1Is 't een droom of leve ik? - een benaauwde droom, die mijn brein 2nog benevelt, nadat ik ontwaakte? - Zou deeze ijsselijkheid wezen 3hebben? - Ik een sterveling zijn en haar verduren? - - Mijn God!2-334- ruk dien nevel van voor mijne oogen weg - verdrijf deeze zinne-5loosheid! - dat ik mijn geheele lot zie, kenne, - met eenen langen4-556diepen adem den beker, daar gij mij uit drenkt, bij droppen uitslorpe,6 7en bij ieder droppel duizend moordpriemen in dit hart ontwaar5-77 8worde ...... waar ben ik? - wat gevoel ik? - gevoelen? - neen! 9gevoelt men als men hooploos - voor altijd - altijd hooploos is? -9 10- - o mijn Vriend! kunt gij u dien toestand verbeelden? - zo 11ellendig en dan geen flaauw straaltje van hoop aan de kimmen van11 12dit leven, dat nog zo lang, zo lang, voor mij zijn kan, ooit weêr te zien 13flikkeren - zo koud, zo versteend op den rand eens afgronds te 14staan - alles om zich te zien verzinken - een verstijfd oog in zijnen14
15nacht te werpen - gedurig al dieper al dieper er in te blikken zonder 16ooit grond te vinden - echter hardnekkig, gedachteloos te blijven 17staren - eeuwig te blijven staren - en dit - dit is mijn toestand! - 18- Konde ik een zee van traanen plengen - mijn hart zou verkwik-19king vinden - maar ook deeze troost der treurigen is mij tot hier toe 20verzegeld - geen traan - geen drift - alles koud - koud als de20 21dood ..... julia! de dood ... zie daar ten minsten een' weldaadigen 22zucht, die mijnen boezem ontvliegt! - ja! nog eene vreugd, ik gevoele22 23het, is er voor mij overig - nader, gezegende bode des heils!23 24- zeg aan dit verscheurde hart, dat het nog één uur slaan zal en dan 25- in eenen langen droomloozen nacht aan 't gewormte ten prooi25 26liggen - dan zal ik voor 't eerst weer juichen en - helaas! ook voor 27't laatste! - - Waar doole ik? - wat schrijf ik? - alles is verwar-28ring, alles is afgrijzing om mij heen - tallooze gedachten vliegen als28 29stormwinden door mijn hoofd en mijn hart kan er geen enkele van 30boeien - o vergeef, mijn Vriend! vergeef aan de ijsselijke ledigheid,30 31daar ik in omdole, daar ik mij duizendmaalen in één oogenblik in 32verlieze .... Ja! ik ben er - ik had de pen opgevat om u mijn ..... 33ach! geen woord drukt mijne ellende uit - onherstelbaar - on - 34her-stel-baar - - mijn hart barst - ik kan niet meer! ...
35Thans vat ik, na herhaalde pogingen, op nieuw de pen op - ach! 36hoe male ik u mijn noodlot! - reeds weder verzinkt alles voor mij -36 37- Alcestes! gij hebt uwen vriend gekend - eens - eens is er een tijd 38geweest dat hij zich in het kalm gevoel van zijn aanwezen verheugde38 39- dat de lente voor hem bloeide, en de zon voor hem uit de kimmen 40rees - dat het viooltje op zijn pad wellust voor hem ademde, en het40
41minste vliegje, dat voor zijne oogen wemelde, de kleenste tor die in41 42zijne schaduw snorde, vreugd voor hem schiep - en nu - ach nu 43staat hij roerloos - geen warm gevoel doorstroomt zijn hart meer. 44Voor alles ongevoelig en toch door alles gepijnigd, drijft de geheele 45natuur - tot hier toe zo schoon, zo aantrekkelijk voor mijne ziel, - 46als een nevel, als eene akelige schemering voor mijne oogen - 47Rotsen, die van de schepping af aan geen voet betreden heeft - 48Bosschen, daar eene eeuwige nacht en koude in heerscht; vol huil-49ende wolven en winterbeeren - Woestijnen, daar afgrond bij af-4950grond in loeit en de dood over vale en purperverwige struiken op49-5050 51rond zweeft - dit zijn thans de eenige paradijzen, daar mijn hart 52naar kwijnt, en die eene meêwaarige verbeeldingskracht mij geduurig52 53al akeliger, al akeliger schept. - Waar zijt gij vreedzaame, 54vergenoegde, dagen mijner kindschheid, toen de hoop om mij heen54 55zweefde en de gelukzaligheid mijn verschiet was? - waar zijt gij55 56heen gevloden zalige tijd mijner jongelingschap, toen ik aan de zijde 57eener Engelinne mijn leven zachtkens in de eeuwigheid zag vloeien?57 58- Hoe schielijk zijt gij verdwenen - hoe ras ontwaakte ik uit dien58 59droom van geneugte! - ach moest ik met zulk een gevoelig hart59 60ontwaken! - - Alcestes! 't is middernacht - alles is stil, alles rust, 61behalven de ziel van uwen vriend - - Zo zijn er nu reeds twee uuren 62verlopen sedert ik mij neder ging zetten om u mijnen ramp te ver-63halen - en mijn hart is geduurig ontrouw aan mijnen wil geweest - 64het leidt mij fluisterende af, langs wegen die met bloemen bezaaid 65schijnen, en nooit vinde ik mij weder dan voor een draaikolk - nu63-65 66op dit oogenblik wilde ik graag de pen weder wegwerpen - naar
