terug  begin  verderprepost
[p. 129]

De voorzienigheid.t

1Het treurig verhaal van uwen beklagenswaardigen Vriend heeft 2mijne geheele ziel ontroerd - Wat beminnen wij toch als wij stof2 3beminnen? - o mijn Eduard! - ook onze liefde heeft die zuiverheid 4nog niet bereikt, die ze bezitten moet om ons voor altijd gelukkig te 5maken - pogen wij haar van dag tot dag meêr te verfijnen - 6smoren wij de stem der driften om alleen naar die van het reinste6 7gevoel te luisteren - beminnen wij hier reeds, zo als wij altijd zullen7 8blijven beminnen. - Indien uw hart dit even vuurig wenscht als het 9mijne - en zouden wij ongelukkig genoeg zijn om hier eenen ver-10schillenden wensch te hebben? - o beklaag u dan niet over onze 11scheiding! - Zij is er het geschiktste - mogelijk het eenigste middel11 12toe! - - Ach mijn Vriend! mijn eenige Vriend! geloof uwe tederste11-12 13Vriendin - uwe drift, uwe blinde drift leidt u te dikwerf van het13 14spoor af - Gij zijt of geheel mismoedig of enkel vuur - in den 15eersten toestand lastert gij de Voorzienigheid, zonder Haar doelwit15 16te doorzien - in den laatsten vergeet gij alles voor het tegenwoor-17dige oogenblik. - Gij weet, mijn dierbaare! hoe teder ik u beminne 18- ach! zoude uwe zedelijke volmaking mij onverschillig zijn? - -19Eduard! wij zijn zwakke rieten, die door het minste koeltje bewogen 20worden - ik beef, zo dikwerf als ik denk dat wij in deezen toestand19-20 21mooglijk nog eenen storm te verduuren hebben! - - Helaas! ik 22zelve - ik heb onbedachtzaam tegen mijnen grooten Weldoener 23gesproken - Uw afzijn, uwe treurigheid en daar uit voortvloeiende23

[p. 130]

24nutteloosheid voor u zelven, en voor de Maatschappij, was een24 25geduurige moordpriem in mijn hart - Ik was overtuigd dat onze23-2525 26echtverbindtenisse het eenigste middel ware om u aan uw geluk en 27aan de zaamenleving weder te geven - om u die zedelijke grootheid 28te doen bereiken, daar gij vatbaar voor zijt. - Mijn geheele hart 29sloeg voor uw geluk - dat van mijn' Vader bleef onbewogen. Uwe 30jammerlijke klagten - uw eenzaame toestand, dien ik mij niet dan te 31levendig verbeelden kon - alles was besmettelijk voor mij - - Ik30-3131 32durfde de Voorzienigheid beschuldigen! - - - Het rampzalig lot 33van uwen Vriend heeft mijne oogen geopend - ik heb den afgrond33 34ontdekt, daar ik voorstond - hoe vaak heb ik zedert dien tijd mijne 35dwaasheid met heete traanen beweend! - - Mooglijk is het enkele 36goedheid, Eduard! daar wij nu niet dan strengheid zien - - - Zo 37onze Liefde hier voor den tijd niet geschikt ware - zo er zich echter 38nog zo veel stoffelijks inmengde, dat wij zonder het genot hier van36-38 39nooit geheel gelukkig zijn konden - dan - dan zou vroeg of laat het 40lot van Werther het onze worden. Nu gescheiden, leren wij geduurig39-4040 41zuiverer beminnen. Het stoffelijke is buiten onze bereiking - wij41

[p. 131]

42moeten ons met de ziel alleen vergenoegen. - - Wat ons eerst eene42 43ondraaglijke smart was, zal eens onze hoogste lust worden - en te42-43 44spoediger, naar maate wij meer met de Voorzienigheid medewerken 45in plaats van tegen Dezelve te morren. o Indien wij eens het volle45 46zuivere geluk der liefde in de eeuwigheid bezaten en dan daar alle die 47wegen inzagen, waar langs de hoogste Wijsheid en Goedheid ons 48hier - niettegenstaande onze geduurige verwijtingen en ondank-49baarheid - geleid heeft om het te bereiken - zo wij die wegen dan, 50als de eenige mogelijke wegen om eeuwig gelukkig te zijn, erkenden, 51en ons teffens herinnerden, hoe wij in onze eerste bedwelming het 52onvolkomen genot van een oogenblik - en is dit de tijd nog bij de5252 53eeuwigheid? - voor een eindeloos, voor een volmaakt geluk zouden52-53 54gekozen hebben - o Eduard! welk eene diepe schaamte zou ons 55aangezicht voor onzen grooten Weldoener moeten bedekken! - hoe 56zouden wij hem danken van aan onzen rampzaligen wensch niet56 57voldaan te hebben! - - Geloof mij, mijn dierbaarste Eduard! eens 58zullen wij zeker de Voorzienigheid voor die zelfde scheiding, die ons nu zo smartlijk valt, de vuurigste erkentenisse toebrengen - Hoe59 60meer wij er hier toe genaken, hoe nader wij aan ons waar geluk60 61komen, en hoe zuiverer onze liefde wordt. - Buiten deeze reine 62liefde is er geen eeuwige Liefde! - - En meent gij dat onze scheiding 63minder smartlijk, minder ondraaglijk zou geweest zijn, indien de 64dood ons, na eene gelukkige echtverbindtenisse uit elkanders armen 65gescheurd had? - Ach! zo wij even zeer als nu aan het zienlijke65

