terug  begin  verderprepost
[p. 154]

De kalmte.

1Verban uwe vrees, Alcestes! ik heb mijne rust weder. - Mijn hart 2zal blijven bloeden aan eene wond, die ongeneeslijk is, en geen tijd 3zal de kwijnende treurigheid, die mijn leven langzaam ondermijnt,3 4verzachten - zij maakt mijn wezen uit, ik bemin ze - ach! met haar4 5verloor ik alles! - Maar zijt niet bekommerd, dat de wanhoop mij4-5 6eenig geweldig middel zal inblazen - de storm, die door mijne ziel6 7gierde, is bedaard, en de stem van den Godsdienst heeft den vloed 8mijner driften glad gekemd. - Welke zwakke stervelingen zijn wij8 9dan! - ja! ik verbeeldde mij, dat de zekerheid der onsterflijkheid9 10mijne hartstochten bij het verlies mijner julia beteugelen zou, dat 11mijn oog zich op de kortheid des tijds, de langduurigheid der eeuwig-12heid zou vestigen - hoe vaak heb ik mij met mijne julia in dit 13troostrijk vooruitzicht verblijd en vreedzaam dat tijdstip te gemoet 14gezien - ach! nauwlijks is het daar, of pligt, reden, en Godsdienst14 15verzwinden voor mij - mijne driften alleen spreken, en een' geruimen15 16tijd ben ik doof voor alles! - Gelukkig nog dat mijn hart 17eindelijk naar de taal van Godsdienst en Rede geluisterd heeft! - ja, 18mijn Vriend! ik ontken het niet - in mijne eerste vervoeringen zoude18 19ik de hand, die mij een' dolk door den boezem gejaagd had, gekust19

[p. 155]

20hebben - God dank! dit gevaar is verdwenen - De genoeglijke 21vertedering, die mijn hart thans geduurig weeker maakt - de traan, 22die altijd in mijne oogen zwelt - de zweem van treurigheid, die zich22 23op alles, wat mij omringt verspreid heeft - dit blijft mij dierbaar - 24het zal mij onafscheidelijk verzellen, tot dat mijn stof zich weder met24 25dat van julia verëenigen zal en ook dat oogenblik blijft mijn hart 26met innige blijdschap te gemoet zien! - - Ik heb dan geleefd, mijn 27Vriend! en dit is de jongste brief, dien gij van mij ontvangen zult -27 28Eens zien wij ons weder! - Verbeiden wij dat oogenblik. - Waarom28 29hier de banden nauwer toegehaald, die eerlang verscheurd moeten29 30worden? - Daar - aan geenen kant des grafs - rooft geen wreede30 31scheiding aan alle de voorige zalige uuren in eens hunnen wellust! - 32- Uwe pogingen zijn ijdel, Alcestes! - mijn voornemen staat vast32 33- vast als de eeuwigheid! - Hoor waar ik kwijnen ga, en ach! wees33 34ook gij niet wreed - kant u niet door vergeefsche, door ijskoude 35redeneeringen tegen de eenige verkwikking, die mij nog overig is. -34-3535

 

36Digt bij het Kerkhof, daar mijne julia sluimert, staat in een36 37eenzaam dal een gothiesch gebouw, dat sedert eenen geruimen tijd37 38niet bewoond is. Een vervallen torentje verheft op het zelve zijn 39nederig weêrvaandeltje boven de omliggende heuvels. - Van deeze39

[p. 156]

