terug  begin  verderprepost
[p. 136]

Eduard aan Julia.

1Engel des Hemels! zal ik dan altijd bij u in het stof kruipen? -1 2nooit u gelijk worden? - - En gij draagt echter dien zwakken2 3worm? - gij blijft hem beminnen - zijn geluk is het eenigste 4voorwerp van uwe tederste zorgen? - - Ja! mijne julia! - ik4 5gevoel, ik erken de waarheid, die door uwen mond spreekt - maar 6ach! dit hart is te gevoelig - het wordt door de kleenste rampen, die6 7op het zelve invloed hebben, gepijnigd - en wat mij een zandkorrel 8aan uwe zijde zou zijn, wordt mij een onoverkomelijke berg in uwe 9afwezendheid. - - Blijf, blijf mijn Beschermëngel en alle hoop 10van volmaking is niet voor mij afgesneden! - julia! welk eene 11beloning voor uw hart! - Gij zult de Schepster van mijne zaligheid11 12zijn! - - - Ach geloof het, mijne Dierbaarste! - gij zoudt door 13een volmaakter mensch kunnen bemind worden - niet door een 14tederer - met geen liefde, die bij de mijne halen kan. - - Ja! in al 15mijne zwakheid durf ik toch belijden - en mijn hart spreekt mij niet

[p. 137]

16tegen - ik bemin uwe ziel, julia! - ik bemin u voor de Eeuwigheid! 17- Zonder de deugd, zonder het vooruitzicht op de Onsterflijk-16-1718heid, begeerde ik uwe wederliefde niet - en echter - treft mij uw 19afzijn tot in het binnenste mijner beenderen! - - o Zo mijne19 20rampen ooit in staat zijn om mijne liefde voor u zuiverer, edeler te 21maken - dan zijn ze mij dierbaar, innig dierbaar - en ik verwis-22selde ze niet voor al het geluk der Waereld! -

23Overmorgen zal ik mijne nieuwe verblijfplaats bereiken - Thans23-24 24moet ik afbreken om voort te trekken - Iets wilde ik u toch schrij-25ven. - Onze verwijdering wordt dan elk oogenblik grooter! - -2526Vaarwel, mijne julia! mijne eenige Zielvriendinne - - o Voorzienigheid! 27leer mij u te aanbidden! -26-27

 

* * *

1Engel des Hemels: hiermee rangschikt Eduard Julia onmiddellijk onder de ‘aardsche Hemelingen’ uit de door Julia in de vorige brief aangehaalde verzen van J.P. Kleijn.
bij u: d.w.z. vergeleken bij u.
in het stof kruipen: Eduard vergelijkt Julia en zichzelf met de twee uitersten van de Keten der wezens: de engel en de worm. (Verg. p. 133, r. 90 en de aant. daarbij).
2gij draagt: d.w.z. gij laat ... niet vallen.
4voorwerp: object.
6dit hart is te gevoelig: Eduard bedoelt hier niet dat zijn gevoel te zeer verfijnd is, maar veeleer dat hij, door zich te veel door zijn emoties en te weinig door zijn rede te laten leiden, de proporties uit het oog verliest.
11de Schepster van mijne zaligheid: degene die mijn zaligheid bewerkstelligt.
16-17ik bemin u voor de Eeuwigheid: m.a.w. ik bemin u niet (alleen) voor een aardse relatie. Eduard geeft in dit hfdst. er blijk van de les die Julia hem in de vorige brief gaf, ter harte te hebben genomen.
19afzijn: afwezigheid.
het binnenste mijner beenderen: mijn merg.
23-24Thans moet ik afbreken: een van de zeldzame voorbeelden in Julia van het aanduiden van de schrijfsituatie (zie Inl. hfdst. 2).
25Onze verwijdering: de afstand tussen ons.
26-27o Voorzienigheid! leer mij u te aanbidden: deze wens werd door Eduard ook al geuit op p. 108, r. 71.
prepostterug  begin  verder