Er bestaat een grote verzameling teksten die men (intuïtief) als literatuur-theoretisch opvat. Voor een deel van deze teksten lijkt deze denominatie alleen op grond van hun ‘onderwerp’ en niet van hun wetenschappelijkheid mogelijk. Men vergelijke de zgn. ‘Prisma-diskussie’, door Oversteegen (1969:2) gepresenteerd als een theoretisch debat, waarvan de wetenschappelijkheid echter gering was (4, 490). Wil men voor deze Prisma-teksten de benaming ‘theoretisch’ gebruiken, dan kan dat niet in de zin die Popper (1966:31-59) daaraan hecht.
Op grond van methodologische kriteria dient in de bovengenoemde verzameling teksten allereerst een onderscheid gemaakt te worden tussen wetenschappelijk valide en wetenschappelijk niet-valide diskoursen. Wat deze laatste groep aangaat, zo blijkt uit de praktijk, kunnen afzonderlijke uitspraken uit wetenschappelijk niet-valide teksten:
| (1) | Als wetenschappelijk relevant worden beschouwd: Zo neemt Todorov (1971:84) een opmerking van Borges (1957:85) over de struktuur van de verhalen uit 1001 Nacht voor zijn rekening, en vindt Genette (1966:253-sq) de huidige literatuurwetenschappelijke opvattingen terug bij Valéry. Todorov en Genette nemen geïsoleerde uitspraken van respektievelijk Borges en Valéry over, dwz. zij stellen de eis dat deze kompatibel zijn met de meta-taal waarvan zij zich bedienen. Todorov gaat niet in op de vraag of Borges' uitspraak uit een konsistent korpus stamt, bij Genette vinden wij daarentegen de impliciete hypothese dat als de afzonderlijke uitspraken van Valéry met. kernpunten van een bepaald epistemisch kader, c.q. het |
| strukturalistische, gelieerd kunnen worden, het hele korpus in deze zin konsistent is. Een behandeling van feiten die deze hypothese weerspreken, zoals Valéry's onhoudbare betekenisbegrip (Verdaasdonk 1971), uitspraken als: ‘Une litétrature dont on aperçoit le système est perdue’ (Valéry 1960:801), blijft bij Genette achterwege. Hij konkludeert tot de konsistentie, en daarmee tot een theoretische status van Valéry's essayistische werk, zonder de wijze waarop deze teksten koherent zijn in aanmerking te nemen. | |
| (2) | Als globale indikaties van kompositionele elementen (bv. stijlprocédés) in een objekt-tekst worden beschouwd: De wijze bv. waarop Thomas Mann de betekenis van de ironie omschrijft: ‘Es ist eine in seiner Gelassenheit fast ungeheurer Sinn, der Sinn der Kunst selbst; eine Allbejahung, die eben als solche auch Allverneinung ist’ (1968:354) is, in het door ons gekursiveerde gedeelte, kontradiktoir. Hoewel theoretisch niet houdbaar, kan deze uitspraak, juist omdat er geïnsisteerd wordt op het belang van de ironie voor de kunst, als heuristisch signaal, dat uiteraard theoretisch geëxpliciteerd dient te worden, bij de lektuur van Manns werk worden aangewend. Het is natuurlijk mogelijk dat een auteur dergelijke globale aanduidingen voor teksten van andere auteurs geeft (Schmidt 1971a, 1971b). |
Uit (1) kan men afleiden dat de vraag naar de wijze waarop een tekst (een klasse van teksten) koherent is, vóór die naar de eventuele konsistentie van een tekst gesteld moet worden. Epistemische overwegingen, zij het niet in de mate waarin Genette ze hanteert, kunnen ook bij de beantwoording van de eerste vraag niet achterwege blijven. Het probleem is dat een tekst uitspraken kan bevatten die niet met elkaar kompatibel zijn omdat zij op onverenigbare epistemische kondities berusten en/of omdat voor sommige uitspraken wel, voor andere geen logische vorm (Carnap:1966) gevonden kan worden en/of omdat twee uitspraken in een tekst met elkaar kontradiktoir kunnen zijn. Deze moeilijkheid kan gevolgen heb-
ben voor de wijze waarop men, op basis van een strukturele deskriptie van uitspraken, de typische wijze waarop een tekst koherent is dient te formuleren.