40hoogte kan ik het graf van julia en de dikke toppen van dat eigen40 41dennenbosch zien, in wiens schaduwe ik zo menigwerf aan haare 42zijde leven en zaligheid inademde - Vaale klimopstruiken hechten 43zich overal tegen de muuren, die hier en daar wit door het treurige 44groen heen schijnen, en het dak is bemost - Door zwaare ijzeren 45traliën ziet men uit de vensters in eene breede, diepe, graft, die het45 46geheele gebouw omzoomt, en wier water onder het dichtoverhan-47gend loof van breede Castanjeboomen zich zwart vertoont - Eene 48holle, langzaamverflaauwende echo herhaalt driemaal het ploffen 49van ieder venster, het kraken van elke deur, die men openstoot - in 50één woord, deeze geheele woning komt overeen met de wending van 51mijne ziel. - Ik heb ze gekocht - en 't is hier dat ik in de afgezon 52derdste eenzaamheid mijne overige dagen in stille rust en vergeten 53van 't Heelal door wil brengen. - Alles streelt hier mijne treurigheid!52-5353 54- In den vroegen morgenstond wandele ik naar het bosch, en 55daar ben ik uuren bezig met mij al het heil levendig voor oogen te 56stellen, dat mij eertijds in dit heiligdom te beurte viel - ieder plekje,56 57daar julia gezeten heeft, beschouw ik met eenen wellustigen eerbied57 58- nu eens verbeeldde ik mij het afdruksel van haaren voet in den 59grond te zien, en geheel vertederd rolt een traan in deeze dierbaare 60opening - dan weder omhels ik de bank van zooden, die haar in60 61mijnen arm tot eene verkwikkelijke rustplaats verstrekte en onge 62merkt daalt mijne verbeelding in haar graf neder en sluimert aan62 63haare zijde in. - 's Nachts, als 't lichte maan is, of mijn liefste

[p. 157]



illustratie

[p. 158]

64gestarnte aan een zuiver uitspansel zijn' dissel begint te wenden,6463-6464 65begeve ik mij naar 't Kerkhof - Op haar zerk gezeten, aanschouwe 66ik beurteling den eeuwigen hemel boven mij, en ieder grasje dat om de66 67tombe mijner julia groeit - Laatst vond ik er een viooltje, dat in de67 68stilte des middernachts lieffelijk waassemde - drie avonden achter68 69een bezocht ik dit nederig bloempje en weende op zijne blaadjes - 70Helaas! gisteren vond ik het verdord en met een verflensd steeltje 71naar de aarde hangen - een bange zucht ontvloog mij - zo verwelkte 72mijne julia! zeide ik - ik stond eenigen tijd roerloos mijn71-72 73viooltje aantezien, en toen zeeg ik op het graf neder en weende 74overluid. - - - Mijn leger zal voortaan eene doodkist zijn - de74 75zwaare Den, die de bank van zooden, daar ik eens zo zalig op was, 76overschaduwde, heb ik afgehouwen, en van binnen uitgehold - als 77de heuvels, die hier van rondsomme mijn gezicht beperken, de zon 78achter hunne toppen beginnen te verbergen en eene laatste flikkering 79nog over de puntjes van 't gras zweeft, daale ik in deeze rustplaats 80neder - mijne vermoeide oogenleden sluiten zich en bij mijne ont-

[p. 159]

81waking ben ik treurig - dan herinnere ik mij hoe men mij eens in 82deezen zelfden boom bewegingloos neêr zal leggen, om niet weêr te 83ontwaken dan voor de eeuwigheid - dan daar, waar ik mijne julia 84weder zal vinden - Ja! dit leven is een droom - een van bitterheid84 85en vreugde gemengde afmattende droom, - de dood schenkt ein-86delijk rust aan het ontroerde brein - en de dag der opstanding86 87verkwikkelijke ontwaking. - o Mijn Vriend! misgun mij dit vermaak 88niet - het eenigste daar ik nog vatbaar voor ben! - immers87-88 89ook gij draagt een gevoelig hart in uwen boezem - ach! waarom is 90dit geen voorrecht van ieder Geestelijke? - Gij weet hoe hoog ik die 91orde acht - een waardig Leeraar van den Godsdienst van jesus90-91 92christus was ten allen tijde een der voortreffelijkste wezens bij 93mij. - Voor eenige dagen werd ik er door een bezocht - de onge-94voelige! hij poogde - aan mij Alcestes! - te beweren, dat alle 95betrekking, elke vriendschapsband in den dood een einde nam -94-95 96dat tedere Echtgenooten, dierbaare Bloedverwanten, geliefde Vrien-97den, elkanderen in het ander leven niet herkennen zouden. Ik voelde 98mijne geheele wonde openscheuren, medogenloos openscheuren - 99de hairen rezen mij van angst te berge - ‘Om Gods wil, mijn Heer!99 100zeide ik, spaar, spaar mijn arm hart - verschoon het van uwe100 101bewijzen - ach! zo ik dwale, misgun mij deeze dwaling niet - met 102haar ontneemt gij mij alles’ - Hij zweeg en kon lagchen - - ja, 103Alcestes! mijn hart zegt het mij - en de Rede en Godsdienst beide 104begunstigen zijn getuigenis - wij zullen ons herkennen - van het104

