terug  begin  verderprepost
[p. 161]

Aan de maan.t

1o Maan! heilige, kuische Vriendin van mijn hart, Bezielster van1 2mijnen edelsten wellust! - Gij, die thans aan eenen zuiveren hemel,2 3als Vorstinne des Nachts, in aandoenlijke statigheid voordtreedt! - 4van deezen eenzaamen akker Gods, bij de stilte des middernachts, in4 5't midden mijner verstorven Broederen, begroeten u mijne oogen, en5 mijn hart gevoelt uwen invloed.

 

6Voor het oog der halve rustende waereld verborgen - eenzaam7 7als in de valleie des doods - ondervinde ik uwe tegenwoordigheid, o8 9eeuwige! - mijn hart gloeit van liefde, maar beeft niet. - Even9 10gewis van uwen wenk afhangende, omringd van eene geheele woe-

[p. 162]

11lende waereld, als op dit verlaten Kerkhof, drijft in beide omstandig-12heden mijne hoop, mijn geheel aanzijn op uwe goedheid. - Zij was9-1212 13het, die mij mij zelven, die mij het waar geluk deed kennen -13 14Godlijk licht omscheen mij, en bij zijne straalen ontdekte ik den 15waaren, den eenigen weg om deeze zalige haven te bereiken: ik zag 16dat deugdzaam te zijn, het eenig middel ware om gelukkig te zijn, en 17- Gij zelf schonkt mij de Liefde tot Leidsvrouw.17

 

18Dat die laage, die verachtelijke ziel bloze, die de Liefde eene 19schadelijke, eene onëdele drift noemt! - Een Monster, met verslin-18-1920dende oogen en pestkoolen op de kaaken, ontheiligde haaren naam19-2020 21en misleidde den Dwaas, maar nimmer kende hij de waare Liefde. 22Even zuiver als Gij zelf, Bron van alle Liefde! zet deeze verheven 23hartstocht den sterveling tot waare grootheid aan, en leert de ziel van 24potaarde gevoelen. - Niet vruchtloos stortte Gij de aanminnige23-24 25wederhelft van het menschelijk geslacht, bij zulk eenen invloed op24-25 26onze harten, zulk een fijn gevoel voor het schoone, voor het vol-27maakte in! - Niet vergeefsch gaaft gij haar de tedere Mensch-28lievendheid, het werkzaam Mededogen, de lieftalige Schaamte tot28 29geduurige gezellinnen - o Liefde! mijn hart erkent het en klopt van

[p. 163]

30dankbaarheid, gij waart het, die mij het eerst de hand greept, die mij 31den eersten stap in het spoor der deugd deedt drukken - gij vingt 32aan, en alle middelen werkten mede! -30-32

 

33Gevoelverwekkende Maan! hoe vaak hebt gij mij sints op dien33 34weg versterkt? - Ik zag u in de stille eenzaamheid aan - gij herin-35nerde, gij vertegenwoordigde mij mijne aanminnige, mijne diep-36gevoelende julia. - Bosschen en bergen verhieven zich tusschen ons - 37onafmeetbre zeeën hielden ons van een gescheiden - Onze 38oogen staarden in verschillende waerelddeelen op u - onze gezichtstraalen38 39ontmoetten elkanderen. - Hoe versmolt dan mijne38-39 40geheele ziel in enkele aandoeningen - hemelsche, goddelijke aandoeningen!40 41- Aan julia te denken, met wellust te denken, en de 42verhevenste lessen der Deugd ongetrouw te zijn, is voor dezelfde ziel42 43onmogelijk! - -

 

44Beminnelijke julia! gij hebt mij uwer waardig gemaakt - ik zag44 45uw gelaat, en in het zelve het volkomen beeld uwer ziel - uwer ziel,45 46die de beeldtenis der Godheid was! Mijn hart gevoelde voor 't eerst 47de Liefde, en de eerste begeerte deezer heilige drift was deugdzaam te47 48zijn! - Een wenk, een onschuldig lagchje uwer oogen overwon 49telkens duizend aanvechtingen - nu sloeg ons hart op dezelfde wijze

[p. 164]

