Toen twee van de drie leden van de jury (waaronder ondergetekende) voor de prozaprijs 1967 van de gemeente Amsterdam Jan Cremer voordroegen voor zijn Ik Fan Cremer, Tweede Boek, vroeg Alfred Kossmann zich schalks af of niet in Literair Lustrum 1 al een ‘Profiel’ over hem had behoren te staan (Het Vrije Volk, 14 november 1967). Wel was hij, evenals Kossmann, in Fens' Panorama gesignaleerd, maar de ironische kritikus wist best, dat in Literair Lustrum, anders dan in de opsporingsregisters, een profiel meer zegt dan een eenvoudig signalement. Dankbaar voor deze waardevolle suggestie haast ik mij dit verzuim nu goed te maken, voor wat Jan Cremer betreft.
Zoals men weet, heeft het voorstel om Jan Cremer te bekronen veel opschudding verwekt. In zijn minderheidsrapport sprak het derde lid van de jury, H. Kaleis, van ‘een ongelooflijke verdwazing’, van ‘honderden pagina's bootwerkerstaal’ (een kwalifikatie die later door L.R.J. Ridder van Rappard grif werd overgenomen) en van ‘waardevervalsing’. B. en W. van Amsterdam zaten er maar mee. Op 19 oktober 1967 deelden zij mee te besluiten ‘de prozaprijs 1967 niet toe te kennen’ omdat zij geen keus konden maken tussen twee standpunten in ‘een principieel-esthetische diskussie over letterkundige normen’. Zij kondigden voorts aan de Amsterdamse Kunstraad te vragen een nieuwe jury te leveren, kennelijk om tòch nog de prozaprijs 1967 te kunnen uitreiken. De Kunstraad antwoordde unaniem daartoe niet over te kunnen gaan. De Commissie voor Toneel en Letterkunde uit dit lichaam ging nog een stap verder en gaf te kennen dat het meerderheidsrapport van de jury diende te worden gevolgd, nu deze ‘met overleg en uitzonderlijke toewijding te werk is gegaan’. Mede op grond van het overeenkomstige oordeel van de Commissie van Bijstand uit de gemeenteraad van kunstzaken, besloten B. en W. op 27 december 1967 de prijs alsnog toe te kennen, die
tenslotte op 24 januari 1969 is uitgereikt. De Stichting Johannes Althusius die per telegram de koningin had verzocht het besluit van B. en W. wegens strijd met het algemeen belang te vernietigen, ook al omdat de jury geen enkel gezag toegekend kon worden en omdat ‘het weldenkende publiek uit eigen middelen wordt gehoond en gekwetst’ moet nul op het rekest hebben gekregen. Rest nog te vermelden dat de schuldeisers van de auteur, waaronder de fiskus, de bekroning krachtig hebben toegejuicht; aan te nemen valt dat de prijs-waarop perakuut beslag was gelegd-weer in de overheidskas is teruggevloeid, zodat het weldenkende publiek op dit punt gerustgesteld kan zijn.
Door de affaire werden een aantal belangrijke geschilpunten opnieuw aan de orde gesteld, die betrekking hebben op de verhouding tussen literatuur en samenleving. In hoeverre heeft een overheid, die zich door deskundigen laat adviseren omtrent de toekenning van prijzen, de vrijheid van zulke adviezen af te wijken? Kan de overheid meewerken aan maatschappelijk eerbetoon aan een schrijver van wiens werk verondersteld wordt dat het in de samenleving vrij algemeen gehuldigde morele waarden verwerpt? Mag men een schurk bekronen, ook al is op zijn werk niet veel aan te merken? Voor dit soort vragen is men door de bekroning van Jan Cremer gevoelig gemaakt, zoals o.m. blijkt uit de weigering van een soortgelijke prijs aan Weinreb, de combinatie van lof voor de vertaler en verguizing van de vertaalde L.F. Céline bij de toekenning van de Nijhoffprijs, en de herstrukturering van het prijzenbeleid van de gemeente Amsterdam. Op deze issues zal nu niet kunnen worden ingegaan, maar zij wettigen ten overvloede een bespreking van Ik Fan Cremer, Tweede Boek (1966), dat in 1969 gevolgd werd door Made in U$A.
Het verhaal neemt de draad op in het najaar van 1961 en eindigt eind februari 1963. Anderhalfjaar beschreven in een kleine tweehonderd genummerde sekties die samen bijna 450 bladzijden beslaan. De nummering begint met het getal 146, wat aangeeft dat het boek een doorlopend geheel vormt met Ik Fan Cremer uit 1964. Zoals de titel al doet vermoeden ontrolt
het verhaal zich in de ikstijl. Verteller en centrale figuur vallen samen-nominaal trouwens ook met de schrijver-; andere gezichtspunten dan die van de hoofdpersoon worden niet toegelaten dan met diens verlof, met één uitzondering. Het boek begint met een ongenummerde paragraaf waarin verteller en held van elkaar onderscheiden zijn:
...het jaar is 1961. Najaar en de bladeren vallen van de bomen. Op een koele ochtend loopt Onze Held langs een van Parijs' zonovergoten boulevards. In de veerkrachtig voortstappende gestalte (...) herkennen wij Ons Fenomeen Jan Cremer...