Men vergelijke een uitspraak als:
| (3) | Vorm en inhoud betekenen dus uiterlijk en kern; vorm en stof actualiteit en potentialiteit (Vestdijk 1958:368), waar de konsepten zelfs karakteristiek zijn voor de aristotelische epistèmè, die als hoofdthema de presentie heeft (Derrida 1967a:23). Dwz. voor het teken- en voor het tekstbegrip dat op deze epistèmè is gebaseerd geldt: | ||||
| (4) | Alles wat men met vorm aanduidt, staat in een, ontologisch op te vatten, wordingsrelatie tot de vóór haar gegeven stof (materie). De denominaties ‘aktualiteit’ en ‘potentialiteit’ voor respektievelijk vorm en stof, impliceren de opvatting dat de stof het noodzakelijke substraat, het medium voor de vorm is (Aristoteles Met:184, Anscombe 1961:49-sq). Vestdijk (268) stelt dat stof en vorm twee stadia zijn, tw. n en n + 1, van één substantie. | ||||
| (5) | De formulering van de eigenschappen van het teken/de tekst op basis van spatiale kategorieën tgv. het primaat van de presentie (Derrida 1967a:46-sq). | ||||
| (6) | De oppositie sensible/intelligible is konstitutief voor het teken/de tekst, dwz. voor de komponenten (vorm en inhoud) van het teken/de tekst en voor het teken/de tekst als zodanig, waarbij:
|
Men stuit in Vestdijk (1958) op de boven aangeduide moeilijkheid, nl. dat uitspraken uit het diskours niet kompatibel zijn met het voorgestelde epistemische kader. (4) en (5) gelden, maar (6), waar het fundament ligt voor een expressie-esthetika, wordt expliciet afgewezen: niet een thema (de inhoud) maar de mate waarin het taalkunstwerk de transformatie van een bepaalde stof (ie. de taalmaterie, 269) is, levert, zegt Vestdijk, de kriteria voor een esthetische typologie, dwz. voor de bepaling van een specifieke koherentie. Een opvatting
waarin het kunstwerk een verzameling regels (procédés) is, valt echter niet uit Vestdijk te extrapoleren, daarvoor zijn de voorgestelde kategorieën te heterogeen. Als voorbeeld kan Vestdijks omschrijving van de ‘inhoud’ van een taalkunstwerk dienen: enerzijds acht hij de ‘inhoud’ een konseptuele kategorie (‘een beschouwingswijze’, 275), niet bestaande los van het konkrete kunstwerk (269), anderzijds spreekt hij over de ‘inhoud’ als over het zakelijke gehalte, de bizondere wereld achter het kunstwerk (267) en analyseert haar in komponenten die slechts ‘zijdelings in betrekking staan tot het konkrete gedicht’ (272 U).
Een problematische theoretische status voor Vestdijk (1958), of algemener: voor het genre ‘literair essay’, kan mogelijk verantwoord worden door de gereleveerd bizondere relatie tot een epistèmè genre-typerend te achten. Noch Valéry, noch Vestdijk zijn adekwaat in een, respektievelijk, strukturalistisch en aristotelisch kader te behandelen. In eerste instantie wil dit zeggen dat de theoretische explicitering van deze objekt-teksten vooronderstelt:
| (7) | Een teksttypologie, die naast de koherentie ook genre-kenmerken voor een bepaalde tekst specificeert. Dwz. zij bevat een eindig aantal tekstgrammatische regels die een oneindig aantal koherente teksten van de klasse Ki genereert. |
Voor onze voorbeelden (Valéry, Vestdijk) zullen deze tekst-grammatische regels o.m. een epistemisch kader dienen op te leveren, waarbij afwijkingen van dit kader te formuleren zijn als (negatief) doorbreking van epistemische regels en (positief) mogelijk als konstitutie van een ander, eveneens welbepaald epistemisch kader. Dit kan toegelicht worden aan de hand van een uitspraak uit Mulisch (1961:108):
| (8) | Het oeuvre is het nieuwe lichaam van de schrijver,-een lichaam dat hij zichzelf geschapen heeft, hechter, duurzamer dan hetwelk hij van zijn moeder heeft meegekregen. |
Men kan deze uitspraak, in eerste instantie, definitioneel noemen: (8), met de struktuur NC1 is NC2, is dan een introducerende definitie, van het type X = df Y (Bierwisch/Kiefer
1969:57-sq). Het lijkt niet mogelijk (8) een analytische definitie te noemen, ie. een uitspraak die de ekwivalentie van twee tot de objekttaal behorende termen aangeeft. Al behoort NC1 tot het lexikon van een taal L, dan krijgt NC1 in (8) toch een nieuwe betekenis-er vindt een extensie plaats van de grammatika G (voor L) naar G′ (voor L′) waar ‘oeuvre’ de reading van NC2 krijgt. Op grond van deze extensie is (8) een meta-linguïstische operatie. De lezer verwerft de nieuwe lexikale eenheid ‘oeuvre’ op expliciete wijze.
Indien men nu, met Bierwisch/Kiefer (69-sq), veronderstelt dat de semantische struktuur van ‘oeuvre’ is opgebouwd uit een kern (met linguïstische informatie in komponenten als (+ konkreet), (- levend), (+ artefakt), etc. en een periferie (met encyklopedische informatie), wordt (8) verder karakteriseerbaar als een redundante definitie tov. G′, dwz. er wordt voldaan aan de voorwaarde dat NC2 semantische specifikaties bevat die niet in de kern van NC1 in L voorkomen (Bierwisch/Kiefer: 73).
De vraag naar de zinnigheid van (8) is hierdoor niet beantwoord. Een ekwatieve kombinatie van ‘oeuvre’ en ‘lichaam’ zal in principe kontradiktoir zijn: de amalgamering van semantische karakteristieken van ‘oeuvre’ en ‘lichaam’, om een reading voor NC1 is NC2 te krijgen, levert een semantisch niet welgevormde uitspraak op door de antonymie (-levend̂ + artefakt) vs. (+ levend̂-artefakt). Op grond van wat Dubois (1970:139) over kategoriefouten bij metafoor-vorming zegt, kan (8) dan als retorische figuur worden opgevat. Een adekwate beschrijving van (8) dient echter tevens te verantwoorden dat:
| (9) | ‘Oeuvre’ en ‘nieuw lichaam’ hier opgevat moeten/kunnen worden als behorend tot een bepaald lexikon, tw. dat van de alchimie, |
| (10) | De kombinatie (-levend̂ + artefakt) met (+ levend̂-artefakt) typerend is voor alchimistische teksten-men vergelijke de spekulaties over de bereiding van een homunkulus, dwz. de bereiding van leven uit materie via ingewikkelde proeven (Caron/Hutin 1959:37). |
De denominatie ‘metafoor’ voor (8) is te globaal. Men dient konventies/regels in te voeren om Mulisch (1961) of algemener: alchimistische, mystieke ed. teksten, te kunnen typeren, waardoor voor relaties tussen, mogelijk specifieke, semantische elementen een epistemische funktie wordt vastgelegd.1 Genereert men (8) zonder meer mbh. van een metaforisatie-transformatie (cf. Abraham/Braunmüller 1971), dan is het onduidelijk hoe Mulisch' keuze van bepaalde epistemologische themata, als de relatie tekst/werkelijkheid (101), de representatie (111), het masker (230) etc, en hun behandeling, als volgend uit bepaalde premissen verantwoord kunnen worden (voor een diskussie over deze themata als epistemologische kwesties zie Deleuze 1969).