50- onze zielen waren eenstemmig als de toonen der Hemelingen -50 51ééne begeerte - ééne poging - één verschiet! - Nietige aarde! onze51 52liefde was te groot om door uwen kleenen kring omschreven te52 53worden - de Eeuwigheid was het perk, dat ze vervullen kon, en het53 54oog der Godheid haare liefste getuige! -

 

55Hoe vaak hebt gij, bekoorlijke Beheerscheresse van mijn leven! 56mij den hobbeligen weg deezer waereld tot een paradijs gemaakt! - 57hoe veele bittere traanen uitgewonnen - hoe veel bange nooden57 58gespaard! - Uw oog schiep een nieuw Heelal voor mij, en gij leerde58 59mij genieten. Ieder beekje, dat zijne golfjes langs mij heen stuuwde - 60ieder roosje, dat op mijn pad ontlook - geen grasje zelfs was mij met u 61onverschillig - aan uwe zijde werd mij alles zaligheid! - -

 

62Waar zijn die avondschemeringen - die halfverlichte plekken 63van dat somber wellustig Boschje, dat mij op een bed van zooden,63 64door de Natuur eenvouwdig gespreid, zo menigwerf in uwen arm 65zag nederliggen, en op uw gelaat bij het heldere maanlicht staren! - 66In die oogenblikken was mijn geheel aanzijn enkel aandacht -66 67zuiver gevoel! - - IJlings verdwenen uwe trekken - ik zag - geen67 68julia - maar een Engel Gods! - het licht der maan werd voor mij 69de straalen eener tegenwoordige Godheid - al wat mij omringde69 70werd mij heilig - de geheele natuur scheen de Troon van God te 71zijn! - julia! gij deelde in mijne verrukking - wij aanbaden! - -

 

72Tedere Maan! bedriegt mij mijne verbeelding - of wordt gij

[p. 165]

73bleeker op de herinnering mijner julia? - - Mijn hart schat uw73 74mededogen, en mijne oogen plengen traanen. - julia is niet meer! 75- niet meer onder uwen kring! - onze oogen ontmoeten elkanderen75 76in eeuwigheid niet weêr op uwe oppervlakte! - Zij is - waar75-76 77toe ze geschapen was - thans volkomen, geheel een Hemelling - en77 78o! hoe na grensde de sterfelijke julia en de onsterfelijke Engelin aan 79een! - - - Heilige julia! verheerlijkte Vriendin! o zo gij van78-79 80deezen stillen Kerkhof, waar de Dood en de Nacht onder ver 81strooide beenderen en holoogige hoofden sluimeren - maar daar81 82teffens Engelen onder de schaduwen rondzweven - zo gij van deeze82 83schatkist der Eeuwigheid mijne stemme hoort - verheug u dan in de82-83 84bewustheid, dat uw Vriend - die eenmaal u bemind heeft - een-83-8485maal uwer waardig was - dat hij nog der deugd getrouw is, dat zijne85 86vuurigste begeerte is, haar altijd getrouw te zijn. Eerlang zal hij uwer86 87op nieuw waardig zijn - u op nieuw genieten en - troostrijk 88denkbeeld! voorsmaak van Hemelvreugde! - eeuwig genieten!88

 

89o Maan! - heden nog mag ik u aanschouwen - heden nog lagcht 90mij uw onbewolkt gelaat van eenen stillen Hemel aan - morgen zal 91mijn oog mogelijk voor eeuwig voor u gesloten zijn! - Aandoenlijk 92vooruitzicht! - Eerbiedwaardige Godvrucht! Gij alleen kunt dit92 93verschiet beminlijk maken - gij maakt het mij op dit oogenblik! -93

[p. 166]

