1Engel des Hemels! zal ik dan altijd bij u in het stof kruipen? -1 2nooit u gelijk worden? - - En gij draagt echter dien zwakken2 3worm? - gij blijft hem beminnen - zijn geluk is het eenigste 4voorwerp van uwe tederste zorgen? - - Ja! mijne julia! - ik4 5gevoel, ik erken de waarheid, die door uwen mond spreekt - maar 6ach! dit hart is te gevoelig - het wordt door de kleenste rampen, die6 7op het zelve invloed hebben, gepijnigd - en wat mij een zandkorrel 8aan uwe zijde zou zijn, wordt mij een onoverkomelijke berg in uwe 9afwezendheid. - - Blijf, blijf mijn Beschermëngel en alle hoop 10van volmaking is niet voor mij afgesneden! - julia! welk eene 11beloning voor uw hart! - Gij zult de Schepster van mijne zaligheid11 12zijn! - - - Ach geloof het, mijne Dierbaarste! - gij zoudt door 13een volmaakter mensch kunnen bemind worden - niet door een 14tederer - met geen liefde, die bij de mijne halen kan. - - Ja! in al 15mijne zwakheid durf ik toch belijden - en mijn hart spreekt mij niet
16tegen - ik bemin uwe ziel, julia! - ik bemin u voor de Eeuwigheid! 17- Zonder de deugd, zonder het vooruitzicht op de Onsterflijk-16-1718heid, begeerde ik uwe wederliefde niet - en echter - treft mij uw 19afzijn tot in het binnenste mijner beenderen! - - o Zo mijne19 20rampen ooit in staat zijn om mijne liefde voor u zuiverer, edeler te 21maken - dan zijn ze mij dierbaar, innig dierbaar - en ik verwis-22selde ze niet voor al het geluk der Waereld! -
23Overmorgen zal ik mijne nieuwe verblijfplaats bereiken - Thans23-24 24moet ik afbreken om voort te trekken - Iets wilde ik u toch schrij-25ven. - Onze verwijdering wordt dan elk oogenblik grooter! - -2526Vaarwel, mijne julia! mijne eenige Zielvriendinne - - o Voorzienigheid! 27leer mij u te aanbidden! -26-27
* * *