Uit deze bespreking van teksttypologische problemen aan de hand van afzonderlijke uitspraken als (3) en (8), is de volgende konklusie te trekken: Aangenomen dat uitspraken in een tekst teksttypologische kenmerken dragen, dan kunnen relaties tussen afzonderlijke uitspraken uit verschillende teksten maar voor een deel door typologische regels, waar allereerst de relatie tussen een genre en een of meer afzonderlijke teksten gespecificeerd wordt, worden beschreven. Verbanden tussen uitspraken uit teksten die tot verschillende genres behoren zullen in dit kader een ingewikkelde behandeling vergen, terwijl verbanden tussen afzonderlijke uitspraken uit verschillende teksten, waarbij het niet belangrijk is tot welk genre zij behoren, en waarbij een afzonderlijke uitspraak zich direkt betrekt op een andere afzonderlijke uitspraak, in dit kader niet geëxpliciteerd kunnen worden. Relaties tussen uitspraken uit verschillende teksten noemen wij intertextualiteit.
Er zijn in principe twee typen intertextualiteit te onderscheiden:
| (11) |
|
|
Dit type intertextualiteit, dat wij indexikaal noemen, wordt het beste opgevat als een relatie tussen logiko-semantische eigenschappen van uitspraken. Hoe een relatie, als in (11ii) onder (c) aangeduid, vermoedelijk tot stand komt, wordt in (14) gezegd. De motivering van indexikale intertextualiteit als een relatie tussen logiko-semantische eigenschappen is zowel met empirische als met theorie-interne argumenten te geven.
Neemt men aan, dat indexikale intertextualiteit plaatsvindt tussen zinnen, respektievelijk Zi (uit Ti) en Zn (uit Tn), dan moet gelden, voor de relatie ‘letterlijk citaat’ waarbij Zi = Zn, dat Zi en Zn door dezelfde transformatie-regels op dezelfde elementaire zin worden gegenereerd. Wij gaan uit van Harris (1965) waar een model wordt voorgesteld om overeenkomsten en verschillen tussen zinnen in een natuurlijke taal te beschrijven. Wanneer Zi een versie van Zn is, dwz. alleen een grote mate van identiteit met Zn vertoont, zal men Zi en Zn moeten beschrijven als tot stand gekomen door kwa aantal, ordening en/of type verschillende transformaties op dezelfde elementaire zin. Het aantrekkelijke hiervan is, dat het verschil in aantal, ordening en/of type tussen deze transformaties zou kunnen dienen om de mate van identiteit tussen Zi en Zn nauwkeurig te bepalen.
Harris' voorstel lijkt echter niet goed bruikbaar voor onze doeleinden, daar de indeling van Zi tov. Zn volgens een akseptabiliteitsordening (367-71) plaatsvindt. De relatie tussen Zi
en Zn is er, in dit model, een van kleinere/grotere akseptabiliteit. Het is dan niet goed mogelijk het feit te verantwoorden dat Zi opgevat moet worden als een citaat/versie van precies Zn: immers Zi kan volgens Harris' model veel nauwer gerelateerd zijn met Z′i, Z″i, etc. dan met Zn.
Dat er sprake is van een ordening volgens akseptabiliteit, op grond van de syntaktische transformaties ter verkrijging van Zi en van Zn, impliceert dat een dergelijk model taal-immannent is. Deze syntakticiteit en de gebondenheid aan één natuurlijke taal L maken het onmogelijk een indexikale intertextuele relatie tussen Zi (in Li) en Zn in (Ln) betrekkelijk eenvoudig te beschrijven, vooral als men denkt aan een indexikaal intertextuele relatie tussen twee sekwenties (SQ)2 SQi (in Li) en SQn (in Ln), waarbij SQi de parafrase/het resumé van SQn is, zoals bv.:
| (12) | (Angst voor de dood is zinloos:) Om de eenvoudige reden dat wij reeds een eeuwigheid doorlopen hebben, dat wij al eenmaal non-existeerden en ontdekt hebben dat dit néant volstrekt geen verschrikkingen insluit (Nabokov 1961:212), en: |
| (13) | Wenn das, was uns den Tod so schrecklich erscheinen lässt, der Gedanke des Nichtseins wäre, so müssten wir mit gleichem Schauer der Zeit gedenken, da wir noch nicht waren, denn es ist unumstösslich gewiss, dass das Nichtsein nach dem Tod nicht verschieden sein kann von dem vor der Geburt, folglich auch nicht beklagenswerter. Eine ganze Unendlichkeit ist abgelaufen, als wir noch nicht waren, aber das betrübt uns keineswegs (Schopenhauer: 10412). |
Ook het probleem van de denominaties van indexikaal intertextuele relaties kan niet in een syntaktisch model worden opgelost (cf. 3).
