1o Maan! heilige, kuische Vriendin van mijn hart, Bezielster van1 2mijnen edelsten wellust! - Gij, die thans aan eenen zuiveren hemel,2 3als Vorstinne des Nachts, in aandoenlijke statigheid voordtreedt! - 4van deezen eenzaamen akker Gods, bij de stilte des middernachts, in4 5't midden mijner verstorven Broederen, begroeten u mijne oogen, en5 mijn hart gevoelt uwen invloed.
6Voor het oog der halve rustende waereld verborgen - eenzaam7 7als in de valleie des doods - ondervinde ik uwe tegenwoordigheid, o8 9eeuwige! - mijn hart gloeit van liefde, maar beeft niet. - Even9 10gewis van uwen wenk afhangende, omringd van eene geheele woe-
11lende waereld, als op dit verlaten Kerkhof, drijft in beide omstandig-12heden mijne hoop, mijn geheel aanzijn op uwe goedheid. - Zij was9-1212 13het, die mij mij zelven, die mij het waar geluk deed kennen -13 14Godlijk licht omscheen mij, en bij zijne straalen ontdekte ik den 15waaren, den eenigen weg om deeze zalige haven te bereiken: ik zag 16dat deugdzaam te zijn, het eenig middel ware om gelukkig te zijn, en 17- Gij zelf schonkt mij de Liefde tot Leidsvrouw.17
18Dat die laage, die verachtelijke ziel bloze, die de Liefde eene 19schadelijke, eene onëdele drift noemt! - Een Monster, met verslin-18-1920dende oogen en pestkoolen op de kaaken, ontheiligde haaren naam19-2020 21en misleidde den Dwaas, maar nimmer kende hij de waare Liefde. 22Even zuiver als Gij zelf, Bron van alle Liefde! zet deeze verheven 23hartstocht den sterveling tot waare grootheid aan, en leert de ziel van 24potaarde gevoelen. - Niet vruchtloos stortte Gij de aanminnige23-24 25wederhelft van het menschelijk geslacht, bij zulk eenen invloed op24-25 26onze harten, zulk een fijn gevoel voor het schoone, voor het vol-27maakte in! - Niet vergeefsch gaaft gij haar de tedere Mensch-28lievendheid, het werkzaam Mededogen, de lieftalige Schaamte tot28 29geduurige gezellinnen - o Liefde! mijn hart erkent het en klopt van
30dankbaarheid, gij waart het, die mij het eerst de hand greept, die mij 31den eersten stap in het spoor der deugd deedt drukken - gij vingt 32aan, en alle middelen werkten mede! -30-32
33Gevoelverwekkende Maan! hoe vaak hebt gij mij sints op dien33 34weg versterkt? - Ik zag u in de stille eenzaamheid aan - gij herin-35nerde, gij vertegenwoordigde mij mijne aanminnige, mijne diep-36gevoelende julia. - Bosschen en bergen verhieven zich tusschen ons - 37onafmeetbre zeeën hielden ons van een gescheiden - Onze 38oogen staarden in verschillende waerelddeelen op u - onze gezichtstraalen38 39ontmoetten elkanderen. - Hoe versmolt dan mijne38-39 40geheele ziel in enkele aandoeningen - hemelsche, goddelijke aandoeningen!40 41- Aan julia te denken, met wellust te denken, en de 42verhevenste lessen der Deugd ongetrouw te zijn, is voor dezelfde ziel42 43onmogelijk! - -
44Beminnelijke julia! gij hebt mij uwer waardig gemaakt - ik zag44 45uw gelaat, en in het zelve het volkomen beeld uwer ziel - uwer ziel,45 46die de beeldtenis der Godheid was! Mijn hart gevoelde voor 't eerst 47de Liefde, en de eerste begeerte deezer heilige drift was deugdzaam te47 48zijn! - Een wenk, een onschuldig lagchje uwer oogen overwon 49telkens duizend aanvechtingen - nu sloeg ons hart op dezelfde wijze
50- onze zielen waren eenstemmig als de toonen der Hemelingen -50 51ééne begeerte - ééne poging - één verschiet! - Nietige aarde! onze51 52liefde was te groot om door uwen kleenen kring omschreven te52 53worden - de Eeuwigheid was het perk, dat ze vervullen kon, en het53 54oog der Godheid haare liefste getuige! -
55Hoe vaak hebt gij, bekoorlijke Beheerscheresse van mijn leven! 56mij den hobbeligen weg deezer waereld tot een paradijs gemaakt! - 57hoe veele bittere traanen uitgewonnen - hoe veel bange nooden57 58gespaard! - Uw oog schiep een nieuw Heelal voor mij, en gij leerde58 59mij genieten. Ieder beekje, dat zijne golfjes langs mij heen stuuwde - 60ieder roosje, dat op mijn pad ontlook - geen grasje zelfs was mij met u 61onverschillig - aan uwe zijde werd mij alles zaligheid! - -
62Waar zijn die avondschemeringen - die halfverlichte plekken 63van dat somber wellustig Boschje, dat mij op een bed van zooden,63 64door de Natuur eenvouwdig gespreid, zo menigwerf in uwen arm 65zag nederliggen, en op uw gelaat bij het heldere maanlicht staren! - 66In die oogenblikken was mijn geheel aanzijn enkel aandacht -66 67zuiver gevoel! - - IJlings verdwenen uwe trekken - ik zag - geen67 68julia - maar een Engel Gods! - het licht der maan werd voor mij 69de straalen eener tegenwoordige Godheid - al wat mij omringde69 70werd mij heilig - de geheele natuur scheen de Troon van God te 71zijn! - julia! gij deelde in mijne verrukking - wij aanbaden! - -
