28zijne waare grootheid: nl. het feit dat hij een onsterfelijke ziel heeft.
31gothische zuilen: Men behoeft hier niet aan de bouwstijl van de gothiek te denken; Feith gebruikt gothiek en gothisch vaak min of meer als een synoniem van middeleeuws (soms zelfs van romaans), met de bijgedachte van indrukwekkend en somber. (Zie o.a. Brieven over verscheiden onderwerpen, deel 1, 4e brief, p. 126-129).
33ijlings: plotseling.
33-34even zo veel lichts: het genoeg licht; lichts: partitieve genitief na veel.
37een lang verward verschiet: een uitgestrekte en onduidelijke verte.
41onwillige: onwillekeurige.
44ontroerd: (hier) ontsteld.
46verwelfde bogen: bogen van het gewelf.
51kalmte: stilte.
62-63dachten ... na: herdachten.
65-66reeds wonnen wij bij onze verwisseling: wij zijn al zo op de eeuwigheid gericht (en onthecht van het aardse) dat sterven geen verlies voor ons zou zijn, maar winst: we zouden in de hemel komen.
66verwisseling: verwisseling van staat, overgang van leven naar dood.
66zijn wij ... vermaagschapt aan: zijn wij ... verwant met, hebben wij een ... relatie met.
66-67de eeuwigheid ... den tijd: resp. het hemelse leven (dat tijdeloos is) en het aardse leven (dat onderworpen is aan de tijd).
67de onzichtbaare waereld: de hemel, het hiernamaals.
68geen vreemdelingen: nl. omdat ze er reeds vele bekenden hebben.
71zwoegend: heftig kloppend.
72morgenstond ... der opstandinge: het moment van wederopstanding (uit de doodsslaap). Er lijkt hier een inconsequentie te zijn in de voorstelling van het leven na de dood. In Feiths normale voorstelling gaan de zielen direct na het sterven naar de hemel en herkennen zij de hun verwante zielen. Het lichaam volgt pas op de dag van de wederopstanding. In deze regels echter wordt gesteld dat ook het wederzien van dierbaren op de wederopstanding zou moeten wachten. De verklaring van deze inconsequentie moet misschien gevonden worden in de opvatting dat er in de eeuwigheid géén tijd is. De tijd tussen sterven en wederopstanding kan op aarde eeuwen duren, in het hiernamaals is de tijd als het ware opgeheven.
65-76Zie voor deze opvattingen omtrent het hiernamaals de Inl. hfdst. 4.
82lijkbus: doodkist; er kan hier echter ook een urnvormig grafornament mee bedoeld zijn.
83-84Zaad van God ... oogsts: Dit grafschrift (een verwijzing naar I Corinthe 15:42) had Klopstock op de zerk van zijn echtgenote Meta laten beitelen: ‘Saat von Gott gesäht dem Tage der Garben zu reifen.’ Enkele jaren voor het verschijnen van de Julia had Feith dit graf bezocht.
86Ik weet ... leeft!: een verwijzing naar Job 19:25 (‘Want ik weet, mijn Verlosser leeft, en Hij zal als laatste over het stof opstaan.’).
88asch: stoffelijk overschot.
90verrijzing: opstanding uit de dood.
98verschiet: vooruitzicht.
99onzer beider harten versmolten: de harten van ons beiden ineensmolten.
103preludeert op r. 40 van p. 98.
107eerlang: weldra.
prepostterug  begin  verder