Voor indexikale intertextualiteit kenmerkend is het feit dat Ui een citaat is, dwz. waargenomen wordt als repetitie/versie van Un. De primaire eigenschap van Ui is het in Ti als zodanig gepresenteerd worden (Searle 1969: 76-sq). Deze bizondere status moet aangegeven worden door:
| (14) | Indexikaliseringsregels, die verantwoorden op welke |
wijze Ui als citaat/versie van Un wordt geïdentificeerd.
Hierbij is te denken aan:
|
Van het tweede type intertextualiteit is sprake indien:
| (15) | Voor een willekeurig aantal niet noodzakelijk met elkaar tot een sekwentie verbonden zinnen uit een on- |
| eindige verzameling teksten geldt, dat zij eindketens zijn van tekstgrammatika's (TGs) die leden zijn van dezelfde familie, TGl...TGn, TG′l...TG′m, etc., dwz. van een verzameling gerelateerde opeenvolgingen van TGs. (Voor de notie familie van grammatika's zie Bierwisch/Kiefer: 62.) |
Dit type intertextualiteit noemen wij typologisch. TGs bevatten een vokabulaire, formatie- en transformatie-regels waarmee een tekst-basis, T-markers, en uiteindelijk eindketens worden gegenereerd. Verschillen in teksttypen zijn in principe met behulp van deze elementen te verantwoorden.
Een enigszins uitgewerkt kader voor zulke typologieën ontbreekt vooralsnog. Men kan Propp (1970) en Todorov (1971:155-sq) als eerste aanzetten beschouwen. Het lijkt daarbij zinnig teksttypologische kenmerken zoveel mogelijk in de basis onder te brengen (in de ‘tekstkern’, cf. Van Dijk/Ihwe/Petöfi/Rieser 1971:29), dit om een vermoedelijk direkt typologische intertextualiteit als tussen:
| (16) | Oh Freddie... It's much... too big! (The Strange Cult), en |
| (17) | ‘So big’, she murmured, urging me on as, not wanting to force her, I paused to allow her tensed muscles to relax, ‘so very, very big!’ (The Oxford Professor), ((16) en (17) geciteerd uit Kronhausen 1959:222-3), te kunnen onderscheiden van het intertextueel voorkomen van zinnen als: |
| (18) | Het regende, etc. |
Met behulp van het bovenstaande kunnen wij een suggestie geven voor de wijze waarop denominaties aan indexikaal/typologisch intertextuele relaties moeten worden toegekend.
In het algemeen wordt, in de literatuur over ons onderwerp, intertextualiteit opgevat als de identiteit of de gelijkenis tussen een uitspraak Ui in een tekst Ti en een uitspraak Un in een tekst Tn, waarbij men zich afvraagt:
| (19) | Welke tekst-elementen, van welk niveau, term kunnen |
| zijn in een intertextuele relatie, | |
| (20) | Welke denominaties men aan intertextuele relaties moet geven. |
Het onderscheid in twee typen intertextualiteit wordt niet gemaakt. Bakhtine (1970:225) neemt aan dat intertextualiteit plaats kan vinden tussen elementen van zo verschillende niveaus als ‘stijl’ en ‘verbale vormen’. Hij geeft drie denominaties voor intertextuele verbanden, tw.:
| (21) | Konventionalisering, |
| (22) | Parodie, |
| (23) | Polemiek, die Todorov (1968:112) tot twee reduceert: |
| (24) | Een waarbij een tekst Ti geen kritische nuance tov. een tekst Tn vertoont: plagiaat, |
| (25) | Een waarbij Ti wél een kritische nuance tov. Tn vertoont: parodie. |
Op de vraag welke tekst-elementen van welk niveau term kunnen zijn in een intertextuele relatie gaat Todorov niet in. Intertextualiteit beschouwt hij als een vorm van konnotatief taalgebruik; het is in zijn omschrijving niet duidelijk of Ti dan wel Ui, Un en/of Tn konnoteert. Staiger (1971:114-sq) meent dat bij (indexikale) intertextualiteit vooral de relatie tussen de stijlen van Ti en van Tn relevant zijn:tekstkonstituerende elementen als stijl en ritme determineren Ti dermate, dat de inbedding van Un (uit Tn) als ‘letterlijk citaat’ niet goed mogelijk is.
Indien men intertextualiteit opvat als een konnotatief probleem, laat zich de vraag stellen of dit verschijnsel in het kader van een (stilistische) competence beschrijfbaar is. Bierwisch (1969:62) ontkent elke mogelijkheid over indexikaal intertextuele verschijnselen te theoretiseren:kan stijl zi. behandeld worden in een competence-model, ondanks alle deviaties die een poëtische grammatika, als gevolg van de in ‘literaire’ teksten dominerende dwang tot kode-doorbreking, moet kunnen verantwoorden; bij intertextualiteit, waar sprake is van een afwijking tussen afzonderlijke teksten, kan een deviatie tussen Ui uit Ti en Un uit Tn noch door een voorgegeven poëtisch (deel-)systeem, noch door afwijkingsregels verant-
woord worden.
