terug  begin  verderprepost
[p. 124]

De uitkomst.t

1Verheug u, mijne julia! maar verheug u met traanen - Werther 2is van alle zijne ellende verlost - Hij is niet meer! - - Zijn dood 3berooft mij van eenen tederhartigen lotgenoot - die mij in uw afzijn3 4alles was - daar ik mijne gesprekken over u altijd aan kon kwijt 5raken - en echter verheug ik mij over denzelven. - De dood was 6het eenigste middel dat hem aan zijn lijden ontrukken kon - zoude 7ik - die dat duldloos lijden meer dan iemand gevoelde - baat-78zuchtig genoeg zijn om een leven in hem te rug te wenschen, dat mij 9vertroosten en hem aanhoudend pijnigen zoude? - - Neen, mijne 10julia! ik heb van u geleerd mijn geluk in dat van mijnen even-11mensch10-11 te vinden - en zou er een enkle zucht zelfs tegen het belang 12van een' Vriend in mijn hart kunnen oprijzen? - - Welk een treurig 13einde was ondertusschen het zijne! - Zo jong, in den besten bloei 14van zijne jaaren, door ellende en smarten uitgeteerd, het graf als de 15eenige toevlugt tegen zijne rampen te moeten aanschouwen - door14-15 16bergen en zeën van de Vriendin van zijn hart gescheiden - moog-17lijk van haar vergeten - van liefde voor haar te sterven! - -17

 

18Reeds lang waren zijne aandoeningen sterker dan zijne ligchaams-19krachten - Ik voorspelde hem geene lange beproeving meer - 20echter zo onverwacht had ik mij niets voorgesteld.

[p. 125]



illustratie

[p. 126]

21Voor eenige dagen liet hij mij om middernacht roepen - ik vond 22hem op zijn leger - met eene stille wanhoop op zijn gelaat en bijna22 23magteloos om zich te verroeren - ‘Eduard! sprak hij, zo dra hij mij 24gewaar werd, mijne taak loopt ten einde, ik bezwijke onder mijn leed24 25- Stort geen traanen over mijnen dood - hij is mij een verlosser! - 26- maar hebt gij medelijden met eenen ongelukkigen gehad, is mijne 27gedachtenisse u dierbaar - o! doe mij dan eene belofte, en gij zult 28mijne laatste oogenblikken verkwikkinge aanbrengen. - Zo het lot 29u ooit brengen mogt in den omtrek mijner Vriendinne - begeef u tot29 30haar - zeg haar hoe ik in het jongste tijdstip van mijn leven haar 31even vuurig, even oprecht bemind hebbe, als toen mijn mond haar 32eene enkle keer mijne geheele ziel dorst openbaren - dat het laatste 33vonkje in mijne oogen voor haar geschenen heeft - mijne laatste 34zucht voor haar geweest is - - Bid haar, dat zij het aan een' 35ongelukkigen vergeve, zo hij ooit voor eenige oogenblikken de rust35 36van een Meisje, daar hij duizendmaal voor in den dood zou gegaan 37zijn, onwillig gestoord heeft - Zeg haar dat mijn hart mooglijk niet37 38geheel onwaardig was om van haar bemind te worden’! - - Ik 39voldeed, al snikkende, aan zijnen eisch. - ‘Nu ben ik te vreden,38-3939 40zeide hij, en alles is hier voor mij afgedaan! - Wees gelukkiger, 41Eduard! dan ik hier geweest ben’! - - Thans zweeg hij een' 42geruimen tijd - zijne handen waren gevouwen en opgeheven - hij 43scheen te bidden - - Eindelijk borst hij onder een' vloed van 44traanen met eene gedurig verflaauwende stem uit:43-4444

[p. 127]
45
o Oorsprong van mijn zijn .... zie op uw schepsel neder,
 
Gij eischt uw gift te rug ... ik geef ze u dankbaar weder ...46
 
Mijn taak is zwaar geweest in deeze rampwoestijn .....
 
