terug  begin  verderprepost
[p. 97]

Fragment.t

1- - - - - - 2- - - - - - 3- - - bijna, mijn Vriend! - maar ook nooit was er een 4grooter verzoeking. - Gij kent het duister Dennenbosch, waarin4 5ik mijne julia voor 't eerst ontmoette. In den verkwikkelijksten 6avondstond, na eenen brandenden dag, trad ik zijne geheiligde scha-7duw binnen. Op de bank van groene zooden, die de Godsdienst en 8Liefde gesticht hebben, bij de groote waterkom in het digtste van 't7-88 9woud, vond ik mijnen Engel. Wij omhelsden elkander en onze zielen 10genoten. Onder eene geduurige afwisseling van de aandoenlijkste 11gesprekken, en van een nog aandoenlijker zwijgen, verspreidde de 12nacht zich om ons heenen, terwijl de maan aan eenen wolkenloozen 13hemel met eene stille majesteit te voorschijn trad, en het bosch bij 14plekken verlichtte. - Alles was stil; alleen hoorde men van verre het 15eentoonig gezang van den kikvorsch. - Eene godsdienstige vrees15 16deed alle mijne leden trillen. - Ik zat op de zooden naast julia; 17haar arm was om mijnen hals geslingerd, en mijn hoofd rustte op 18haare borst. - Geen wellustige gedachte was tot hier toe in mij18 19opgekomen. - Nu beurde ik mijn hoofd op - de maan scheen juist 20op het gelaat van mijne julia - Ik zag de beide kuiltjes, die een 21engelachtige glimlagch op haare wangen gedrukt had - de schoon-22heid en het tedere vuur van haare oogen - de zachte uitdrukking

[p. 98]

23van alle haare trekken, en dat betoverend geheel, dat de bevalligheid 24van ieder trek vermeerderde. Mijn hart begon te kloppen en ik 25gevoelde dat het bloed mij geduurig met meerder drift door de 26aderen bruischte. - Ik wilde haar omhelzen, en reeds beefden mijne 27lippen op de haare - Eene zachte drukking deed julia op het gras27 28nederzijgen - ik volgde haar kussende. - Mijne julia! - ‘Mijn 29Eduard’! - Nu rustte ik op haar hart - ik voelde dat hart, daar ik 30alle de waarde van kende, op mijn hart slaan - de overmaat van 31gevoel bedwelmde mij - ik was gereed mij te vergeten. - Beurteling31 32gloeiende en bleek van wellust scheen julia mij 't Heelal te zijn, en31-3232 33de oogenblikken, die ik nog bij haar in 't bosch vertoeven kon, al den 34tijd, dien ik kende. - Mijne julia! herhaalde ik met eene bevende33-34 35stem - o mijn Zielvriend! mijn Dierbaare! mijn Al! antwoordde zij. - 36Kan mijne julia mij in dit verrukkelijk oogenblik iets ont-37zeggen? - ‘Ach! wat zoude ik u ontzeggen kunnen? - Kan Eduard 38iets wenschen, dat julia niet teffens wenschen zou? - Tot in de38 39eeuwigheid zullen onze zielen slechts eenen wensch hebben. -39 40Eduard! - wat zal de onsterflijkheid voor ons niet zijn!’ .... De 41onsterflijkheid, julia! ..... och gij geeft mij aan mij zelven weder -41 42vergeet, o vergeet dit oogenblik, mijne Beste! het is het eerste waarin 43ik uwer onwaardig was. julia! - ik zag alleen het aanminnig, het 44bekoorlijk meisje in u; thans, o thans herken ik den Engel weder! - 45julia weende. - julia weende traanen van den heiligsten wellust45 46- ik zette mij aan haare voeten en deelde in haare vreugd. - Nu 47stak de wind op en begon door de toppen der dennen te ruischen - 48julia rees op en verliet mij - verliet mij nog onschuldig en der-49halven gelukkig. Ik zag haar bij het maanlicht na - dan verloor ik 50ze in de schaduw en wat verder vond ik ze geduurig op eene ver-5051lichte plek weder - eindelijk zag ik niets meer van haar dan de