67mijn venster ijlen en gedachteloos de stikdonkere duisternis aan-68schouwen - en echter gevoel ik - zo gij nu mijn lot niet verneemt, 69verneemt gij het in eeuwigheid van mij niet! - hoor dan - hoor 70Alcestes! - en beef niet zo gij kunt - ik bereide u siddering! - -
71Zie hier den jongsten brief van julia - hij ligt open voor mij -71 72‘Eduard! dierbaare Eduard! mijn hand beeft van genoegen - ijl op72 73vleugelen der liefde naar uwe julia - geen afstand scheide meer, 74wat God saamenvoegde - o koom haastig! mijn Vader stemt alles74 75toe - mijne traanen, zijne genegenheid, eene gunstige voorzienigheid 76hebben het laatste zegel aan ons heil van zijn hart gescheurd.’75-76 77Ik leze en reeds is al mijn' geleden rampspoed vergeten - geen 78ellende, geen zucht zelfs, blijft meer in mijne gedachtenisse geprent 79- het oogenblik dat ik julia weder in mijne armen zal drukken, 80vervult mijne geheele ziel - ja! ik vloog naar mijn Vaderland en o 81hoe genoeglijk, met welk eene vertedering zag ik nu de woonplaats81 82mijner julia aan de kimmen blaauwen! - reeds drukt mijn voet den82 83langbegeerden grond - reeds stroomt het bloed met verdubbelde 84drift door mijne aderen - reeds bonst mijn hart. - Elk voorwerp 85trekt mijne aandacht en in alles meen ik julia te ontdekken. - 86IJlings vertoont zich ver in 't verschiet eene lijkstaatsie - eene86 87onwillige huivering verspreidt zich over mijn geheele leven - ik87 88nadere - eene geduurig aanwassende ontroering vertraagt heimelijk88 89mijnen spoed - Hemel! wat zag ik! - de Vader van julia was88-89 90het eerste mensch, dat ik onderscheiden kon - alles draaide voor 91mijn gezicht - ik beefde en brandde teffens om meer te weten -91 92eene ijzing overmeestert mij - bedwelmd, reeds in eene halve zinne-92

93loosheid, vraag ik wiens lijk .... Eene treurige stem noemt julia -92-93 94Zo spreekt de donder - Reeds lag ik op de aarde uitgestrekt en om 95te sterven behoefde ik niets meer doortestaan - Helaas! mijn lot95 96moest bitterer, gruuwzaamer worden - ik moest mijne oogen voor 97't licht weêr ontsluiten en eene waereld zonder julia - eene valleie 98van doodsbeenderen, zonder ziel, zonder leven zien! - Ik bekwam97-9898 99weder - op het eigenste leger, daar ik eertijds van julia genoeglijke99 100droomen genoot, daar ik verkwikkelijk aan haar dacht en reikhal-101zende het uur te gemoet zag, dat mij aan haare zijde zou voeren - 102die uuren waren nu voor altijd als zo veele schakels aan de lange 103keten der eeuwigheid geklonken - en geen opvolging - geen enkel103 104verschiet meer. - Beurteling loeiende van weedom en stom van104 105smart, konde ik mij niet verbeelden, dat ik waakte - Dan eens105 106wenschte ik dat er een woest plekje gronds buiten deeze waereld 107ware, daar ik, afgezonderd van alles wat leefde, buiten hulp, buiten107 108verkwikking, mijn smart kon overbrengen en mijne dagen afkwijnen108 109- nu weer smeekte ik den dood om den draad eens levens aftesnij-109110den, dat onherstelbaar nutteloos en verpest was - Helaas! hij verhoorde110 111mij niet - mijne julia was niet meer en ik - ik was gevloekt111 112om te leven! -
113o Mijn Vriend! maanden zijn er sedert dien tijd verlopen, en tot 114nog toe geen troost, geen kalm oogenblik! - Honderdmaalen heb ik
115u mijne ellende willen melden en honderdmaalen viel mij de pen uit 116mijne hand - Zo ellendig te zijn! .... Ach mijn Vriend! uw Eduard, 117de medgezel uwer jeugd, is voor u, voor de Maatschappij, voor 't 118Heelal verloren! - o Wees gij gelukkiger! - ken nooit die folterende117-118 119pijniging - zelfs niet voor het kleenste tijdstip - die altijd - altijd 120in dit leven mijn beul zal zijn! .... Mijn god! ik misse julia - wat 121kan voortaan dit oneindig ledig hart vervullen dan Gij alleen? - 122Ach mijn god! ...
* * *