|
|
|
| | | | | | | |
Eerste tooneel.
Eduard, Mevrouw Grootman,
Eloiza.
Neen, Mevrouw! wees daar verzekerd van. Ik ben te lang uw Vriend
geweest, om onverschillig omtrent het geluk of ongeluk van uwe Dochter te zijn.
Maar, gelijk ik u reeds gezegd meen te hebben, schijn kan bedriegen, en vooral
in deeze onstuimige dagen.
Dit weet ik zeer wel, mijn Vriend! en gij zelf weet, dat ik mij niet
ligt door vooroordeelen voor- of tegen-inneemen laat. Maar als men echter
bewijzen in handen heeft?
| | | |
En gij meent die waarlijk te bezitten?
Ik meen die waarlijk te bezitten. En ten teken dat ik niet partijdig
beslist hebbe, weigerde ik aan verscheiden verdenkingen, die in mijn hart tegen
het gedrag van Valerius opkwamen, en die in de daad zeer waarschijnlijk waren,
geloof te geeven, tot dat ze mij door het duidelijkst bewijs alle klaar
wierden.
Mag men die waarschijnlijkheden en dat wiskunstig bewijs weeten?
Gij spot, maar ik twijffel niet, of uwe spotzucht zal overgaan, als
ik u alles zal gezegd hebben, en gij mij mijne zwaarigheden op moet lossen.
Misschien - wij zullen zien.
| | | |
Ik wil niet ontveinzen, dat het mij niet zeer belangloos in Valerius
voorkwam, dat hij juist tegen het vergeeven der Commissiën stemde, toen zijn
Medeminnaar met een der besten stond bevoordeeld te worden.
Gij zegt te recht voorkwam; want, in der daad, 't
is niet meer dan een voorkoomen. Zijt gij ondertusschen wel zo zeker, dat
Leander de minste gegronde hoop op die Commissie had?
Dat heeft hij mij plegtig betuigd; - meer dan eens zelfs.
Maar indien Valerius echter in gemoede overtuigd was, dat hij zo
handelen moest, als hij gedaan heeft? Leander is nu van 't eigen gevoelen, nu
het Hof geen commissiën te vergeeven heeft, doch waarom deed hij toen de eerste
voorstelling niet? - Zou dat niet groot geweest zijn?
| | | |
Dat zou het; maar de mensch is zelden zo groot; en, in allen geval,
waarom eischt gij dit meer van Leander dan van Valerius?
Beken voor 't minst, dat de eigen daad in Valerius oneindig grooter
zou geweest zijn. - Leander is rijk, en Valerius moet van zijne verdiensten
bestaan. - Maar gij hebt mijne vraag nog niet beantwoord, wat gij wildet dat
Valerius zou gedaan hebben, indien hij in gemoede overtuigd....
Dat indien moet eerst bewezen worden. Eenmaal heb
ik hem op zijne betuiging geloofd, maar sederd dat ik verlicht ben geworden....
Gij lagcht?...
In der daad ik moet lagchen - ik dacht daar aan Milton, die ergens
zegt, dat een al te sterk licht het zelfde effect op ons doet, als de dikste
duisternis: in beide ge-
| | | |
vallen kunnen wij geen hand voor oogen
zien. - Maar uwe tweede tegenwerping?
Die raakt de laatst ontdekte Wet: juist toen ik mij verklaard had,
dat ik mijne Dochter liefst aan een Regent wilde geeven.
Maar daar heeft hij immers alleen de schade van geleden?
Om dat hij, gelijk het meer gaat, in den kuil gevallen is, dien hij
voor een ander bezig was te graaven. Doch waarom langer in 't wilde
geschermd?
(Zij tast in de zak en haalt er een' half
verscheurden brief uit.)
lees deezen brief - gij kent de hand van Valerius - en oordeel dan,
of ik hem ongelijk aan doe.
Maar die brief is half doorgescheurd - hoe wilt gij dat ik daar uit
wijs zal worden?
| | | |
Lees hem maar. Wat er mist, laat zich, door het geen er staande
gebleeven is, gemaklijk aanvullen.
....... ik alles geweeten had wat ik nu weete
....... mijne ijver zo groot niet geweest zijn.
....... mij weinig, en vooral zo mijn huuwlijk
....... ik haar niet alleen verder met mijn belang-
....... maar ook door Eloïza's middelen overvloe-
....... maatige eischen en voorrechten onder-
....... ik ijverde tegen Leander. Die schijn
....... het op mijn eigen hoofd neêr koomt
....... zal men mijne belangloosheid verdenken
En wat zegt bij u die brief?