Rekening houdend met Ihwe's (1971:296) omschrijvingen en met (11) en (14) kan intertextualiteit grotendeels als een performance-kwestie, dwz. te bestuderen in een literatuurpsychologie en -sociologie, opgevat worden. Bierwisch' ontkenning van de mogelijkheid een systematisering van indexikaal intertextuele verschijnselen te ondernemen wordt al enigszins gerelativeerd doordat hij de relatie tussen een tekst van Brecht en een van Goethe (zie 5) parodistisch noemt. (11) en (14) wijzen overigens in de richting van het stilistische competence-model van Abraham/Braunmüller (1971), met stilistische verwachtingsnormen en performance-strategieën. De twee denominaties, ‘plagiaat’ en ‘parodie’, die Todorov voorziet (cf. (24) en (25)) gelden, in zijn formulering, nl. voor relaties tussen twee afzonderlijke teksten, ten hoogste voor gevallen van indexikale intertextualiteit. Men moet dan ook vragen of (24) en (25) ook voor gevallen van typologische intertextualiteit gebruikt kunnen worden en of (24) en (25) exhaustiefzijn als denominaties van intertextuele verbanden. De noties ‘plagiaat’ en ‘parodie’ vooronderstelden de af-, respektievelijk de aanwezigheid van een ‘kritische nuance’. Deze kritische nuance kan zich niet anders dan op de geldigheid van een zin/uitspraak uit een andere tekst betrekken. Voor de twee typen intertextualiteit die onderscheiden werden, laat zich zo'n geldigheidsprincipe als volgt formuleren:
| (26) | Voor de uitspraak Ui die term kan zijn in een indexikaal intertextuele relatie geldt: Ui heeft de vorm:
∀ (... x, y ...) of: E (... x, y ...). Voor iota-opera-x, y... [x, y...]-) toren zie Reichenbach (1966:264-sq). Bij indexikale intertextualiteit tussen Un en Um zijn deze vormen met elkaar gekorreleerd (zie 5), |
| (27) | Voor de zin Zi die term kan zijn in een typologisch intertextuele relatie geldt: Zi is een welgevormde eindketen van TGi, dwz. Zi is door TGi typeerbaar als tekstuele oppervlaktestruktuur van een tekst Ti, behorend tot de tekstklasse Ki. |
De denominaties (24) en (25) zijn nu zowel aan indexikaal als aan typologisch intertextuele verbanden toe te kennen. Er wordt verondersteld, dat intertextuele relaties, als zij typologisch zijn, verantwoord kunnen worden binnen één genre-grammatika, cq. familie van grammatika's, en, als zij indexikaal zijn, dmv. de logiko-semantische eigenschappen van twee uitspraken denomineerbaar zijn.
Voor gevallen die komplikaties van (11) en (15) zijn, dient een derde denominatie gepostuleerd te worden, die van
| (28) | partialiteit,
|
Op welke gronden verkrijgt men denominaties voor typologisch intertextuele verbanden?
Een eerste inventarisatie van faktoren die kunnen dienen om teksten te typeren, en van elkaar te onderscheiden, geeft Hausenblas (1966). Centrale elementen zijn volgens hem:
| (29) |
|
Voorts zijn verschillen tussen teksten te verantwoorden door (72-3):
| (30) | De gesproken vs. de geschreven manifestatie, |
| (31) | Het voorkomen van dialogen vs. het voorkomen van monologen; hier kan het drama tov. andere genres worden afgebakend, |
| (32) | Funkties van teksten. |
Meer houvast dan deze al te globale teksteigenschappen ((29ii), (31)) bieden (74-sq):
| (33) | De eenvoud vs. de komplexiteit van de tekstuele struktuur van een diskours, |
| (34) | De onafhankelijkheid vs. de afhankelijkheid van een diskours van de situatie, |
| (35) | De kontinuïteit vs. de diskontinuïteit van een diskours. |
Systematisering van (29)-(35) vooronderstelt een behoorlijk ontwikkeld theoretisch kader. Een eerste stap zet Van Dijk (1971), die een tekst typeerbaar acht door:
| (36) | Specifieke kombinaties van makro-semantische (= diepte-strukturele) kategorieën, beschrijfbaar in een competence-model, |
| (37) | Specifieke tekst-funkties, beschrijfbaar in een performance-model (20-sq). |
Van Dijk (31-sq) werkt dit vooral uit voor ‘literaire’ teksten. Hun klassifikatie in (sub-)genres is te ondernemen mbh. van de volgende konventies/regels:
| (38) | Definities (vooral voor metrische strukturen), |
| (39) | Oppervlakte-operaties, |
| (40) | Semantische representaties in de tekstuele diepte-struktuur, |
| (41) | Thematische restrikties voor (40). |
(40) en (41) worden geïllustreerd, voor een narratief genre als epische poëzie, o.m. door specifikatie van de attributen van de agentes. Aan deze laatsten worden, in het vermelde genre, attributen als (+ dapper), ( +trouw) toegekend, die hun akties bepalen (Van Dijk:34). Voor romans bv. is het type aktie/agentes, en de dominantie-graad van predikaten die aktie- of toestandsbeschrijvingen geven, typerend (Van Dijk:35). Voor de hand liggende vragen, nav. deze twee voor-
beelden zijn:Of men de zgn. ‘handelingen’ van agentes uit hun attributen kan infereren (cf. Verdaasdonk 1972b); Hoe men normatieve attributen als (+ dapper), (+ trouw) kan verantwoorden in een logika van norm en aktie, dwz. zonder exklusief beroep op de normatieve esthetische kodex waaruit deze attributen stammen, zoals deze werd ontwikkeld in het Frankrijk van de 17de eeuw, op aristotelische premissen (De Poetica 1448a). Hoe, indien een verzameling akties genre-typerend is, men deze in het kader van een teksttheorie moet formuleren. Ieder mimetisme, en Van Dijks (35) opmerking dat romans typeerbaar kunnen zijn naar het type aktie (moord voor detektive-romans), geeft weinig garanties hiertegen, leidt tot onaanvaardbare konsekwenties. Men vergelijke bv. het genre van de doktersroman, dat zich direkt voor een mimetische typologisering lijkt te lenen (cf. agentes, akties, locus, etc.), maar waarvan de elementen wellicht komplikaties zijn van een mbh. van globalere elementen te typeren genre, cq. dat van de romantische Trivialroman.