Meteen daarop zoomt sektie 146 in met: ‘Ik liep al enkele dagen rond te hangen in Parijs.’ Door deze objektieve introduktie, waarin al meteen een literaire stamboom wordt geschetst die Jan Cremer tot een afstammeling van Tom Jones maakt, wordt de lezer onder ogen gebracht dat het de schrijver ernst is met zijn waarschuwing dat ‘Situaties en Personen, in mijn boek beschreven uitsluitend (voortkomen) uit mijn verdorven brein’. Tegen de in het vervolg opgebouwde autobiografische schijn wordt de lezer al bij voorbaat ingeënt met het serum van de intentionele fiktionaliteit. Het welwillende ‘wij’ (verteller en lezer) maakt na de intro plaats voor het ongegeneerde ‘ik’ van de pseudo-autobiografische schelmenroman. Jan Cremer is niet alleen een verre nazaat van Lazarillo de Tormes, Tyl Uilenspiegel, Torn Jones en Felix Krull, maar ook van Benvenuto Cellini en Frank Harris.
De menging van pikareske en autobiografie maakt het mogelijk materiaal van zeer uiteenlopende herkomst in het boek onder te brengen; anekdotes, moppen met en zonder baard, roddelverhalen, wensdromen en fantasieën. De held Jan Cremer vormt een kruising tussen de held uit de dromen van de verteller en zijn flauwe schaduw daarvan in de werkelijkheid. De sekties zijn losjes aaneengeregen tot elfhoofdstukken, die in het algemeen een normale chronologische lijn aanhouden. Alleen het tweede en derde hoofdstuk maken hierop een inbreuk doordat teruggesprongen wordt in de tijd van vóór het eerste hoofdstuk: midzomer 1961, Noord-Afrika. Het valt op
dat juist in deze beide hoofdstukken het fantastische element zich sterker doet gelden dan in de rest van het boek. Hier worden de held met zijn kornuit in een Tunesies dorpje ingehaald als regengoden, en wentelen zij zich in de spreekwoordelijke geneugten van een Noord-Afrikaans bordeel; hier ontmoet de held de genadeloze vrouw uit zijn dromen, de Magic Nana.
Ook wordt de tijdslijn binnen de hoofdstukken onderbroken door terugtochten naar het verleden die langs associatieve weg door gebeurtenissen in het heden worden uitgelokt, en door andere flarden jeugdherinnering waarvan de sprong typografisch door kursivering benadrukt wordt. Anders is het gesteld met een intermezzo in het hoofdstuk ‘1000 gulden beloning’, waar de auteur plotseling in het schrijfheden (1968) zijn neus om de hoek steekt om duizend gulden uit te loven voor degeen die licht brengt in een zaak van duistere vernielzucht. Dit hoofdstuk, dat gelukkig maar één sektie duurt, is niet het sterkste.
Al met al blijven de chronologische lijn en de optiek vanuit de hoofdpersoon eenheidscheppende faktoren in het boek. De fragmentarische indeling in sekties sluit hierbij aan, evenals het betrekkelijk toevallige slot: zolang de hoofdpersoon niet dood is zijn er nog avonturen mogelijk, is de autobiografie onvoltooid, en is alleen een min of meer lineaire opbouw de aangewezen vorm. Thematisch wordt het boek hoofdzakelijk bepaald door de relatie van onze picaro met het kwetsbare meisje Claudia, met wie hij in een soort ruwe saamhorigheid en tederheid zijn leven probeert in te richten, voor wie hij probeert een ‘Volwaardig Lid van de Maatschappij te worden’. Met wisselend sukses overigens. De balans lijkt hier weer doorgeslagen naar het autobiografische, waarbij de grootspraak van de meer apokriefe avonturen krachtig wordt gekompenseerd. Juist dit afwisselend getij van werkelijkheid en verbeelding waaraan de hoofdfiguur is blootgesteld maakt een van de aantrekkelijkheden van het boek uit. Tegenover de offerande aan de regengod van een beeldschone maîtresse die zich ontpopt als een vetgemest kippetje staat de misselijkheid die Jan Cremer overhoudt van een bezoek aan een kippen-
slachterij; tegenover de efficiënte knokpartijen waaraan de held deelneemt in de meer avontuurlijke episoden staat zijn verslagenheid om de dood van de hond Wodka. ‘Der echte Picaro’, aldus Kayser, ‘wird trotz allen Heldentaten nie zum Helden und trotz allen Verbrechen nie zum Verbrecher’.