Eenvouwig dit: ‘Indien ik geweeten had, wat ik nu weet, (naamlijk
dat ik, en niet Leander, het offer dier Wet geweest zou zijn) dan zou ik ze wel
aan haar plaats gelaaten hebben. Niet alleen dat nu alles op mijn hoofd
neerkoomt, maar zelfs verdenkt men mijne belangloosheid; doch dit alles mag
heen loopen, de middelen van
| | | |
Eloïza, indien ik hier in slechts
gelukke, zullen mij alles overvloedig vergoeden.’ - Leest gij er iets anders
uit?
Eduard, (hij tast in zijn
zak en haalt er de andere helft van den brief uit.)
Duidelijk, vooral als ik er het stuk, dat van uw' brief afgescheurd
is, bijhoude. - Beproef slechts.
Mevrouw Grootman, (vat
verwonderd de beide stukken aan, die juist aan elkander passen, en
leest:)
Indien ik alles geweeten had, wat ik nu weete dan zou mijn ijver zo
groot niet geweest zijn. De Burgerij mist aan mij weinig, en vooral zo mijn
huuwlijk doorgaat, dan kan ik haar niet alleen verder met mijn belangloozen
raad blijven dienen, maar ook door Eloïza's middelen overvloediger in haare
rechtmaatige eischen en voorrechten ondersteunen.
Eerst scheen het als of ik ijverde tegen Leander. Die schijn zelf
smartte mij. Dan, nu het op mijn eigen hoofd neêr koomt te zakken, zal men
mijne belangloosheid verdenken noch mijn doelwit miskennen kunnen.
Waarlijk dat luidt eenigzins anders! -
In 't kort, Vriendin! Valerius is een zeer
| | | |
edel mensch
en een voortreffelijk Regent geweest, en Leander een nietswaardig, alleen zich
zelf bedoelend, schepsel. Word eindelijk eens waarlijk verlicht, en ken ze
beiden. Leander wilde Burgemeester zijn, en, na vruchtloos alle poogingen en de
grootse laagheden bij het Hof in 't werk gesteld te hebben, heeft hij zich met
het eigen doelwit, maar een gelukkiger gevolg, onder de Patriotten
gebijzonderd, en, geloof mij, zo morgen de kans omliep, zou hij even gemaklijk
de ijverigste Prinsman weêr worden. Hij oogt thans niet op uwe Dochter, maar op
haar geld, en hier toe gebruikt hij de schandelijkste kunstgreepen om zich van
Valerius als mededinger te ondoen. Het voorgeeven als of hem de commissie
toegezegd was, is louter vinding.
(Een' brief uit zijn zak haalende en aan Mevrouw
Grootman overhandigende.)
Zie hier den man, aan wien dezelve vrijwillig opgedraagen was, en
die, schoon slechts bekrompen kunnende bestaan, echter deeze gunst van 't geluk
liever missen wilde, dan zwijgen, waar zijn pligt hem beval te spreeken. Zo
groot is Valerius geweest, en teffens zo
| | | |
nederig, dat hij nimmer
op deeze daad roem gedraagen, of zelfs er van gesproken heeft. En, wat de Wet
aangaat, ik verzeker u, dat Valerius, eer hij er zijn kamer mede verliet, zeer
wel wist dat ze hem alleen gold. Maar wie waant gij, dat de eerste ontdekker en
mededeeler van dezelve is? - Leander zelf, geen mensch anders! - Hij heeft ze
gevonden, en toen onder de hand bij de Burgerij verspreid dat er zulk eene Wet
was. En merk dit listig plan eens! Door het eigen middel, dat de belangloosheid
van Valerius bij u en Eloïza verdacht maakte, ontdeed hij zich teffens van een'
Medeminnaar, die hem, zo lang hij Regent bleef, in den weg stond. - Gij ontzet
u over zulk eene verregaande list en valschheid - maar indien gij het gesprek
wist, dat Leander er deezen morgen met Valerius over gehouden heeft, zoudt gij
den Verraader, die alles aan zijn belang opoffert, verfoeien.
Ik kan van ontroering en verbaasdheid niet spreeken. - Hemel, kunnen
'er zulke karakters mooglijk zijn! -
| | | |
Gij behoeft aan mijne gezegdens niet te twijffelen, ik heb van alles
de bewijzen in handen.