94Hoe stil, hoe kalm is alles om mij heen! - de wind ruischt zachtkens 95van verren in de toppen der Pijnboomen - en geen ander geluid95 96hoor ik in de geheele natuur. - Dat deeze eenzaamheid aaklig zij 97voor het wroegend gewisse! - Zij is bekoorlijk voor het zuiver, voor97 98het godvruchtig gemoed, dat stiller, dat kalmer is dan de beweging-99looze natuur. - Verkwikkelijk Graf! - Zo, nog geruster moet uwe99 100woning zijn voor den deugdzaamen Mensch. - Hoe verfrissend is 101het leger, dat gij zijne vermoeide leden, na zulk eene hette, na zo veel101 102arbeids en strijds aanbiedt! - Verkwikkelijker, duizendmaal ver-103kwikkelijker, dan een teug bronwater en het zachtste dons, gespreid103 104onder de koele takken van Eiken, die eeuwen over hunne hoofden104 105hebben zien vlieden, voor den aêmechtigen arbeider aan het einde105 106van eenen brandenden zomerschen dag! -

 

107Ja! ik gevoel het - ik gevoel dat ik sterflijk ben - alles wat mij107 108hier omringt roept het mij rustloos toe. - Betoverende Waereld!108 109hoe nietig wordt uit dit gezichtpunt al uw rijkdom, al uw wellust, al 110uwe eere? zult - kunt gij mijne afgestreden ziel met alle uwe heerlijkheid110 111een oogenblik vertroosten, als ik, op mijn jongste leger111 112uitgestrekt, van 't klamme doodzweet omgeven, den meesten troost 113nodig hebbe? - Vijandinne mijner onschuld! ook gij staat dan van113 114verre, even weinig vermogend als willig om - zelfs uwe getrouwste113-114114115slaven te helpen.

[p. 167]

116Gij, reine, ongeveinsde Deugd! gij alleen staat uwe lievelingen bij, 117als hun alles begeeft - en zoude ik in deeze korte zandwoestijn voor117 118u niet wandelen, mij zelven niet zuiver en onbesmet bewaren, tot dat 119ik den Tempel van God nadere, daar niets, dat onrein is, in zal gaan?119 120- De tijd vliegt midlerwijl heen - de oogenblikken naderen - die120 121oogenblikken, onbevlekte julia! daar wij ons, onder eene afnemende121 122Maan, op elkanders hart rustende, vol aandoening, maar 123vrolijk als Engelen, zo menigwerf over onderhielden! - Nog maar 124weinig treden in deeze valleie der ellende, en ik heb niets meer te124 125verliezen! -

 

126Hier aan uwe zijde, mijne julia! zal mijn uitgeteerd ligchaam 127vreedzaam sluimeren, terwijl mijne ziel bij de bleeke straalen der 128maan om mijn stof heen zal zweven - - Zo dan ooit een gevoelig 129hart onze tombe nadere - dat hij ze met nederige bloemen en127-128 130klimöpbladen bestrooie, en met traanen bevochtige! - Ieder traan130 131zal mijne grafrust strelen. - - -131

 

132Medelijdende, aandoenlijke Maan! Vriendinne der treurigen! be-133loon hem zijn offer - dat hij, u aanschouwende, zich herinnere, hoe133 134menigwerf ik u aanschouwd hebbe, en al dien wellust in eens geniete,134

[p. 168]

135dien ik duizendmaalen uit uw gelaat genoot! - En wanneer de tijd 136daar is, dat ook zijn oog zich voor eeuwig voor uwen zachten luister 137sluiten zal, lonk dan vaak zijne stille rustplaats aan, dat op zijn beurt137 138er zich eene aandoenlijke ziel ter bespiegeling op nederzette, hem 139zijnen dienst vergelde, en op dezelve wene!135-139139