Vergeef, wat ooit mijn hart uit zwakheid heeft misdreven ...48
 
't Is Godlijk te vergeven,
50
Was 't menschlijk zwak te zijn!45-5049-50

51Hij zucht - drukt mijne hand en bevochtigt ze met zijn dood-52zweet - slaat zijne oogen naar boven - en sterft. - - -

 

53o Werther! Werther! wees gelukkiger in uw tegenwoordig leven,53 54dan gij hier geweest zijt! - - Ongelukkig Jongeling! slagtoffer van 55uw gevoelig hart - Gij verdiende God te beminnen! -55

 

56Ik heb zijn lijk naar het graf, daar hij zo dikwerf naar gereikhalst 57heeft, verzeld - ijsselijk leed ik onder deeze plegtigheid - toen men57 58de kist in den grond liet zinken, meende ik te bezwijken - ieder 59klomp aarde die met een' hollen weêrgalm op de kist zonk, voelde ik 60op mijn hart vallen. - - o Mijne julia! dit geheele oord is mij 61sedert dien tijd ondraaglijk geworden - alles herinnert mij aan den 62rampzaligen Werther - - Morgen vertrek ik naar *** langs eenen 63barren akeligen weg - Nergens hoore ik t'huis - maar hier toch nu 64het minste - - - Wanneer zal ik eens weder uwe woning naderen?

[p. 128]

65- God weet het! - - Treurig denkbeeld! - Wij komen den dood 66voor - eens zal hij ons zeker scheiden - ach! moeten wij zijnen65-66 67wreeden arbeid uitwinnen - zijne komst onnodig maken! - -67

 

* * *

tDe uitkomst: Hiermee zou zowel de afloop bedoeld kunnen worden, als de verlossing (uit het lijden).
3afzijn: afwezigheid.
7duldloos: ondraaglijk.
10-11evenmensch: medemens.
14-15Het thema dat het graf voor de mens de enige uitkomst is uit zijn aardse lijden, is door Feith uitvoerig behandeld in zijn leerdicht Het graf (1792). Zie: P.J.A.M. Buijnsters, Tussen twee werelden. Rhijnvis Feith als dichter vanHet graf’ (Assen 1963), en diens editie van Het graf (2e herz. dr. Culemborg 1977. Klassieken uit de Nederlandse letterkunde).
17van: door.
22leger: bed.
24taak: Het leven op aarde wordt als taak gezien, ter voorbereiding op het leven na de dood. Zie ook r.47.
29omtrek: nabijheid.
35rust: gemoedsrust.
37onwillig: ongewild, onopzettelijk.
38-39We horen naderhand niet of Eduard deze belofte nagekomen is. Compositorisch gezien is dit een niet afgewerkt verhaalgegeven, kennelijk niet van essentieel belang voor de strekking van Feiths exemplarische liefdesgeschiedenis.
39eisch: verzoek.
43-44borst ... uit: barstte ... uit (hier bedoeld als zich niet meer bedwingen kunnen om iets te zeggen).
44gedurig verflaauwende: steeds zwakker wordende.
46uw gift: nl. het leven.
48uit zwakheid: m.a.w. uit boos opzet heeft Werther nooit iets misdaan.
45-50Deze woorden van de stervende Werther vertonen dezelfde vormgeving als diens gedicht op de rots (zie p. 119). Ze zijn minstens zo onwaarschijnlijk.
49-50Verg. een versregel van de Engelse dichter Alexander Pope (1688-1744): ‘To Err is Humane; to Forgive, Divine’ (Essay on Criticism, vs. 525). Het eerste deel van deze uitspraak is het Latijnse ‘errare humanum est’.
53in uw tegenwoordig leven: nl. in het hiernamaals.
55Gij verdiende God te beminnen: Van de vertwijfeling die de religieuze gevoelens van Goethes Werther kenmerkt, is bij Feiths Werther niets te vinden: zie het vertrouwen dat uit diens laatste woorden spreekt. Dit maakt de interpretatie van dit zinnetje problematisch. Mogelijk betekent het: Jij was het waard, jij had je het recht verworven God te beminnen.
57verzeld: vergezeld.
65-66Wij komen den dood voor: wij lopen op de dood vooruit, d.w.z. wij doen nu zelf reeds wat de dood later zou doen (nl. ons van elkaar scheiden).
67uitwinnen: uitsparen. Eduard klaagt dus dat Julia en hij aan de dood het werk besparen: deze hoeft hen niet meer te scheiden.
prepostterug  begin  verder