Hoewel men ziet in welke mate de voorstellen voor teksttypologieën nog intuïtief en summier zijn, kan men de wijze waarop men tot denominaties voor typologisch intertextuele verbanden komt, op grond van het bovenstaande, iets preciseren:
| (42) | De denominaties ‘plagiaat’ en ‘parodie’ betreffen de relaties van (zinnen uit) afzonderlijke teksten enerzijds met een genre anderzijds, | ||||||
| (43) | De denominatie ‘plagiaat’ is voor typologisch intertextuele relaties altijd triviaal, | ||||||
| (44) | Zinnen in een tekst of teksten die parodistisch zijn vooronderstellen om beschreven te kunnen worden:
|
De ‘pragmatisering’, in (44iii), is in het door Abraham/ Braunmüller (1971) voorgestelde kader te situeren; dwz. stijl-
kenmerken kunnen zo verantwoord worden, tevens is het mogelijk op preciese wijze rekenschap af te leggen van het (intuïtieve) idee, dat de denominatie ‘parodie’ aan teksten toegekend wordt wanneer vooral het gebruikelijke genreeffekt, bv. (-waarschijnlijk) ipv. (+ waarschijnlijk) voor detektive-romans, cf. Todorov 1971:98-9), ontbreekt.
De indexikale intertextualiteit onderscheidt zich van het in 4 besproken type door het feit dat afzonderlijke uitspraken uit verschillende teksten met elkaar gerelateerd worden. Niet hun status als eindketen van een TG is hier primair van belang, maar de vorm van Ui tov. Un.
Ook hier moet men vragen naar de gronden waarop men indexikaal intertextuele relaties denomineert. Afgaande op de voorbeelden die Kristeva (1969:256-7) geeft, zou men tot de denominatie ‘parodie’ voor een indexikaal intertextueel verband komen, indien Ui de negatie is van Un, vergelijk:
| (45) | Un:Nous perdons la vie avec joie, pourvu qu'on en parle (Pascal), |
| (46) | Ui:Nous perdons la vie avec joie pourvu qu'on n'en parle pas (Lautréamont). |
Het belang van deze antonymie wordt nog onderstreept, doordat Kristeva drie typen negatie onderscheidt, tw.:
| (47) | Totale negatie, met inversie van de betekenis van Un, |
| (48) | Symmetrische negatie, met behoud van de ‘algemene’, ‘logische’ betekenis van Un, maar met toekenning van een nieuwe anti-humanistische, anti-sentimentele, anti-romantische' betekenis aan Un, |
| (49) | Partiële negatie. |
Voor (47) en (48) wordt een bepaald betekenis-effekt gepostuleerd, voor (49) merkwaardigerwijs niet. Wij gaan voorbij aan het feit dat (48) theoretisch niet valide is geformuleerd en vragen ons af wat Ui parodieert:in (48) geldt de parodie kennelijk een ideologie/konnotatie van een uitspraak. In dit verband kan men ook Valéry (1960:696) aanhalen, waar de parodie zich op de ‘waarheid’ van een arbitraire generalisatie betrekt:
| (50) | Le vacarme intermittent des petits coins où nous vivons nous rassure. |
Deze voorbeelden bevestigen de in 3 geuite hypothese dat de parodie zich op de geldigheid van een uitspraak betrekt.
Kenmerkend voor de voorbeelden die Kristeva geeft, en voor (50), is dat Ui en Un universele kwantoren bevatten. (45) en (46) zijn weer te geven als:
| (45′) | (∀x) (∀y) (Px → My) |
| (46′) | (∀x) (∀y) (⇁ Px → My)
Px = x spreekt over sterven My = y streft met vreugde |
Voor dit type uitspraken geldt:
| (51) | Indien er indexikale intertextualiteit tussen twee universele uitspraken Ui (in Ti) en Un (uit Tn) bestaat en Ui en Un bevatten dezelfde predikaten of zodanige predikaten dat Ui en Un parafrases van elkaar zijn, dan
|
(51i, b) geldt voor:
| (52) | Ui:Wer nie sein Brot in Tränen aß..., (Brentano), en: |
| (53) | Un:Wer nie sein Brot mit Tränen aß..., etc. (Goethe). |
((52) en (53) ontleend aan Staiger 1971:146-7.) Parodistisch, volgens (51ii, b) is het verband tussen:
| (54) | Ui:Wer sein Brot mit Tränen aß..., etc. en: |
| (55) | Un:Wer nie sein Brot mit Tränen aß..., etc. (Goethe). |
Het al of niet voorkomen van het konnektief ⇁ fungeert als belangrijkste kriterium voor de denominaties die aan indexikaal intertextuele relatie toegekend moeten worden, wanneer Ui en Un beide de universele of de existentiële kwantor hebben. Als Ui en Un de vorm (ix)f(x) hebben, geldt dit kriterium niet. Nabokovs (1962:293) beroemde Mérimée-citaat is parodistisch:
| (56) | Carmen, voulez-vous venir avec moi? (tot Lolita) |
| (56′) | (W(ix)C(x)) V (cf. Rohrer 1971:118). |
Wij wilden tenslotte dit voorstel enigszins uitwerken aan de hand van Bierwisch' (1969:62) voorbeeld van een indexikaal intertextuele relatie, tw. die tussen Brechts (1967:181-6) ‘Liturgie vom Hauch’ en Goethes Wanderers Nachtlied.