72Tedere Maan! bedriegt mij mijne verbeelding - of wordt gij
73bleeker op de herinnering mijner julia? - - Mijn hart schat uw73 74mededogen, en mijne oogen plengen traanen. - julia is niet meer! 75- niet meer onder uwen kring! - onze oogen ontmoeten elkanderen75 76in eeuwigheid niet weêr op uwe oppervlakte! - Zij is - waar75-76 77toe ze geschapen was - thans volkomen, geheel een Hemelling - en77 78o! hoe na grensde de sterfelijke julia en de onsterfelijke Engelin aan 79een! - - - Heilige julia! verheerlijkte Vriendin! o zo gij van78-79 80deezen stillen Kerkhof, waar de Dood en de Nacht onder ver 81strooide beenderen en holoogige hoofden sluimeren - maar daar81 82teffens Engelen onder de schaduwen rondzweven - zo gij van deeze82 83schatkist der Eeuwigheid mijne stemme hoort - verheug u dan in de82-83 84bewustheid, dat uw Vriend - die eenmaal u bemind heeft - een-83-8485maal uwer waardig was - dat hij nog der deugd getrouw is, dat zijne85 86vuurigste begeerte is, haar altijd getrouw te zijn. Eerlang zal hij uwer86 87op nieuw waardig zijn - u op nieuw genieten en - troostrijk 88denkbeeld! voorsmaak van Hemelvreugde! - eeuwig genieten!88
89o Maan! - heden nog mag ik u aanschouwen - heden nog lagcht 90mij uw onbewolkt gelaat van eenen stillen Hemel aan - morgen zal 91mijn oog mogelijk voor eeuwig voor u gesloten zijn! - Aandoenlijk 92vooruitzicht! - Eerbiedwaardige Godvrucht! Gij alleen kunt dit92 93verschiet beminlijk maken - gij maakt het mij op dit oogenblik! -93
94Hoe stil, hoe kalm is alles om mij heen! - de wind ruischt zachtkens 95van verren in de toppen der Pijnboomen - en geen ander geluid95 96hoor ik in de geheele natuur. - Dat deeze eenzaamheid aaklig zij 97voor het wroegend gewisse! - Zij is bekoorlijk voor het zuiver, voor97 98het godvruchtig gemoed, dat stiller, dat kalmer is dan de beweging-99looze natuur. - Verkwikkelijk Graf! - Zo, nog geruster moet uwe99 100woning zijn voor den deugdzaamen Mensch. - Hoe verfrissend is 101het leger, dat gij zijne vermoeide leden, na zulk eene hette, na zo veel101 102arbeids en strijds aanbiedt! - Verkwikkelijker, duizendmaal ver-103kwikkelijker, dan een teug bronwater en het zachtste dons, gespreid103 104onder de koele takken van Eiken, die eeuwen over hunne hoofden104 105hebben zien vlieden, voor den aêmechtigen arbeider aan het einde105 106van eenen brandenden zomerschen dag! -
107Ja! ik gevoel het - ik gevoel dat ik sterflijk ben - alles wat mij107 108hier omringt roept het mij rustloos toe. - Betoverende Waereld!108 109hoe nietig wordt uit dit gezichtpunt al uw rijkdom, al uw wellust, al 110uwe eere? zult - kunt gij mijne afgestreden ziel met alle uwe heerlijkheid110 111een oogenblik vertroosten, als ik, op mijn jongste leger111 112uitgestrekt, van 't klamme doodzweet omgeven, den meesten troost 113nodig hebbe? - Vijandinne mijner onschuld! ook gij staat dan van113 114verre, even weinig vermogend als willig om - zelfs uwe getrouwste113-114114115slaven te helpen.
116Gij, reine, ongeveinsde Deugd! gij alleen staat uwe lievelingen bij, 117als hun alles begeeft - en zoude ik in deeze korte zandwoestijn voor117 118u niet wandelen, mij zelven niet zuiver en onbesmet bewaren, tot dat 119ik den Tempel van God nadere, daar niets, dat onrein is, in zal gaan?119 120- De tijd vliegt midlerwijl heen - de oogenblikken naderen - die120 121oogenblikken, onbevlekte julia! daar wij ons, onder eene afnemende121 122Maan, op elkanders hart rustende, vol aandoening, maar 123vrolijk als Engelen, zo menigwerf over onderhielden! - Nog maar 124weinig treden in deeze valleie der ellende, en ik heb niets meer te124 125verliezen! -
126Hier aan uwe zijde, mijne julia! zal mijn uitgeteerd ligchaam 127vreedzaam sluimeren, terwijl mijne ziel bij de bleeke straalen der 128maan om mijn stof heen zal zweven - - Zo dan ooit een gevoelig 129hart onze tombe nadere - dat hij ze met nederige bloemen en127-128 130klimöpbladen bestrooie, en met traanen bevochtige! - Ieder traan130 131zal mijne grafrust strelen. - - -131
132Medelijdende, aandoenlijke Maan! Vriendinne der treurigen! be-133loon hem zijn offer - dat hij, u aanschouwende, zich herinnere, hoe133 134menigwerf ik u aanschouwd hebbe, en al dien wellust in eens geniete,134
135dien ik duizendmaalen uit uw gelaat genoot! - En wanneer de tijd 136daar is, dat ook zijn oog zich voor eeuwig voor uwen zachten luister 137sluiten zal, lonk dan vaak zijne stille rustplaats aan, dat op zijn beurt137 138er zich eene aandoenlijke ziel ter bespiegeling op nederzette, hem 139zijnen dienst vergelde, en op dezelve wene!135-139139
