terug  begin  verderprepost
[p. 115]

De troost.

1Iets, mijne julia? - alles! - Spreek, wil slechts, en het onmo-2gelijke zelfs wordt mij mooglijk. - Ja, ik zal leven - en niet geheel2 3ongelukkig zijn, wijl gij mij bemint. o Mijne dierbaare Zielvriendin! 4- hoe vertroostend - hoe levenherstellend was mij de jongste 5verzekering uwer liefde! - Met zulk een zachtademend gevoel alles5 6te vergeven en dan nog zaligheid op eenen misdaadigen uittestorten6 7- o julia! eenigste Schepster van mijn geluk! - hoe kent mijn hart7 8u aan dien eenen trek! - Wie kwam de Godheid ooit nader dan gij,8 9en wie bezat teffens in eene ruimer maat al het aanminnige der 10Menschheid? - En ik heb u kunnen verdenken? - neen, mijne8-10 11julia! ik verdacht uwe liefde niet, maar mijn hart, verzonken onder 12uw gemis, zag de geheele Natuur als één foltertuig aan - alles 13pijnigde mij! - niets bleef mij meer overig dan uwe Liefde - haar te 14verliezen was vernietiging voor mij! - - In zulke bedwelmende 15oogenblikken van vertedering en ellende vreest men het verlies van15 16zijne jongste en dierbaarste bezitting, en naar maate zij dierbaarer is, 17dringt de vrees met meer geweld, zelfs in een hart, dat geen enkle 18reden van vertwijffeling heeft. - Uwe liefde was mij alles - konde 19ik gerust zijn toen mij door uwe afwezendheid de geheele natuur 20ontzonk? - en uw hart mij alleen overig bleef? - julia! gij waart19-20

[p. 116]

21het Heelal voor mij! - mijn leven, mijne vreugd, mijn verstand, 22mijne deugd, mijne zaligheid! - Buiten u was ik den gevoelloozen 23stofklomp gelijk - door u bezield, was ik vatbaar voor de grootheid22=23 24van den Engel. - Neen! ik heb nooit hartgrondig aan uwe liefde24 25getwijffeld - het eigen oogenblik had mij zien sterven - eenen 26geweldigen, pijnigenden dood zien sterven - en de Eeuwigheid -25-2626 27de geheele lange Eeuwigheid zou mij een ijdelgapend ruim - de27 28Onsterflijkheid een straffende last geweest zijn. - Gij alleen kunt26-28 29mij eene Eeuwigheid vervullen - gij alleen mijn hart voor eene29 30Eeuwigheid doen gevoelen! - - - o mijne julia! op dit oogen-31blik is dat hart geheel liefde, geheel tederheid - het fijnste gevoel 32stroomt door alle mijne aderen en naauwlijks kan ik van het verhe-33venst genoegen ademhalen - maar mijne pen, mijne woorden be-34zwijken - en vruchtloos poge ik mijne gewaarwordingen uit te 35drukken. - Neen! ik ondervinde het, er is nog geen taal voor 36't gevoel - of het moesten de traanen - de gezegende traanen zijn 37- ja! zij zijn het - zij ontlasten thans mijne geprangde borst - zij37 38komen mijne flaauwe woorden te hulp en alles wordt uitdrukking!38 39- julia! gij ziet thans de traanen niet langs mijne wangen vloeien 40- uwe traanen vermengen er zich niet mede - uwe hand droogt ze 41niet af - - die gelukkige tijd is verdwenen - de smartelijke en 42verkwikkende gedachtenis is er nog alleen van overig - zal er42 43eeuwig van overig zijn! - maar gij zult gevoelen, wat ik gevoel - 44Heeft uw hart ooit woorden nodig gehad om het mijne te verstaan?