Allereerst enige algemene opmerkingen:Iedere TG heeft, zoals gezegd, een vokabulaire, formatie- en transformatieregels die (minimaal) de koherentie van een tekst verantwoorden. Wij . nemen aan dat koherentie vooral door semantische en pragmatische regels tot stand komt (Van Dijk 1971:16). Een groot probleem ligt in de relatie van deze regels met het lexikon, dat, in een ‘literaire’ TG, elementen kan dienen te bevatten die in een natuurlijke taal L niet voorkomen (Rieser 1971:115). Uitgaande van een lexikon waarin bepaalde semantische relaties (bv. hypo- en hyperotaktische, cf. Greimas 1966:19) zijn gespecificeerd, kan men de inventaris van Cummings/Herum/ Lybbert (1971) benutten om tekstvormende operaties uit te werken. Uit deze inventaris zijn ekwivalentie-, inklusie- en kontiguïteitsrelaties voor lexemen te extrapoleren, die weer de basis kunnen vormen voor retorische tekst-konstituerende operaties als:
| (57) | Indien tussen een lexeem in een zin Zi en een lexeem in een zin Zi+1 (in Ti) een metasememische3 relatie bestaat, en zekere pronominale restrikties gelden (Kummer 1971), zijn Zi+1 en Z1 met elkaar koherent. |
Men vergelijke:
| (58) |
|
|
|||||
| (59) |
|
In Brechts ‘Liturgie vom Hauch’ is een van de procédés waardoor koherentie tot stand komt de metaforisatie van de tekst-topic. ‘Hauch’ is teksttopikaal, dwz. beantwoordt aan Riesers (1971:99) 2e, 3e en 7e kriterium en fungeert als metafoor voor de agentes, leden van de klasse mens, ‘ein altes Weib’, ‘ein einziger Mann’, ‘drei bärtige Männer’ en ‘viele Männer’, waaraan, op grond van kontextualisering, een betekeniselement (-intens) kan worden toegekend (cf. Greimas:42-sq over kontextuele en nukleaire semen). Dwz.:
| (60) | (-intens) fungeert als intermediaire term tussen ‘Hauch’ en mens, |
| (61) | Het betekenis-element (-animate) in ‘Hauch’ moet gedeleteerd worden. |
(60) vooronderstelt kontextualiseringsregels, die verantwoorden dat (-intens) aan de agentes moet worden toegekend, en (61) vooronderstelt transformatieregels, voor het ‘omlabellen’ van (-animate) tot (+animate) (cf. Abraham/Braunmüller:26-sq).
Tevens is er in de ‘Liturgie vom Hauch’ indexikale intertextualiteit tussen bv.
| (62) | Darauf schwiegen die Vöglein im Walde
Ueber allen Wipfeln ist Ruh In allen Gipfeln spürst du Kaum einen Hauch (Brecht:181) |
en Goethes Wanderers Nachtlied.
Tot de denominatie ‘parodie’ komt men alleen als men de metafoor ‘Hauch’ afzet tegen het ‘grammatikale’ gebruik van dit lexeem door Goethe. Men krijgt de oppositie:
| (63) | (∀x) (Hx → ⇁ Ix) (Brecht) |
| (64) | (∀x) (Hx → Ix) (Goethe)
Hx = x is een Hauch Ix = x is Inanimate. |
De permutatie van ‘Gipfeln’ en ‘Wipfeln’ is op dezelfde wijze te behandelen.
H. Verdaasdonk
| Abraham, W./Braunmüller, K. |
| 1971 ‘Stil, Metapher und Pragmatik’, in: Lingua 28:1-47 |
| Anscombe, G.E.M. |
| 1961 ‘Aristotle; The Search for Substance’, in:Anscombe, G.E.M./Geach, P.T., Three Philosophers, Ithaca (N.Y.):Cornell U.P., 1-64 |
| Aristoteles |
| Metaphysics, edited and translated by J. Warrington, London/New York: |
| Dent/Dutton 1956 |
| De Poetica, translated by I. Bywater, Oxford:Oxford U.P. 19664 |
| Bakhtine, M. |
| 1970 Problèmes de la poétique de Dostoïevski, Paris:L'âge d'homme (= Problemi poetiki Dostoievskovo, 1963) |
| Bierwisch, M. |
| 19693 ‘Poetik und Linguistik’, in:Kreuzer, H./Gunzenhäuser, R., Mathematik und Dichtung, München:Nymphenburger, 49-65 |
| Bierwisch, M./Kiefer, F. |
| 1969 ‘Remarks on Definitions in Natural Language’, in:Kiefer, F. (ed.), Studies in Syntax and Semantics, Dordrecht:Reidel, 55-79 |
| Borges, J.-L. |
| 1957 Enquêtes 1937-1952, Paris:Gallimard (= Otras Inquisiciones, 1952) |
| Brecht, B. |
| 1967 Gesammelte Werke, Bd. 8 (= Gedichte, Bd. 1), Frankfurt am Main:Suhrkamp |
| Carnap, R. |
| 19662 ‘The Elimination of Metaphysics through Logical Analysis of Language’, in:Ayer, A.J. (ed.), Logical Positivism, New York:The Free Press, 60-81 (= 1932) |