[p. 132]

66gekleefd waren - duizendmaal duldeloozer! - - Aanbidden wij66 67dan, mijn' Zielvriend! den grooten Bestuurer van onze noodlotten67 68- aanbidden wij zijne wijsheid en goedheid - ook daar - 69waar wij geneigd zijn om niets dan willekeurige onrechtvaardigheid te vin-70den. - Hij doelt zeker op ons geluk. Dwingen wij hem door onze 71hardnekkigheid niet, om het op eene voor ons pijnelijker wijze te 72bereiken - Onze scheidinge is die des Doods nog niet!70-72

 

73Ook zijt gij naar uw eigen gevoel zo geheel ongelukkig niet. - 74Hebt gij mij niet dikwerf beleden, dat het schoonste ligchaam alleen74 75nooit in staat zou geweest zijn om u de liefde te doen kennen - 76dat de ziel bij u alles was, en de eenige waarde aan haaren bekoorlijken 77omtrek geven kon? - - o mijn Beste! gij bezit mijne geheele ziel zo76-77 78zuiver, zo onverdeeld, als eenig sterveling ze immer van een Meisje 79bezeten heeft - gij bezit ze voor de eeuwigheid! - - Vergenoeg u 80hier mede - Het minste mist gij - dat slechts, wat eerlang walglijk79-80 81- misvormd - een prooi van 't gewormte zijn zal - en zelfs bij u 82afgrijzinge moet verwekken.

 

83Ik gevoel het, mijn Eduard! alle uwe bedenkingen tegen de Voor-84zienigheid zijn hier niet mede opgeheven - de levensloop van 85Werther blijft voor u en mij een onoplosselijke knoop - - maar, o85 86Eindige! - wilt gij de Oneindigheid peilen? - - Onze eigenliefde86 87doet ons ons zelven, en elken natuurgenoot, daar wij belang in87

[p. 133]

88nemen, als de eenige voorwerpen aanschouwen, daar de zorg der88 89Voorzienigheid op vallen moest - schoon dezelfde Voorzienigheid 90een geheel aaneengeschakeld Heelal bestuurt, daar elk wezen - de90 91seraf zo wel als de worm - een onmerkbaar - maar door de91 92hoogste Goedheid zeker geen vergeten deel van uitmaakt. - - o 93Eduard! kunnen wij hier veilig besluiten, zonder alle de schakels van 94die eindelooze keten doorkeken te hebben? - Het lot van Werther94 95was mooglijk aan dat van duizend wezens verbonden - en dat 96zelfde lot, hoe wreed het ons hier in de duisternisse ook toe moge96 97schijnen, was in verband tot het geheel - zelfs voor de eeuwigheid -97 98mooglijk het gelukkigste. Gewis dit zijn meer dan mooglijkheden.98 99Herroepen wij onze voorige ondervindingen. Hoe vaak hebben wij99 100begonnen met bitter te klagen en geëindigd met over het zelfde 101toeval te juichen, zo dra wij er de oorzaaken en gevolgen van doorzagen?101 102- Kunnen wij tot onze geruststelling hier niet veilig uit 103opmaken, dat wij in de zwaarste rampen, in die zelfde rampen die 104ons nu zo menige bittere traan kosten, even vrolijk zouden juichen,

[p. 134]

105zo onze oogen slechts verlicht waren, en wij ons waar geluk, en den105 106geschiktsten weg, die er toe leidt, kenden? - -

 