Deze tegenstellingen, waarvan de literaire verwezenlijking een kunststuk van de eerste orde vormt, geven een sleutel tot de ten toon gespreide overdrijving en polarisering. De grondslag van dit ongedurig balanceren tussen dagdromen en werkelijkheidszin wordt gevormd door een grote gevoeligheid, sentimentaliteit zelfs, en een onstuitbare, katachtige vitaliteit. Ergens schrijft de kronikeur: ‘Claudia was een gevoelig meiske, erg gesloten en alleen van binnen.’ Hij voegt daaraan langs zijn neus weg toe: ‘Ik ook, maar bij mij kwam het naar buiten.’ Zo is het.
Nu zou dit alles nog weinig beduiden indien het beeld van deze Jan Cremer niet met een macht van literaire middelen gestalte had gekregen. Zeker, de auteur slaat er wel eens naast, met een al te baardige mop, een melige riposte, een overbodig aandoend hoofdstuk als Moord der existentialisten. Maar daar staat een snel en doeltreffend vertellerschap tegenover. In korte, rake zinnetjes wordt situatie na situatie opgebouwd en vaak met een pointe afgerond (als zich dit zeggen laat), en er zijn vele passages die de lezer woordelijk blijven heugen. Hier worden geen schrale gegevens tot de laatste druppel uitgemolken, maar wordt een stortvloed aan materiaal zo goed mogelijk gekanaliseerd. Dat er dan wel eens iets over de rand loopt is de keerzijde van deze exuberantie.
Het belangrijkste provokatieve element schuilt m.i. in het over de hele linie volgehouden gebruik van volksige spreektaal in afwijking van een krachtige literaire konventie. Daarnaast speelt natuurlijk ook de erotiese grootspraak een rol, maar het mogelijk daarin gelegen schokelement wordt m.i. stevig gekompenseerd door de humor waarmee de op stoutigheid beluste lezerskring wordt uitgesliept. Men hoopt op onversneden pornografie, maar voelt de hete adem van een voyerend schrijver in de nek, die zich verkneukelt als hij het bed onder de lezer vandaan trekt. Het grinniken van de auteur is niet
bepaald bevorderlijk voor het ongestoord pornografisch klaarkomen; de exploitanten van de vieze blaadjeswinkels hebben dan ook snel hun vernietigend oordeel uitgesproken, en het boek in cellofaan verzegeld om nog een deel van hun clientèle te vangen. Wat moet men ook met een flipstand die eigenlijk onbeschreven blijft; wat moet men met een scène waar niet met maar voor geslachtsdelen punten worden gezet. Lezers die deze afknappers niet hebben kunnen verteren, vinden wellicht in het gebruik van volkstaal een voorwendsel om zich met dédain van het boek af te wenden. Zij zien niet in dat dit potige patois het voertuig bij uitstek is voor het levensgevoel van een rauwe, goocheme, kwetsbare en geinige volksjongen, dat op geen andere wijze zo adekwaat kon worden overgebracht, en zij vergeten dat ook bij het gebruiken van iets anders dan Algemeen beschaafd eisen van stijl de doorslag geven bij het bepalen van de geslaagdheid van een boek. Daar komt bij dat er in dit werk weinig eerbied heerst voor het Hogere, met name niet voor akademisch gevormden. ‘Bewondering voor alles wat groot en edel is vormt een tegenwicht tegen wat mensonwaardig is. Die boekwerken zijn de grootste, die eerbied in de lezer wakker roepen, waar men afscheid van neemt met het gevoel zijn weg in het leven klaarder te zien’, schreef een dame in het Algemeen Handelsblad naar aanleiding van Jan Cremers bekroning (30 januari 1968). Ik ben bang dat de route van Jan Cremer te weinig gemeen heeft met de levensweg van deze dame om haar in dit opzicht van nut te kunnen zijn. Toch zou zij kunnen proberen het boek te lezen als een soort Bildungsroman, waarvoor aanknopingspunten genoeg aanwezig zijn in de vasthoudendheid waarmee de hoofdpersoon in heel andere omstandigheden dan vermelde dame probeert zijn lot te verbinden aan dat van zijn vriendinnetje Claudia. Als men al een morele beoordeling zou willen uitspreken van de Hochstapler Jan Cremer, dan vindt men in dit centrale thema aanknopingspunten genoeg. Het voornaamste is toch, dat de schrijver met een mengeling van gewiekstheid en ongekunsteldheid een karakter tot leven brengt waar men omheen kan lopen (en bij wie men soms uit de buurt blijft), geen platte boekenschim die weggeblazen wordt door het minste zuchtje
werkelijkheid. Men leeft mee met deze kwartgod die geregeld het eindje van zijn touw om de nek voelt en die uit de meest benarde situaties terug moet zien te komen met niet meer dan wat lef, wat distinktiedrift, een greintje kieskeurigheid, een partikeltje zelfinzicht en vooral een grote dosis inkasseringsvermogen. Dat de schrijver de voorwaarden heeft geschapen voor deze sympathie met de lefgoser met het kleine hartje die door zijn boek ragt is een niet geringe verdienste.
H.U. Fessurun d'Oliveira