[p. 117]

45- Ja! ik ben nog gelukkig in al mijn smart - zij zelve wordt mij 46dierbaar - mijne ziel verwijdt zich elk oogenblik - mijne gewaar-4647wordingen worden verhevener - ik durfde u beminnen, julia! -47 48en zoude ik in waare grootheid niet toenemen? - Strelende ge-49dachte! julia waardiger te worden - eens haar te bezitten - aan 50alle haare behoeften te voldoen - geen enkel ledig vakje in haar hart50 51open te laten! - - Aanminnige hoop! - alles week van mij, maar51 52gij bleeft mij bij - onder uwen verzachtenden adem verliezen de 53doorens, die ik op mijnen weg ontmoet, hunne stekeligheid en roo-54zen ontluiken voor mijne oogen in een lang verschiet - julia!54 55wanneer zal mijn voet dit verschiet bereiken? - hier? - hier die 56gelukkige Aardbewooner zijn? - of in de Eeuwigheid? - ten min-57sten (wat lijdt mijn hart onder dit: ten minsten!) daar zeker - 58stoorloos - eindeloos! - daar zal alles liefde, alles gevoel zijn! - - -58 59heilig, van het vuil der menschlijkheid gezuiverd gevoel zijn! - - - 60Leven van mijn leven! Ziel van mijne ziel! - o mijne julia! - ik60 61bezwijke van aandoening - mijne hand beeft van genoegen - en 62toch ben ik treurig - de pen ontzinkt mij - o deel, deel in mijne 63zaligheid! -

 

* * *

2Ja, ik zal leven: In antwoord op Julia's bezorgdheid uitgesproken in het vorige hfdst., verklaart Eduard hier dat hij niet door een onzorgvuldige levenswijs zijn dood zal verhaasten.
5zachtademend: (hier) mild.
6eenen misdaadigen: (hier) iemand die iets misdaan heeft.
7kent: (hier) herkent.
8trek: karaktertrek.
8-10Wie kwam ... Menschheid: Enerzijds staat Julia met haar edele karakter dichter bij het goddelijke dan wie ook op aarde, anderzijds overtreft niemand haar in menselijke bevalligheid. De Godheid en de Menschheid betekenen hier respectievelijk de goddelijke en de menselijke hoedanigheid, het goddelijke en het menselijke.
15vertedering: aangedaan-zijn.
19-20toen mij ... de geheele natuur ontzonk: toen ... de hele schepping voor mij verloren ging.
22=23Buiten u ... gelijk: vergelijk p. 105 r. 25-26 en de aant. aldaar.
den gevoelloozen stofklomp gelijk: zo ongevoelig als een brok materie.
24hartgrondig: in de grond van mijn hart.
25-26het eigen oogenblik ... dood zien sterven: Eduard zegt hier in feite dat op het moment dat hij werkelijk aan Julia's liefde zou twijfelen, hij zou sterven.
26geweldigen: (hier) hevige, verschrikkelijke. Voor de mogelijkheid dat gewelddadig bedoeld wordt (gewelddadige dood: zelfmoord), biedt de context weinie aanknopingspunten.
27ijdelgapend ruim: leeg-gapende ruimte.
26-28en de Eeuwigheid ... last geweest zijn: m.a.w. Eduard ambieert geen eeuwig leven zonder Julia.
29vervullen: inhoud geven, volmaakt maken.
37geprangde: benauwde.
38uitdrukking: expressie, nl. van het gevoel.
alles wordt uitdrukking: de ‘flaauwe woorden’ samen met de tranen worden geheel gevoelsexpressie.
42gedachtenis: herinnering.
overig: over.
46mijne ziel verwijdt zich: d.w.z. een vorm van bewustzijnsverruiming komt tot stand.
47durfde: mocht. (Verg. het Duitse dürfen. De modaliteiten van de hulpwerkwoorden lagen in de 18e eeuw minder vast dan tegenwoordig.)
50vakje: plekje, ruimte.
51Aanminnige: liefelijke, dierbare.
54in een lang verschiet: in een ver vooruitzicht (of, in een langdurig vooruitzicht?).
58stoorloos: ongestoord, zonder dat het verstoord kan worden.
60Leven ... ziel!: analogie van Genesis 2:23 (‘been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch’). Eduard bedoelt dat Julia het wezen van zijn leven en van zijn ziel uitmaakt.
prepostterug  begin  verder