1Gij waant mij gelukkig te zijn - in de schaduw mijner julia 2rond te zweven - uit haare oogen geduurig nieuwe levenskrachten 3in te ademen - o mijn Vriend! op het oogenblik dat gij deezen brief3 4leest, kwijne ik meer dan honderd uuren van de woonplaats mijner 5julia af. - Eenzaam doole ik van woestenij tot woestenij zonder 6ooit haar te ontmoeten, die mij de wildernis tot een Eden zou maken.6 7 - Aan de gevoellooze Natuur klage ik mijn leed en tot hier toe heb 8ik geen hart gevonden, daar ik mijn' tot stikkens toe geprangden8 9boezem in ontlasten kon. julia heeft voor 't eerst wreed kunnen 10zijn - zo als de Engelen wreed zijn wanneer ze alles aan de Deugd 11opofferen - Ach! ik aanbidde die Heilige, zonder haar ooit te 12kunnen bereiken - ik bewondere haar in het uitoeffenen van eene 13deugd, die mij al mijn geluk medogenloos ontrooft. - Leg deeze 14tegenstrijdigheid van mijn hart uit, zo gij kunt - of noem het 15dwaasheid - maar ik gevoel dat ik haar minder beminnen zou, zo zij 16mij thans gelukkiger maakte, en echter komt mijne geheele ziel tegen 17haare wreedheid op. - Ja! zij heeft mij het bevel kunnen geven van15-17 18haar te verlaten - van haar in deezen korten leeftijd, daar elk18 19oogenblik een onwaardeerbaar, een nooit te herroepen gedeelte van 20uitmaakt - te verlaten. - Ach! zo zij mijn' dood geeischt had, ik 21zou haar gehoorzaamd hebben - ik zou den dolk gekuscht hebben,
22dien haare hand mij aanbood, en stervende haar gezegend hebben ..... 23julia! julia! - o gij eenigste Vriendin van mijn hart! - eenigste 24Ziel! die God onder de tallooze wezens van den geheelen aardbodem 25voor mij geschapen heeft - hebt gij mij, die enkel voor u aan de 26gevoelloosheid onttogen was - hebt gij mij aan mijn geluk ontroven25-26 27kunnen - aan dat stille, onschuldige geluk, daar mijn hart alleen de 28waarde van kende? - u slechts te aanschouwen, was mijn eenigst 29heil, boven het welke ik mij geene zaligheid verbeelden kon - ik 30smaakte die vreugd - stroomen van den zuiversten wellust ademde 31mijne ziel gedurig van uw gelaat in - aan uwe zijde, als mijne oogen30-31 32niets dan u zagen - als mijne lippen van genoegen gekluisterd32 33waren, riep mijn hart in vollen nadruk uit: Engelen worden schoon 34geschilderd om u te gelijken: in u is alles, wat ik van den Hemel34 35gelove, verbazende luister, zuiverheid en waarheid, eeuwige vreugde 36en altoosduurende liefde! - en nu - nu heeft de medelijdige julia33-36 37een' ellendeling uit dit Paradijs verdreven - hij dwaalt eene ledige37 38waereld door, en waar zijn voet rust, raakt hij op een' doorn. - - - 39Ja! mijn Vriend! ik heb het jongste afscheid kunnen doorstaan - 40maar waar ik geheel zwak, enkel pijnigend gevoel was, scheen 41julia door haare eigen deugd boven alle smart verheven te zijn. - 42Welke goddelijke lessen vloeiden als een daauw recht goddelijk van4236