En ik zou mijne Dochter zulk eenen man aangeraden hebben! - Maar gij
spreekt geen woord, mijn Kind!
Ik hoor niets nieuws, lieve Moeder! sederd lang begreep ik dat een
van beiden een Snoodaart was, en mijn hart zeide mij dat het Valerius niet zijn
kon.
Ach, zo uw hart, op mijne geduurige aanprijzing, eens voor Leander
ontvlamd ware! - Ik beef, als ik mij dit verbeelde!
Lieve Moeder! denkt gij laag genoeg van mij, om te gelooven, dat ik,
na zulk eene ontdekking, den onwaardigen een oogenblik zou hebben kunnen
beminnen?
| | | |
Neen, mijn Kind! ik misken uw edel denkend hart niet, maar op uwe
jaaren kan drift voor liefde omhelsd worden, en alle driften verblinden ons
verstand. Ondertusschen
(tot Eduard)
zou het mij nu ook niet verwonderen, dat de Baatzuchtige Eloïza
enkel om haar geld gezocht had.
Twijffel daar geen oogenblik aan; en houd dit vrij altijd voor een'
stelregel: al wie zijn Vaderland aan zijn eigenbelang durft opofferen, zal
Vriend, Minnaaresse, noch Echtgenoote voor dien Afgod spaaren. Zo de Vorsten
van deeze waarheid leevendig overtuigd waren, zij zouden in hunne zogenaamde
vrienden hunne gevaarlijkste vijanden zien, en met den Dichter uitroepen:
Wie 't Vaderland verraadt, zou hij zijn' Vorst beminnen?
Hoe zeer voor hem in schijn zijn hart van ijver brandt,
De wierook en de dolk rust in dezelfde hand!
Doch ik wil, dat gij alles met uwe eigen oogen ziet. Indien ze
beiden hier zijn, verzoek ik u slechts eenige oogenblikken te veinzen. Houdt u
beide, zo als gij tot
| | | |
hier toe gedaan hebt, en dring gij uwe
Dochter, in hunne tegenwoordigheid, op nieuw tot eene keus aan; ik zal het
overige verzorgen.
| |
Tweede tooneel.
De voorigen, Leander.
Gelukkig aan den strik ontkoomen, die een Medeminnaar voor mij
gespannen had, verheug ik mij niet zo zeer over het behoud van een ambt, dat in
deezen tijd een wezenlijke last is, als wel dat ik hier door aan een vereischte
voldoen kan, dat gij in den aanstaanden Echtgenoot van uwe Dochter
vooronderstelt.....
Gij hebt toch zo laag, hoop ik, niet van mij gedacht, dat ik den man,
die het ambt bezat, maar hetzelve in der daad onwaardig was, boven hem zou
verkiezen, die het om
| | | |
zijne deugd waardig was, schoon hij 't niet
bezat?
| |
Derde tooneel.
De voorigen, Valerius.
't Is op uw bevel, dat ik hier verschijn, Mevrouw! - Ik denk niet, dat
men zich in de boodschap vergist hebbe....
Geenzins, mijn Heer! - Ik wilde u beiden op nieuw aan mijne Dochter
voorstellen, en haar overreden om eindelijk eene beslissende keus te doen. - De
geduurige beweeging, die er thans in mijn huis is, begint op mijne jaaren te
verveelen. - Nu, mijn Kind! wat zegt gij? in welken van uwe beide Minnaars zult
gij mij eenen dierbaaren Zoon aanbieden? Uwe keus zal mijne genegenheid
bepaalen.
| | | |
Ik beef, dat men Eloïza bedroogen hebbe!
Mijn scheepje raakt de haven.
Lieve Moeder! mijn hart is niet meer onzeker - het kan geheel volkomen
kiezen, en het kiest..... Maar wat wil Lisette, met zulk eene drift?....
| |
Vierde tooneel.
De voorigen, Lisette.
Lisette, (tot Mevrouw
Grootman, haar een brief toereikende.)
Alle mijne leden beeven, Mevrouw! een Expresse gaf mij deezen brief -
en zeide mij, dat u een groot ongeluk overkoomen was. -
Mevrouw Grootman, (na den
brief geleezen te hebben.)
Hoe is het mooglijk! ik zou alles op dien
| | | |
man vertrouwd
hebben. Welk een klap voor u, mijne Dochter! -
Eduard, (terwijl zich de
ontroering op aller gelaat vertoont.)
Durft men vraagen?....