107Verstoren wij, o mijn dierbaarste Eduard! verstoren wij dan ons107 108eigen heil niet langer. - Zouden wij in onze onkunde niet veilig108 109vertrouwen op die zelfde Voorzienigheid, die zo liefderijk voor ons 110gezorgd heeft, die aan alle onze behoeften zo menigwerf voldaan 111heeft, zelfs eer wij haare tedere voorzorg konden afsmeken, eer wij111 112van ons aanzijn bewust waren? - - De hartstochten, het zienlijke,111-112 113het zwakke der Menschlijkheid - mogen ons een oogenblik bed-114welmen - maar eindelijk moet zich de stem der Reden verheffen - 115en die van den Godsdienst, die in aller harten spreekt - Zij roepen 116ons vereenigd toe: Er is geen ware Liefde dan die uit God voortvloeit 117- en teffens een gedeelte van de Liefde tot Hem is - Zij alleen loopt117 118op de volmaking uit! - - -

 
Ja! de liefde is in den Hemel!
120
Daar, daar is de zuivre liefde! ...
 
Hier beneden woont zij zeldzaam; ...121
 
Slegts bij aardsche Hemelingen! ...119-122122

123Verhard u niet tegen deeze gewijde stemme - Zij is die der123

[p. 135]

24waarheid! - Volg, volg haar op, o mijn Eduard! - buiten dit geen 125onvermengd geluk voor u - voor u, mijn Eenigste! wiens geluk het 126mijne alleen uitmaakt - en eeuwig uitmaken zal! - -

 