| Caron, M./Hutin, S. |
| 1959 Les alchimistes, Paris:Seuil |
| Cummings, D.W./Herum, J./Lybbert, E. |
| 1971 ‘Semantic Recurrence and Rhetorical Form’, in: Language and Style 4:195-207 |
| Deleuze, G. |
| 1969 Logique du sens, Paris:Minuit |
| Derrida, J. |
| 1967a De la grammatologie, Paris:Minuit |
| 1967b L'écriture et la différence, Paris:Seuil |
| Van Dijk, T.A. |
| 1971 ‘Foundations for Typologies of Texts’, Paper presented at the International Symposium on Semiotic Poetics ‘La classification des textes littéraires’, Urbino (Italy), July 17-23, 1971 (mimeo) |
| Van Dijk, T.A./Ihwe, J./Petöfi, J./Rieser, H. |
| 1971 ‘Textgrammatische Grundlagen für eine Theorie narrativer Strukturen’, in: Linguistische Berichte 16:1-38 |
| Dubois, J. ea. |
| 1970 Rhétorique générale, Paris:Larousse |
| Genette, G. |
| 1966 Figures, Paris:Seuil |
| Greimas, A.J. |
| 1966 Sémantique structurale, Paris:Larousse |
| Harris, Z.S. |
| 1965 ‘Transformational Theory’ In: Language 41:363-401 |
| Hausenblas, K. |
| 1966 ‘On the Characterization and Classification of Discourses’, in: Travaux linguistiques de Prague 1:67-83 |
| Ihwe, J. |
| 1971 ‘Kompetenz und Performanz in der Literaturtheorie’, in:Wunderlich 1971:287-299 |
| Jauss, H.R. |
| 1969 ‘Paradigmawechsel in der Literaturwissenschaft’, in: Lingustische Berichte 3:44-56 |
| 1970 Literaturgeschichte als Provokation, Frankfurt am Main:Suhrkamp |
| Kristeva, J. |
| 1969 Sémeiotikè; Recherches pour une sémanalyse, Paris:Seuil |
| Kronhausen, E. & Ph. |
| 1959 Pornography and the Law, New York; Ballantine |
| Kummer, W. |
| 1971 ‘Referenz, Pragmatik und zwei mögliche Textmodelle’, in:Wunderlich 1971:175-188 |
| Mann, Th. |
| 1968 Schriften und Reden zur Literatur, Kunst und Philosophie, Bd. 2, Frankfurt am Main:Fischer |
| Mulisch, H. |
| 1961 Voer voor psychologen, Amsterdam:De Bezige Bij |
| Nabokov, V. |
| 1961 Bastaards, Amsterdam:Van Oorschot (= Bend Sinister, 1947) |
| 1962 Lolita, London, Transworld Publishers (= 1955) |
| Oversteegen, J.J. |
| 1969 Vorm of vent, Amsterdam:Polak & Van Gennep |
| Popper, K. |
| 1966 Logik der Forschung, Tübingen:Mohr (= 1934) |
| Propp, V. Ja. |
| 1970 Morphologie du conte populaire, Paris:Seuil (= Morfologija Skazki, 1928) |
| Reichenbach, H. |
| 1966 Elements of Symbolic Logic, New York:The Free Press (= 1947) |
| Rieser, H. |
| 1971 ‘Allgemeine textlinguistische Ansätze zur Erklärung performativer Strukturen’, in: Poetics 2:91-118 |
| Rohrer, Chr. |
| 1971 ‘Zur Theorie der Fragesätze’, in:Wunderlich 1971:109-126 |
| Searle, R. |
| 1969 Speech Acts, Cambridge:Cambridge U.P. |
| Schmidt, A. |
| 1971a Nachrichten von Büchern und Menschen, Bd. 1. Frankfurt am Main:Fischer |
| 1971b Nachrichten von Büchern und Menschen, Bd. 2, Frankfurt am Main:Fischer |
| Schopenhauer, A. |
| z.j. Die Welt als Wille und Vorstellung, Köln:Atlas Verlag (= 1819) |
| Staiger, E. |
| 1971 Die Kunst der Interpretation, München:Deutscher Taschenbuch Verlag (= 1955) |
| Todorov, T. |
| 1968 ‘Poétique’ in Ducrot, O. ea.: Qu'est-ce que le structuralisme? Paris:Seuil, 97-166 |
| 1971 Poétique de la prose, Paris:Seuil |
| Valéry, P. |
| 1960 Oeuvres, tome 2, Paris:Gallimard |
| Verdaasdonk, H. |
| 1971 Bespreking van P. Laurette: Le thème de l'arbre chez Paul Valéry, in: Rapports/Het franse Boek 41:66-69 |
| 1972a ‘Analyciteit en rhetorika’, in: Spektator 1:142-159 |
| 1972b -verschijnt-‘Das Problem der Mimesis in der narrativen Theorie’ |
| Vestdijk, S. |
| 1958 De Poolse ruiter, Den Haag:Bakker/Daamen |
| Wienold, G. |
| 1971 ‘Textverarbeitung:Ueberlegungen zur Kategorienbilding in einer strukturellen Literaturgeschichte’, in: Zeitschrift für Literaturwissenschaft und Linguistik 1:59-89 |
| Wunderlich, D. (Hg.) |
| 1971 Probleme und Fortschritte der Transformationsgrammatik, München:Hueber |