illustratie

tAan de Maan: Dit hoofdstuk bevat een soort litanie van Eduard, gericht tot de maan. In zeer veel sentimentele literatuur fungeert de maan als een vertrouwelinge, bij wie men zijn hart kan uitstorten; met name liefdesontboezemingen en gedachten over het voortleven na de dood werden aan haar toevertrouwd. Hoezeer deze zgn. maancultus verbreid was in de literatuur wordt geïllustreerd door het feit dat de Duitse vertaler van de Julia dit hoofdstuk achterwege liet, met als argument dat de maan al veel te veel lastig gevallen werd (zie Inl. hfdst. 10).
In de loop van het hfdst. vindt er een versmelting plaats van de maan, God, Julia en (Julia als) een engel Gods.
1kuische Vriendin: de maan is traditioneel een symbool van kuisheid. In de klassieke mythologie was de maangodin (Diana) onder meer godin van de kuisheid.
2wellust: genoegen.
4akker Gods: dodenakker, begraafplaats. Verg. ook het beeld van zaaien en oogsten op p. 160, r. 109-115.
5Broederen: medemensen.
7halve rustende waereld: dat deel van de wereld waar het nacht is.
8valleie des doods: verg. p. 152, r. 97-98.
9Eeuwige: In deze en de volgende alinea spreekt Eduard niet de Maan, maar God aan. Via het schijnsel van de maan komt Eduard tot de straling van Gods licht (r. 14).
9-12Zowel in de woelende wereld als op het verlaten kerkhof is Eduards leven van Gods leiding (‘uwen wenk’) afhankelijk; daarom is in beide omstandigheden zijn hoop afhankelijk van Gods goedheid.
12aanzijn: bestaan.
13mij zelven: nl. de vermogens die ik in mij had.
17de Liefde: d.w.z. Julia als incarnatie van de ware liefde.
18-19die de Liefde ... noemt: die de liefde met wellust identificeert.
19-20Een Monster ... kaaken: nl. de wellust. Verg. Feiths Oden en gedichten, dl. 3, p. 118:
 
Schouw de vuige [= de wellust] waar
 
ze treedt,
 
Welkt de Lente voor haare oogen.
 
