terug  begin  verderprepost
[p. 138]

De herinnering.

1Hoe lieflijk verzelt mij uwe beeldtenis, o mijne julia! - en waar1 2is het oogenblik dat uwe gedachtenisse niet door mijn geheel wezen2 3stroomt? - De zon lagcht mij toe uit het morgenrood, en het kalm 4gelaat der natuur vertoont mij julia - Het kronkelend beekje, dat 5aan mijne zijde vloeit, murmelt mij zachtkens uwen tederen naam 6toe, en het stervend westewindje baauwt hem welluidend na - De6 7middag vindt mij dwalende op 8eene barre hei, of worstelende tegen eene puntige rots - dan, o mijne Eenigste! verkwikt mij uw denkbeeld 9onder de brandende hette van eenen gloeienden hemel als de8-9 10daauw het geschroeide veld! - De stille nacht overvalt mij onder de 11dikke schaduw van eenen honderdjaarigen eik of tegen de helling 12van een' bemosten steen, en, terwijl mijne vermoeide oogen inslui-10-1113meren, slaat mijn hart julia. - Bedwelmd herhaalt mijne ziel den 14eersten zaligen kusch, dien gij mij tot een heilig zegel van eeuwige14 15tederheid schonkt, en mijn hart, geweldig aangegrepen door hemelsche15 16gewaarwordingen, betreurt zijne engte en - siddert nog, bij16 17zijne ontwaking, van wellust.17

[p. 139]

18Het noodlot, o mijne julia! het wreede noodlot kan mij van u 19afscheiden - maar geen noodlot, geen tijd, geen eeuwigheid kan 20uwe gedachtenisse - zelfs voor een oogenblik! - uit mijne ziel 21rukken. - Met julia verlaat ik mijne legerstede, en julia is de 22inhoud van alle mijne droomen. - Treurig doorwandele ik mijne 23moeilijke loopbaan - maar gelijk aan de nachtuil, die de puinhoopen23 24van een vervallen slot bewoont, streelt mij de eenzaamheid 25boven de pijnigende vermaaken eener woelige waereld - buiten25 26julia verkieze ik de huilende wildernis, daar ik haarer ongestoord26 27gedenken kan, boven een Eden - daar, starende op eene onoverzienlijke27 28vlakte, verlieze ik mij in deeze aftekening van mijn ledig28 29hart. - De duisternis verspreidt zich over den aardbodem - de 30starren treden met stille majesteit te voorschijn en mijn hart verliest 31zich op nieuw in de onafmeetbaare ruimte - dan, o mijne julia! 32sta ik verloren op een stofje van het geheel en breide mijne handen uit32 33tot den eeuwigen! - - Ik verbeelde mij dat onze zuchten in het33 34eigen tijdstip voor den troon van den almagtigen verschijnen - 35mijn hart boeit deeze verbeelding - geheel vertederd zijge ik op den35 36grond neder - gedachtloos stare ik op nieuw de hemelbollen aan - 37en - na eene lange wezenloosheid - vinde ik mij zelven, beroofd37 38van julia - eenzaam - verlaten weder - - Een traanenvloed

[p. 140]

39overdekt mijne wangen en treurig begeef ik mij met traage schreden 40naar mijn aaklig verblijf. -

 
Door zulk een liefde treurt
 
De tortelduif, gescheurd
 
Van haar' beminden tortel ...
 
Zij jammert op de dorre rank
45
Van eenen boom, verdroogd van wortel,
 
Haar leven lank.41-46

* * *

1verzelt: vergezelt.
beeldtenis: blijkens het volgende waarschijnlijk niet letterlijk bedoeld (portret, silhouet), maar figuurlijk: Eduard heeft Julia's beeld steeds voor ogen.
2uwe gedachtenisse: de herinnering aan u.
6baauwt ... na: zegt ... na.
8-9uw denkbeeld: de gedachte aan u.
10-11de dikke schaduw: d.w.z. het bladerdek.
14zegel: bezegeling, bekrachtiging.
15geweldig: heftig, krachtig.
16betreurt zijne engte: d.w.z. zou zich nog verder willen verwijden.
17wellust: genot.
23loopbaan: levenspad.
25pijnigende vermaaken: wat voor anderen vermaak is, wordt door Eduard als pijn ervaren.
26wildernis: (hier) woestenij.
haarer: tweede naamval bij gedenken: aan haar denken.
27Eden: paradijs. (Het bijbelse paradijs heet in Genesis 2:15 ‘de hof van Eden’.)
28aftekening: afspiegeling.
32een stofje van het geheel: d.w.z. vergeleken bij de hele kosmos is de aarde niet meer dan een stofje.
breide ... uit: strek ... uit.
33zuchten: verzuchtingen.
35boeit: houdt ... vast.
37wezenloosheid: afwezigheid van geest, gedachteloosheid.
41-46Citaat uit de ‘Rey van Burghzaten’ uit Vondels Gijsbreght van Aemstel (vs. 1269-1274). Er zijn spellings- en interpunctieverschillen, zowel t.a.v. de editie 1637 als die van 1659. Verder staat in de Gijsbreght ‘Door deze liefde treurt’. Door gebruik van het woord ‘zulke’ (en gegeven bovendien het feit dat dit citaat als enige cursief gezet is) krijgen deze verzen een meer becommentariërend karakter. Het citaat lijkt dan ook eerder van een buiten het verhaal staande verteller van de Julia te zijn, dan van Eduard. Verg. het Vondelcitaat tegenover de titelpagina.
prepostterug  begin  verder