[p. 99]

52witte roozen, die haar hair versierden, en ook deeze verdwenen ten52 53laatsten. Ik zuchtte. - Geheel vertederd wierp ik mij op den grond 54neder en dankte God vuurig voor zijne bewaring. - o Mijn vriend!54 55aan welk eene verzoeking was ik ontkomen! Het genoeglijke, het55 56leven van mijne liefde, mijn ruimademend geweten, - het zacht-55-5657bedwelmend verschiet op de onsterflijkheid - op eene onsterflijk-5758heid, die ik met mijne julia deelen zal! - Hemel! in gevaar om dit 59alles aan het vliegend genoegen van een berouwteelend oogenblik59 60voor altijd onherstelbaar op te offeren! ..... o hoe klopt mijn hart nog58-60 61van blijdschap op de enkele herinnering dat ik eens aan zulk eene 62verzoeking ontkomen ben! - - Thans schoven er zwarte wolken 63voor de maan. Ik wandelde langzaam, diepgevoelend, het bosch uit, 64en toen ik in mijne woning trad, hoorde ik van verren den donder64 65achter mij ratelen. - -

 

* * *

tFragment: Het fragmentarische karakter van dit hfdst. wordt d.m.v. strepen aan het begin aangegeven. Niettemin lijkt het begin precies aan te sluiten op het eind van het vorige hfdst. Mogelijk is er bedoeld aan te geven dat er sterke emoties zijn die niet adequaat onder woorden gebracht kunnen worden.
4verzoeking: verleiding.
7-8die de Godsdienst ... gesticht hebben: die tot stand gekomen is door inspiratie van gevoelens van godsdienst en liefde. Weliswaar kende Eduard Julia nog niet toen hij de zodenbank maakte, maar hij overpeinsde in het bos wel de liefde.
8waterkom: vijver.
15vrees: gevoel van ontzag, eerbied.
18wellustige: blijkens de context moet dit woord hier een sensuele betekenis hebben die overeenstemt met de huidige.
27drukking: druk.
31was gereed: (hier) stond op het punt.
31-32Beurteling ... wellust: bepaling bij mij, d.w.z. Eduard.
32wellust: (hier) sensuele wellust.
33-34al den tijd, dien ik kende: d.w.z. dat Eduard op dit moment zijn besef van de eeuwigheid geheel kwijtgeraakt is.
38teffens: tevens, tegelijkertijd.
39eenen wensch: éénzelfde wens.
41geeft ... weder: brengt me weer tot mezelf, brengt me weer tot bezinning.
45heiligsten wellust: zuiverste zielsgenot.
50geduurig: telkens weer.
52witte roozen: Zowel de kleur wit, als de roos zijn symbool voor onschuld en maagdelijkheid.
54voor zijne bewaring: voor zijn bescherming; voor het feit dat hij ons behoed had.
55Het genoeglijke: het genot.
55-56het leven van mijne liefde: het wezen van mijn liefde.
57verschiet: vooruitzicht.
59vliegend genoegen: vluchtig genot.
berouwteelend: berouwverwekkend.
58-60in gevaar ... offeren: rigoreuze deugdopvatting, die de rest van het verhaalverloop bepaalt (zie Inl. hfdst. 4).
64donder: De donder heeft hier duidelijk een symbolische betekenis. In de eerste plaats begeleidt onweer in literatuur zeer veelvuldig noodlottige gebeurtenissen. In de tweede plaats kan, onder verwijzing naar vele plaatsen in het Oude Testament, de donder hier als Gods waarschuwende of toornige stem beschouwd worden. En mogelijk ook ligt er een verwijzing in besloten naar de rampspoed die Eduard vanaf nu te wachten staat. Vergelijk ook de zwarte wolken die voor de maan schuiven.
prepostterug  begin  verder