Mijn Bankier te Parijs is gesprongen, en hier door vinde ik mij,
buiten mijn klein landgoed, van alle mijne bezittingen beroofd.
En gij ontvangt dien slag zo gelaaten?
Ik zal gemaklijk aan het eindperk mijner dagen koomen, dat kan niet
zeer ver meer zijn, en mijn hart heeft nooit heel vast aan aardsche goederen
gekleefd. - Om u, mijne dierbaare Eloïza! treft het mij - echter, zo uwe keuze
uwer waardig is, zult gij met een waardig Echtgenoot eene zekere bekrompenheid
gemaklijk kunnen draagen.
| | | |
Maar hoe wilt gij, dat Eloïza thans kieze? - Dat eerst alles
naauwkeurig onderzocht worde, mooglijk is de zaak nog zo hooploos niet. -
Mijne zaak doet niets aan de waarde mijner Dochter - ook niet aan
haare keus. - Ik kan u ondertusschen zeggen, dat mijne tijding stellig en zeker
is. -
Valerius, (diep bewoogen, tot
Eloïza.)
Dierbaarste Eloïza! voor het eerst wenschte ik mijn ambt nog te
bezitten! - Waarom bezit ik geen schatten! - Maar denk niet, dat ik immer mijn
geluk boven het uwe gekozen hebbe - neen! mijn hart heeft u belangloos bemind.
- Waarom zoudt gij om mij gebrek lijden? - Ik ontsta u van mijn aanzoek - met
een bloedend hart, dat God kent - maar u immer te zien lijden - alle uwe
begeerten niet te kunnen vervullen - dit is mij onmooglijk!
| | | |
Edelmoedige Valerius! ik beklaag u uit grond van mijn hart, en te
meer, daar ik Eloïza niet aan kan raaden u thans te neemen. Het groote goed,
dat Leander bezit, is voor beiden toereikende.....
Is dan alles buiten eenig herstel?
Om u de waarheid te zeggen, ik heb Eloïza belangloos bemind, maar ik
zie toch dat haar hart naar Valerius helt; en ook, om een geweigerd Meisje te
neemen....
Voleindig niet - onwaardige! - Och, bezate ik thans de helft van uwe
middelen.... maar - Pieter!
| | | |
| |
Vijfde tooneel.
De voorigen, Pieter.
Pieter, (buiten adem
inkoomende loopen.)
Mijn Heer, mijn Heer!.... uw Oom is dood - en op zijn ziekbed is zijn
geweeten wakker geworden - gij bezit alles - zie hier zijn' brief, u met eene
stervende hand geschreeven.
Valerius, (ontzegelt den
brief, en leest.)
Lieve Neef!
‘Ik moet sterven - dat geduchte oogenblik is daar, en in hetzelve ziet
men de aardsche belangen uit een ander gezichtpunt. Mijn tijdelijke voorspoed
verbond mij aan 't Huis van Oranje - ik stemde voor hetzelve, om dat ik voor
hetzelve stemmen wilde - en u nam ik het kwalijk, dat gij aan uw geweeten en de
waarheid getrouw bleeft. Ik ging verder - ik ontzeide u mijn gezicht, en
dreigde u met eene geheele ontërving, indien gij mijne partij niet versterkte.
Ook dit was geene verzoeking voor u. Gij bleeft
| | | |
den eerlijken
man, den rechtschapen Regent. - Mijn hart bewonderde en benijdde u, in weerwil
van mij zelven; maar ik had geen krachts genoeg om U na te volgen. - Eindelijk
zijn mijne oogen geheel open gegaan, nu het - ach, te laat is! - Hoe vuurig
wenschte ik nu, niets bezeten te hebben, dan uwe deugd! Ik wil echter
herstellen, wat ik kan. Vergeef mij, waardig Bloedverwant, de smart, die ik u
aangedaan heb; en mogten alle mijne goederen, die ik u met het oprechtste hart
maak, dezelve eenigzins vergoeden. Vaar eeuwig wel!’
Ongelukkig Man! hoe groot hadt gij kunnen zijn!
(Hij valt voor Eloïza op de knieën
neder.)
Dierbaarst, eenigst Meisje! thans kan ik u mijne hand weder aanbieden
- gij weet op welk een' prijs de uwe in mijn hart staat. - Och, had ik een
kroon, zij zou op het eenige hoofd van Eloïza rusten.
Mevrouw Grootman, (diep
geroerd.)
