1Hebt gij een oogenblik kunnen denken, dat mijn hart niet geleden1-9 2heeft, toen mijn mond u het jongst vaarwel toeademde, dat ik niet2 3aan de eigen plaats, daar gij mij verliet, zo lang mijne oogen u3 4bereiken konden, vastgekluisterd scheen, en toen uwe laatste scha-5duw uit mijn gezicht verdween, mijne tot stikkenstoe geprangde borst5 6door het storten van een' heeten traanenvloed geen lucht gegeven 7hebbe, niet ijlings naar mijne kamer gevlogen, daar op mijne knien 8gevallen ben en eenen geheelen langen tijd Gods beste zegeningen 9over u afgebeden hebbe? - Zo gij voor een oogenblik hieraan hebt 10kunnen twijffelen .... Ondankbaare! hoe weinig kent gij dan mijne 11liefde! - Hoe kalm mijn gesprek u voorkwame - hoe koud de 12jongste kusch scheen, dien ik op uwe betraande lippen drukte, nooit, 13mijn dierbaare Eduard! nooit, eenige Vriend van mijn ziel! heb ik u 14een sterker proef van mijne liefde gegeven, dan in die zelfde bijeen-15komst, daar gij u over beklaagt - Ach! toen mijn pligt mij beval dat15 16ik u van mij verwijderen zou - toen mijne hand u schreef: verlaat 17mij! - o! waarom zaagt gij mij toen niet in mijne traanen smeltende, 18en ieder letter met benaauwdheid en zielangst voortbrengen! - Ik 19verbeelde mij levendig - ik zag, ik gevoelde den donderslag, die u 20trof, toen gij mijn bevel verstond - uwe julia verzaakte haare20 21smart, verkropte haare traanen om enkel gevoelig voor uwen ramp21
22te zijn - gij leedt - zij zag niets meer dan eduard! en - wat geen21-22 23Heelal bij mij had kunnen uitwerken, deed de enkele gedachte, dat 24mijn eduard minder leed, als ik hem mijne smart verbergen kon. 25Ja! de liefde, de tederste liefde alleen maakte mij tot eene Heldinne en 26zo trad ik naar onze laatste bijeenkomstplaats. Hoe gevaarlijk was26 27mij de eerste blik, dien ik op u wierp, toen ik u van verre zag 28aankomen! - zo bleek, zo gevoelloos door overmaat van gevoel, zo28 29hardnekkig op den grond starende, gebukt onder onuitspreeklijke 30ellende - o mijn eduard! ik gevoelde al mijn' moed bezwijken; 31mijne oogen begonnen te zwellen, en mijn hart borst van weêdom -31 32en zo gij toen uw gezicht op mij geslagen hadt, zoudt gij niets in uwe32 33julia gevonden hebben, dan het zwakke, het gevoelige meisje. Ik 34herstelde mij met moeite - gij weet het overige - wij verlieten 35elkanderen - en toen - toen zonk uwe en mijne smart vereenigd op 36mijn hart neêr - God alleen weet wat ik geleden heb - zo veel leed 37geen mensch ooit! - het oogenblik zal nog aanbreken, waarin ik,36-3737 38sedert uw afzijn niet aan u gedacht, niet vuurig aan u gedacht hebbe38 39- ieder woord, dat wij ooit met elkanderen gesproken hebben, 40herhaal ik honderdmaalen op eenen dag en tot nog toe heb ik mijne 41woning niet verlaten, dan om de dierbaare plekken te bezoeken, die 42wij eenmaal hand aan hand bewandeld hebben - daar herinnert mij 43dan alles aan mijnen eduard - somtijds verbeelde ik mij, als de 44wind door het geboomte ruischt, uwe stem te horen en mijne ooren 45vangen ieder toontje met wellust op. o Bekoorlijke harsenschimmen! 46o lieffelijke, strelende begochelingen, laatste en eenigste toevlucht 47van ongelukkigen! ach! waarom moet uwe vreugd zo spoedig ver-48dwijnen? - Waarom moet ik geduurig op nieuw mijne akelige 49eenzaamheid gevoelen? - Hoe vaak heb ik sedert uw afzijn de 50vergenoegde dagen mijner kindsheid te rug gewenscht. - In dien50