[p. 160]

105eene einde des aardbodems tot aan het andere herkennen - met 106vreugd ons die weinige goede daaden herinneren, daar eene gunstige 107Voorzienigheid ons hier de gelegenheid toe deed aanlagchen, en die106-107 108wij op haaren wenk verricht hebben - Daar toch zal de plaatse des 109genots zijn! - Zij was op deeze beneden waereld niet. - Liefde, 110Vriendschap, Deugd, Kennis - alles wordt hier slechts gezaaid - en 111zou er voor haar geenen oogst aanbreken? - zou dit gezegend zaad 112in deeze aarde verstikken? - met haat, nijd, misdrijf één lot hebben? - 113Neen! alles wat in mij is schreeuwt hier tegen - mijn hart gruuwt 114op de enkele gedachte er van - eens - eens zullen wij gewis maaien 115- eenen eeuwigen oogst maaien! - Verbeiden wij reikhalzende dat109-115 116tijdstip, mijn Vriend! - dan - dan vindt gij mij gezellig, vrolijk,116 117scheidingloos weder - en ik mijne julia en u - Vaarwel, Alcestes!117 118- de traan, die hier dit blad besproeid heeft, zegt u dat ik u liefhebbe 119- ja! gij zijt mij dierbaar - de Oordeelsdag zal er u van overtuigen119 120- daar veinst men niet - Voor 't laatst - vaarwel tot in de 121eeuwigheid! - -

 