43haare lippen! - ‘Eduard! het lot van uwe julia hangt van uwe43 44deugd af - zij zij u dierbaarer dan uw leven!’ - Ach Engel! waarom 45bezit ik uwe deugd niet - of waarom zijt gij den broozen sterveling 46niet meer gelijk? - Neen, mijne dierbaare julia! mijn hart doemt45-4646 47dien laatsten wensch - blijf, o blijf de Heilige, die gij zijt - klim 48eindeloos in grootheid! - Een zwakke worm, die in het stof kruipt,48 49zal gelukkig genoeg zijn, zo hij u van verre mag navolgen - één 50straal van uwen luister, die op hem valt, maakt al zijn heil uit! - 51Helaas! zij hoort mij niet - en geen traan bedaauwt haare wangen op mijne klachten. - Alcestes! ik moest haar eindelijk verlaten -52 53bevende en wezenloos nadere ik haar - nu zag ik dat zij eene poging 54op haar zelve deed - zij vat mijne natte hand - ik voelde de haare53-54 55sidderen - maar met een' glans van volmaaktheid op haar gelaat 56brengt ze moedig deeze woorden uit - de laatsten, die ik van haar 57gehoord hebbe! ‘Eduard! dat wij ons deeze handen even zuiver, even 58onbesmet wedergeven voor den Rechterstoel van God! - dan wor-5859den ze in geene eeuwigheid van een gereeten.’ - Ik zag haar aan - 60o God! met welke oogen! - met welk een hart, verzonken onder 't 61onlijdelijkste leed! - - ‘Gij ziet uwe zaligheid - uwe eenigste 62zaligheid voor 't laatst - de Eeuwigheid kan verandering baren - 63de Tijd, de geheele lange Tijd, nooit! - nog één oogenblik - en het62-63 64gordijn valt - gij hebt geleefd’ - Zie daar de gedachten, die 65duizendmaalen in een oogenblik, met onwederstaanbaar, met dul-

66deloos geweld - als bliksems door mijn verstand vlogen - en nooit 67zonder dat ik een stuk van mijn hart voelde afscheuren - Ik zou 68luidkeels geschreeuwd hebben van weedom, maar overmaat van68 69smart sloot mijnen mond en mijne lippen beefden. Waar leeft de 70sterfelijke, die vatbaar is te gevoelen, wat ik gevoelde? - Voor-71zienigheid! - o Voorzienigheid! ik wensche u te aanbidden! - 72Zeker hebt gij, Vader van uwe schepselen! ook mijn geluk bedoeld - 73toen uwe hand mij aan het niet ontrok - toen gij mij juist met dit73 74diepgevoelend hart in den kring der wezens plaatste - en echter zo74 75ongelukkig - door onoverwinnelijke toevallen zo rampzalig - ik 76stare ... en mijn hart gruuwt - - - o mijn Vriend! ik heb den 77laatsten kusch op de koude lippen mijner julia gedrukt - waarom 78is mijne ziel dien kusch niet gevolgd! - Neen! men sterft niet van 79smart, dewijl ik nog leve! - - Ik verliet haar geheel buiten mij zelven79 80- wat ik leed, drukt geen eindig wezen uit. - - Naauwlijks vond ik80 81mij alleen of de gelatenheid, die het tederste Meisje onder het aan-8182doenlijkste afscheid betoond hadde, pijnigde mij nog boven al mijne 83smart. - Ieder trek van haar gelaat - ieder woord, dat van haare 84lippen gevloeid was, herdacht ik - herdacht ik duizendmaalen - en 85alles scheen mij even koel, even onverschillig toe - ‘julia op-86houden mij te beminnen’ - IJsselijke gedachte! - wijk te rug in den 87nacht des afgronds, daar gij uit voortgekomen zijt! - Gij schept mij 88eene hel van wanhoop en afgrijzinge. - Ach! aan haare liefde hangt 89mijn wezen. - Zij veranderen? ... Vergeef, vergeef, o mijne julia! 90uwen zwakken, uwen ongelukkigen Minnaar deeze lasterlijke ge-91dachte. - ach! ik ondervinde het - het onheil maakt onrecht-92vaardig - ik durfde u verdenken! - - - En gij, mijn Alcestes! - 93hadt gij gedacht, dat uw Vriend zo spoedig alles, wat hem dierbaar 94is, missen zou? - - Aardsch genoegen! - schitterende benaming
95der ellende! waar woont gij? - Bedriegelijke droom! gij vervloogt95 96voor mij als eene schaduwe - ik ontwaakte - en het eerste oogen-97blik na mijne ontwaking vermoordde de zaligheid van een geheel 98leven. - -
* * *