Hoedaanig heb ik u miskent, Valerius! - Vergeef het aan deeze traanen,
die mij uwe deugd in de oogen voert. - Gij bekoomt thans weinig aan Eloïza;
maar wees verzekerd, zo ik alles nog bezat, gij zoudt van
| | | |
alle
mannen de eenigste zijn, dien ik voor mijne Dochter wenschen zoude.
Wie Eloïza verkrijgt, verkrijgt altijd den grootsten schat; en uwe
goedkeuring, Mevrouw! is mij reeds meer dan al het goud der aarde waardig.
Uwe grootmoedigheid bewondert mij niet - ik kende haar, en zij
verdiende sederd lang beloond te worden.
(tot Mevrauw Grootman.)
Valerius bekoomt zo weinig niet, als gij denkt, aan uwe Dochter. De
brief van uw gewaand onheil, is door mij verzonnen - ik wilde u overtuigen, en
ik zag er geen ander middel toe. -
Ik zie wel, men weet hier niet langer wat een fatsoenlijk man en een
regent toekoomt - maar ik laat mij niet bespotten - ik verlaat een
huis.....
| | | |
Daar men u kent, en daar de deur nimmer weêr voor u open zal staan.
-
Gij hoont mij; maar ik zal mij weeten te wreeken! - De
Burgerij......
Zal u eerlang ook kennen, zo als gij verdient gekend te worden, maak
daar staat op. -
(Hij vertoont Leander een' brief.)
Kent gij den Schrijver van deezen fraaien brief ook? - Gij zwijgt, en
wordt rood? -
Leander, (ten eenenmaal
buiten zich zelven.)
Ik zie... dat... men heeft... mij verraaden - maar alles zal zo
gemaklijk nog niet gaan - ik heb niets meer te waagen - vergeet dit niet! -
(Hij vertrekt in drift.)
God dank, dat wij van dien Onwaardige
| | | |
ontslagen zijn!
Nu, mijn Kind! zal Valerius mijn Zoon worden? -
Valerius, (zich op nieuw voor
Eloïza nederwerpende.)
Zal ik waarlijk die gelukkige zijn? - die onuitspreeklijk gelukkige? -
Neemt Eloïza deeze hand aan? -
Mijne bewogenheid, mijn poppelend harte, de stille vreugd, die uit
mijne oogen traant - dit alles zegt u, dat mijne hand juichend de keuze van een
hart volgt, dat u sederd lang onverdeelbaar toebehoord heeft. -
(Zij geeft hem haare hand.)
Ik ben voor eeuwig de uwe!
Goede Hemel! ik ben voor mijne geringe deugd dubbeld beloond!
Eduard, (op Pieter wijzende,
die van verren staat te snikken van blijdschap.)
Erken in uwen braaven knecht het werktuig uwer tegenwoordige
gelukzaligheid.
| | | |
Door hem ben ik achter de waarheid van al het
voorgevallene gekoomen. Hij verdient eene groote belooning!
De liefde en genegenheid van mijn Heer, is het hoogste loon, dat ik
ken, en het eenigste, dat ik begeer. - Nu hij gelukkig is, mag er van mij
worden, wat kan - ik zal mij nooit beklaagen, geleefd te hebben.
Uwe edele wijze van denken, Pieter! is mij sederd lang bewust - mijne
vriendschap bezit gij voor altijd, en, tot een bewijs er van, schenk ik u
duizend guldens en een huis - konde ik over een meisje beschikken, ik schonk er
u een vrouw bij - doch daar moet gij nu voor zorgen.
Wel nu, ik voeg er Lisette bij. -
En ik nog duizend guldens. -
| | | |
Ik kan... ik kan... niet spreeken..... maar mijn hart - God zegene u
eeuwig, eeuwig voor uwe goedheid!
Maar, Lisette, hoe staat gij zo te kijken - of staat u Pieter niet
aan?
Wel, Juffrouw! met uwe gift slaat gij zo alle formaliteiten den bodem
maar in - en, evenwel, maar zo te trouwen - ik kan er van beeven.....
Lisetje, geloof mij, ik zal een goed man voor u zijn.
Nu, top dan - wij zullen het eens probeeren.
Zo zijt gij nu alle vergenoegd - en ik mede, die op nieuw overtuigd
ben gewor-
| | | |
den, dat de deugd, het zij dan vroeg of laat, alleen
gelukkig maakt; en dat de waare, belanglooze Vaderlandsliefde een der schoonste
deugden zij, indien men haare gedaante voor haar zelve niet omhelze.
Einde.
|
|
|