* * *

3kwijnende treurigheid: de treurigheid die me langzaam doet verzwakken.
4wezen; bestaansgrond.
4-5met haar verloor ik alles: als ik haar (nl. de kwijnende treurigheid) niet mocht koesteren, zou ik alles wat ik nog bezit kwijtraken.
6geweldig: gewelddadig. Eduard zinspeelt hier op zelfmoord.
inblazen: influisteren.
8driften: onbeheerste emoties.
glad gekemd: glad gekamd, d.w.z. gekalmeerd, tot bedaren gebracht.
9dan: toch.
14pligt: nl. om je aan Gods bevel te onderwerpen.
15verzwinden: verdwijnen.
driften: zie aant. r. 8.
18mijne eerste vervoeringen: de eerste ogenblikken dat ik buiten me zelf was.
19boezem: borst, hart.
22zweem: waas.
24verzellen: vergezellen.
27jongste: allerlaatste. Eduard zondert zich geheel van de wereld af en verbreekt zelfs het contact met Alcestes.
28Eens zien wij ons weder: eens zien wij elkaar terug (nl. in het hiernamaals).
29eerlang: weldra.
30aan geenen kant des grafs: aan de andere kant van het graf, d.w.z. na de dood.
32Uwe pogingen: nl. om Eduard te weerhouden van zijn voornemen zich geheel af te zonderen. Niet duidelijk is of Eduard hier een toespeling maakt op pogingen die Alcestes al gedaan heeft (waarmee althans ièts van Alcestes als actief correspondent zichtbaar zou zijn geworden), of dat hij een waarschuwing bij voorbaat geeft.
ijdel: vergeefs.
33kwijnen: wegkwijnen, in de zin van afsterven.
34-35kant u niet ... tegen: verzet u niet ... tegen.
35overig is: overblijft, resteert.
36sluimert: rust; sluit aan bij het beeld van de dood als slaap.
37gothiesch: in Feiths tijd nog niet een specifieke stijlaanduiding. Het woord betekende meer algemeen: middeleeuws, met een component erin van: ruig, barbaars. (Zie aant. bij p. 93, r. 31.)
39weêrvaandeltje: windwijzertje.
40eigen: zelfde.
45graft: gracht.
52-53vergeten van 't Heelal: afgezonderd van iedereen en alles.
53streelt: koestert.
56dit heiligdom: verg. p. 78, r. 34 waar dit bos door Eduard als een tempel ervaren werd.
57wellustigen: d.w.z. Eduard beleeft er toch een vorm van genoegen aan.
60opening: holte.
62daalt mijne verbeelding: d.w.z. daal ik in mijn verbeelding.
64gestarnte: gesternte, sterrenbeeld.
zuiver: helder.
63-64mijn liefste gestarnte ... wenden: Het bedoelde sterrenbeeld is de Grote Beer of Wagen (vandaar ‘dissel’). Verg. Ferdinand en Constantia dl. 2, p. 38: ‘Hoe vertederend stond de wagen met zijn' krommen dissel daar tegen mij over! - Dit gestarnte moet iets aantrekkelijks voor een gevoelig hart bezitten. Men vindt bijna geen Dichter, die 'er zijne verbeelding niet een' enkelen keer met wellust aan gekluisterd heeft.’ De Grote Beer is inderdaad een met name in de sentimentele literatuur geliefd sterrenbeeld.
64dissel: disselboom, boom tussen de paarden voor een wagen.
zijn' dissel begint te wenden: Volgens de mythologische voorstelling wordt de Wagen tegen de ochtend omgewend, om plaats te maken voor Helios met de zonnewagen. (Verg. bijv. Vondels Palamedes r. 1332-1334, en de aant. bij deze verzen in de W.B.-editie dl. 2.) Eduard zoekt dus Julia's graf op bij heldere maan of tegen het ochtendgloren.
66grasje: symbool voor nietigheid en vergankelijkheid.
67viooltje: heeft een symboolwaarde vergelijkbaar met die van ‘grasje’ (r. 66).
68waassemde: geurde.
71-72zo verwelkte mijne Julia: Suggereert Eduard hier dat Julia weggekwijnd is (naar men mag aannemen van verdriet)?
74overluid: hardop, luid.
leger: rustplaats, bed.
Mijn leger ,.. zijn: Het (laten) maken van de toekomstige doodskist en het erin slapen, is in de 18e-eeuwse literatuur een populair motief; men vindt het o.a. in Richardsons Clarissa (1748) en in Le comte de Comminge van Baculard d'Arnaud (1764).
84Ja! dit leven is een droom: verg. p. 112, r. 62-63.
86ontroerde: geschokte, ontregelde.
87-88dit vermaak: nl. het teruggetrokken en kwijnende leven waarmee Eduard zich op zijn gewenste dood voorbereidt.
90-91die orde: nl. de geestelijke stand.
94-95alle betrekking: d.w.z. alle persoonlijke relaties zoals die op aarde bestaan. In de nu volgende passage komt Eduards eeuwigheidsvoorstelling het duidelijkst naar voren. Zie Inl. hfdst. 4.
99hairen: haren. De beeldspraak van de te berge rijzende haren komt voor in Job 4:15: ‘hij deed het haar mijns vleesches ten berge rijzen.’.
100verschoon het van: spaar het, val het niet lastig met.
104begunstigen: (hier) onderschrijven, bevestigen.
zijn: nl. van het hart.
ons: elkaar.
106-107daaden ... aanlagchen: d.w.z. de Voorzienigheid zorgde ervoor dat de gelegenheid ons toelachte om die goede daden te verrichten.
gunstige Voorzienigheid: gunstige besturing van God.
109-115Verg. de zaaipassages op p. 95 en 112. Het goede komt, aldus impliceert dit beeld, tot volledige wasdom in het hiernamaals, het kwaad gaat te zijner tijd met al het aardse te gronde.
116gezellig: sociabel, openstaand voor anderen.
117scheidingloos: zonder dat er nog een scheiding mogelijk is.
119de Oordeelsdag: het laatste Oordeel, dan zien zij elkaar immers weer.
prepostterug  begin  verder