Met een pestkool op de kaak,
 
En in 't hart een broet van slangen,
 
Schuilt de Dood in haar vermaak,
 
Volgt de Hel haar kronkelgangen.
20pestkoolen: zweren of gezwellen.
23-24leert ... gevoelen: de ziel van potaarde is hier meewerkend voorwerp. De liefde leert de a.h.w. nog ongevormde mens werkelijk gevoelen. Verg. Genesis 2:7 (‘En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch tot een levende ziel’). Voorts Jeremia 18:6.
24-25de aanminnige wederhelft van het menschelijk geslacht: de bevallige helft van het mensdom, d.w.z. de vrouw.
28werkzaam Mededogen: effectief medelijden, medelijden dat zich in daden uit.
30-32gij waart het ... mede: Is hier de voorbestemde liefde bedoeld, of de liefde die Julia bij Eduard opwekte? In het laatste geval zou gesuggereerd worden dat Eduard pas door Julia de deugd zou zijn gaan beminnen, hetgeen strijdig is met het beeld van Eduard dat in het hfdst. De ontmoeting gegeven wordt: hij was immers reeds deugdzaam vóór de ontmoeting met Julia.
33Gevoelverwekkende Maan: zie de aant. bij de titel van dit hfdst.
sints: sindsdien.
38waerelddeelen: delen van de wereld.
38-39gezichtstraalen: blikken.
onze gezichtstraalen ontmoetten elkanderen: Een veel voorkomend beeld in de 18e eeuw. Gescheiden gelieven speelden graag met de gedachte dat wanneer ze tegelijk naar de maan keken, hun blikken elkaar daar ontmoetten, zodat er toch een vorm van communicatie was.
40in enkele aandoeningen: enkel, uitsluitend in aandoeningen.
42dezelfde: d.w.z. één en dezelfde.
44gij hebt ... waardig gemaakt: zie Inl. hfdst. 4.
uwer: aan u (2e nv. bij waardig gemaakt).
45volkomen: volmaakte.
47drift: hartstocht (hier uiteraard zonder negatieve bijbetekenis).
50Hemelingen: hemelbewoners, engelen.
51ééne begeerte ... verschiet: d.w.z. (er bestond voor onze zielen slechts) éénzelfde wens, éénzelfde streven, éénzelfde (heils)verwachting.
52kring: omtrek.
omschreven: afgeperkt.
53perk: begrenzing (verg. onbeperkt).
ze: nl. onze liefde.
vervullen: geheel vullen (het onderwerp is ze).
57uitgewonnen: bespaard.
58Uw oog ... mij: ik kreeg een nieuw zicht op alles toen ik door uw ogen leerde kijken.
63wellustig: genoeglijk.
66aanzijn: bestaan.
aandacht: toewijding, gewijde stemming.
67IJlings: plotseling.
trekken: gelaatstrekken.
69tegenwoordige: aanwezige.
73op: bij.
schat: waardeert.
75onder uwen kring: in het ondermaanse (op de aarde).
75-76onze oogen ... uwe oppervlakte: wanneer beide gelieven tegelijkertijd naar de maan kijken, ontmoeten de blikken elkaar a.h.w. (een soort literaire telecommunicatie). Verg. p. 163, r. 38-39.
77Hemelling: hemelbewoonster, engel.
78-79hoe na ... aan een: in Eduards conceptie van de Keten der wezens (zie hiervoor p. 133) grensde Julia als bijna volmaakt mens aan een hogere schakel in de keten, de engel.
81holoogige hoofden: doodshoofden.
sluimeren: (hier) onzichtbaar aanwezig zijn, rondwaren.
82onder: temidden van.
schaduwen: schimmen.
82-83deeze schatkist der Eeuwigheid: nl. het kerkhof. Hier worden de stoffelijke resten bewaard tot de wederopstanding.
83-84de bewustheid: het besef.
85der deugd getrouw: trouw aan de deugd.
86Eerlang: weldra (nl. zodra Eduard en Julia samengevoegd zijn in de hemel).
88voorsmaak van Hemelvreugde: bijstelling bij troostrijk denkbeeld.
voorsmaak: voorgenieting.
92Godvrucht: godsvrucht, vroomheid.
93verschiet: vooruitzicht.
95van verren: in de verte.
Pijnboomen: dennebomen.
97wroegend gewisse: pijnigend (knagend) geweten.
99Verkwikkelijk Graf: nl. als rustplaats na de aardse beproevingen.
Zo: nl. als de kalme natuur waarin Eduard zich thans bevindt.
geruster: rustiger, vrediger.
101hette: hitte.
103het zachtste dons: nl. het mos.
104koele: (hier) koelte-gevend, schaduwrijk.
hoofden: (hier) kruinen.
105vlieden: stromen, zich spoeden.
aêmechtig: hijgend, buiten adem.
107ik gevoel dat ik sterflijk ben: Eduard bedoelt hier zijn lichaam.
108rustloos: onophoudelijk.
Betoverende: begoochelende, bedrieglijke.
110afgestreden: door strijd uitgeputte.
111jongste leger: laatste bed, doodsbed.
113Vijandinne mijner onschuld: verwijst naar de Betoverende Waereld (r. 108), de aardse verlokkingen.
113-114gij staat dan van verre: gij houdt u dan op een afstand.
114vermogend ... om: in staat om.
117begeeft: in de steek laat. Het beeld van de Deugd die trouw blijft als al het andere de mens in de steek laat, herinnert aan de middeleeuwse moraliteit van Elckerlyc.
zandwoestijn: beeld voor het aardse leven als voorbereiding op het volmaakte leven in het hiernamaals.
119Tempel van God: hemel.
120midlerwijl: ondertussen.
121onbevlekte: zuivere.
124treden: stappen.
valleie der ellende: beeld van het aardse leven als voorbereiding op een volmaakt leven na de dood.
127-128Opvatting dat de geest tijdens maneschijn rond het graf zal zweven. Hoe letterlijk we deze voorstelling (dat de zielen van overledenen op aarde kunnen verblijven) moeten nemen, is niet duidelijk. In De ontmoeting is sprake van de schimmen van overleden vrienden, maar die worden door de verbeelding opgeroepen. Zie ook noot 5 bij Inl. hfdst. 4.
130klimöpbladen: de altijd groene klimop is hier symbool van de onsterfelijkheid.
131grafrust: de zielerust van de overledene.
133hem: nl. het gevoelig hart (r. 128-129) dat het graf bezoekt.
134wellust: vreugde, genot.
in eens: in één keer.
137lonk ... aan: kijk naar.
135-139Iedere volgende ‘generatie’ van grafbezoekers vergeldt aan de vorige hun dienst aan de ‘generatie’ daarvoor.
139dienst: verg. offer (r. 133).
vergelde: belone.
op dezelve: nl. zijne stille rustplaats (r. 137).
prepostterug  begin  verder