51tederen leeftijd is onze verbeelding gedienstiger - en haar ver-5152mogen sterker - Zij schept ons alles wat wij wenschen en een 53oogenblikkelijk genot volgt elke begeerte op! - naauwlijks ver-5354vliegt de eene begocheling of eene tweede, veel bekoorlijker, ver-55vangt haare plaats en dit tot in het oneindige - ja! tot in het 56oneindige, zo die zalige leeftijd oneindig ware! - maar hij vliegt met56 57onze genoegens zachtskens, onmerkbaar heen - de Rede wint veld 58- en zij, die zo veele diensten aan den mensch doet, vermoort 59onmedogend zijne zoetste verbeeldingen en verdrijft wreedaartig 60die dierbaare harsenschimmen, die aan ons gevoel zulk een ver-61kwikkelijk voedsel verschaffen, en ons door deeze akelige wildernis61 62van heuveltje op heuveltje zo genoeglijk voortrollen. - Ja! ons leven57-6262 63is een droom, en waar plukken wij hier een roosje dan in onze62-63 64verbeelding? - eduard! waar zou mij deeze gedachte, deeze recht 65treurige gedachte heen voeren? - - - Is er dan geen Eeuwigheid? 66- Is hier de zaaitijd niet? - en zullen deeze moeilijke, heete, in zweet66 67en stof doorgebragte dagen niet eenmaal door eenen eeuwigen oogst66-67 68opgevolgd worden? - Wij hebben hier slechts kennis gemaakt, mijn 69Beste! - in de onsterflijkheid zullen wij stoorloos genieten - Hoe69 70veele tegenspoeden weegt dit enkel denkbeeld op! - Wat is onze69-70 71loopbaan hier kleen bij de toekomendheid! - Welk een onmerkbaar71
72beekje wordt de tijd, als wij hem bij dien oeverloozen Oceaan be-7273schouwen, daar millioenen jaaren, met millioenen verdubbeld, zelfs 74geen enkel golfje van uitmaken! en echter hebben wij in deezen korten 75tijd elkander ontmoet - Hoe schoon is onze leeftijd besteed ge-7576weest! - - Hoe veele stervelingen verliezen zich in den drang deezer76 77woelige waereld zonder zich onderling te ontdekken? - hoe veele77 78ongelukkigen alom, die gelukkig, onuitspreeklijk gelukkig zouden 79geweest zijn, zo zij dat hart onmoet hadden, daar hunne zaligheid in 80sloeg - dat nu aan hunne treurige oogen ontsnapt is, en op zijn 81beurt door eene andere ongevoelige gepijnigd wordt! - - Hoe 82gevoelt mijn hart alle de waarde van ons heil, van een heil even82 83duurzaam als ons wezen, tot in een eindeloos verschiet! - - 84Kweekt deeze overweging geen' goddelijken troost in uw hart, mijn 85eduard! nu wij ons missen? - Ach! zij is de eenigste die mij thans85 86verkwikking aanbrengt bij alle de treurige voorwerpen, die mij om-8687ringen - -76-87
88Mijn Vader schijnt vergenoegd over het offer dat ik op zijn bevel88 89van mijn hart gescheurd hebbe, en hij weet welk een offer dit voor 90mij is! - Hij poogt mij uw gemis door de uitgedachtste vermaaken te90 91vergoeden - te vergoeden, eduard! - hoe weinig kent hij het hart 92zijner Dochter! - Waarom toch zijn alle menschen niet wat ze 93zouden kunnen zijn? - dan was ieder huisgezin een Hemel en de 94waereld - wat de eeuwigheid zijn zal! - o mijn Beste! met welk een
95vermaak zie ik een' brief van u te gemoet - Verwaarloos uw leven 96toch niet - gij leeft voor uwe julia en zij ademt voor u - uw95-96 97vertrek was noodzaaklijk - gij moest mij verlaten - maar denk dat 98gij mijn hart, mijne rust, alles, wat mij dierbaar is, met u voert, en dat 99onze geschiedenis voortaan maar een is - Gij kunt niet meer alleen 100gelukkig of rampzalig zijn - en gelooft gij dat uwe julia het zou 101kunnen zijn? - neen! schoon aan de beide uiterste grenspaalen der101 102waereld geplaatst, zegt mijn hart mij, dat wij echter in 't zelfde lot101-102 103zouden delen - o mijn eduard! zo gij mij zo teder bemint, als ik u 104doe, dan zal dit eigen gevoel u de naauwkeurigste zorg voor uw leven 105doen nemen - in de ontworsteling van elk gevaar zult gij de vreugd 106gevoelen, die gij aan uwe julia verschaft hebt - bij elk vermaak, 107dat gij op uwen weg ontmoet ... Och! mijn Dierbaare! zoudt gij niet 108iets doen voor haar, die alles wat zij is - alleen, geheel voor u is? -
* * *