* * *

tZie voor de betekenis van de Voorzienigheid in de Julia, de Inl. hfdst. 4.
2stof: het lichamelijke.
6driften: hartstochten.
7altijd: nl. eeuwig.
11geschiktste: passendste.
11-12er ... toe: nl. om zuiver te beminnen.
13drift: (hier) onbeheerst gevoel.
15doelwit: doel.
19-20Verg. Mattheus 11:7 en Lukas 7:24 (‘Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt’).
23afzijn: afwezigheid.
24Maatschappij: samenleving.
23-25Uw afzijn ... mijn hart: De hier aangestipte geringe maatschappelijke betrokkenheid van de verfijnd gevoelige mens werd later het centrale punt in de aanvallen op het sentimentele (zie Inl. hfdst. 9).
25geduurige: voortdurende.
moordpriem: dolk.
30-31niet dan te levendig: maar al te levendig.
31besmettelijk: aanstekelijk (gezegd van iets negatiefs).
33den afgrond: nl. het in twijfel trekken van de Goddelijke Voorzienigheid.
36-38Zo onze Liefde ... inmengde, dat: Julia maakt hier een gedachtenconstructie: Als het nu eens zo was dat onze liefde niet bedoeld was om in het aardse leven (‘hier voor den tijd’) tot vervulling te komen, maar als er zich niettemin nog zo veel aardse elementen (‘zo veel stoffelijks’) inmengden, dat ...
39-40het lot van Werther: Julia's gedachtengang laat zich hier slechts gissen. Waarschijnlijk ziet zij als Werthers fout dat hij, ofschoon een aardse (stoffelijke) beleving van zijn liefde niet mogelijk was, niet naar een zuivere, op de eeuwigheid gerichte relatie streefde, maar integendeel verwikkelingen veroorzaakte die hem de ‘miskenning’ van zijn geliefde bezorgden. Eenzelfde gevaar zou de relatie tussen Eduard en Julia bedreigen indien het enerzijds Gods plan niet was om hun liefde reeds op aarde tot vervulling te laten komen, maar anderzijds zij de verleiding van het zingenot niet wisten te overwinnen. Dankzij hun gescheidenzijn vormt een dergelijk conflict voor hen echter geen bedreiging meer.
40Nu gescheiden: nu het zo is dat wij gescheiden zijn.
41bereiking: bereik.
42vergenoegen: tevreden stellen.
42-43Wat ons eerst ... hoogste lust worden: nl. het feit dat hun liefde ontdaan moet zijn van alle aardse (zinnelijke) elementen.
45morren: (hier) in opstand komen.
52het onvolkomen genot van een oogenblik: In het tegenover elkaar stellen van het kortstondige en onvolmaakte genot van de aardse liefde en het volmaakte eeuwige genot van de liefde in het hiernamaals, refereert Julia ook aan het gebeuren beschreven in het ‘Fragment’.
52dit: nl. een ogenblik.
52-53en is dit ... eeuwigheid: is de tijd vergeleken bij de eeuwigheid zelfs nog wel een ogenblik? (dit: naamw. deel v.h. gez.; de tijd: onderw.). Of, m.a.w. is de tijd op aarde nog van belang in het licht van de eeuwigheid?
56onzen rampzaligen wensch: nl. hun lichamelijk verlangen naar elkaar.
59erkentenisse: dank.
60toe genaken: naderbij komen.
65het zienlijke: het zichtbare, d.w.z. het zintuiglijk waarneembare. Julia doelt hier wederom op het lichamelijke aspect van de liefde.
66duldeloozer: ondraaglijker.
67den grooten Bestuurer van onze noodlotten: nl. de Goddelijke Voorzienigheid. In feite is er dus geen noodlot!
70-72Dwingen wij ... bereiken: m.a.w. als we niet inzien dat God met onze scheiding het beste met ons voorheeft (nl. zuivering van onze liefde), dan dwingen we hem om ons dat inzicht op een pijnlijker manier bij te brengen. Gezien de volgende zin bedoelt Julia daarmee: door één van ons beiden te laten overlijden. Met erop te wijzen dat dát een veel pijnlijker scheiding zou zijn, corrigeert Julia Eduards doodsverlangen, uitgesproken aan het eind van de vorige brief.
74beleden: verklaard.
76-77haaren bekoorlijken omtrek: nl. het lichamelijk schoon; haaren verwijst naar ziel (r. 76).
omtrek: omhulsel.
79-80Vergenoeg u hier mede: stel u hiermee tevreden.
85onoplosselijke: onoplosbare.
86Eindige: eindige (= beperkte) mens i.t.t. de oneindige godheid.
87natuurgenoot: medemens.
88nemen: stellen.
90aaneengeschakeld Heelal: samenhangend heelal, waarbij gedacht moet worden aan de in de 18e eeuw zeer populaire conceptie van de Keten der schepping: alle geschapenheden en schepselen vormen een grote keten, van anorganische stof, via organisch, naar levende wezens, waarbij iedere volgende schakel volmaakter is dan de vorige. Zo is er een opklimming van dode stof naar levende stof, en daarbinnen van plant naar dier, van dier naar mens en van mens naar louter geestelijke wezens. In de Julia wordt alleen de Keten der wezens, het gedeelte der dieren, mensen en geesten gereleveerd: van worm tot seraf. Zie over dit onderwerp: A.O. Lovejoy, The great chain of being. A study of the history of an idea. (Cambridge, Mass., 1936; herdr. New York 1960).
91seraf: engel van de hoogste rang, die zich in de onmiddellijke nabijheid van God bevindt.
94die eindelooze keten: nl. de (zinvolle) samenhang van al het geschapene en van alles wat gebeurt.
doorkeken: doorzien. Julia's betoog over de onmacht van de mens om Gods bestel te doorzien doet denken aan het boek Job hfdst. 38 en 39, waar God Job tot hetzelfde besef brengt.
96de duisternisse: nl. van onze aardse onwetendheid.
97zelfs voor de eeuwigheid: m.a.w. de aardse gebeurtenissen hangen niet alleen samen met elkaar, maar ook met de eeuwigheid.
98Gewis dit zijn meer dan mooglijkheden: nl. zekerheden.
99Herroepen wij: laten we ons ... weer voor de geest halen.
onze voorige ondervindingen: onze vroegere ervaringen.
101toeval: geval, gebeurtenis.
105verlicht waren: het juiste inzicht hadden (verg. de duisternisse in r. 96).
107Verstoren: verwoesten.
108onkunde: nl. de aardse onwetendheid.
111haare: nl. van de Voorzienigheid.
tedere voorzorg: liefderijke zorgzaamheid (vooraf).
111-112eer wij haare ... bewust waren: d.w.z. toen we nog onmondige en onbegrijpende kinderen waren.
117en teffens: en (dan die) tevens. M.a.w. de ware liefde kenmerkt zich door twee aspecten: zij komt voort uit God, en zij maakt tegelijk deel uit van de liefde van de mens tot God.
121zeldzaam: zelden.
119-122Deze verzen zijn geciteerd uit de ‘Avond-gedachten’ door J.P. Kleijn (Oden en gedichten. Utrecht 1782, p. 58-63). Kleijns gedicht gaat over het gescheiden worden van geliefden en de troost van het weerzien in de hemel.
122Hemelingen: hemelbewoners, engelen.
Aardsche hemelingen zijn dus mensen die op aarde al (min of meer) de volmaaktheid van een engel hebben bereikt.
123Verhard u niet: maak u niet ongevoelig (ontoegankelijk).
gewijde: geheiligde; (of algemener) godsdienstige.
deeze gewijde stemme: nl. tekst van r. 119-122.
prepostterug  begin  verder