In de poëzie van de zestiende-eeuwse Engelse dichter George Herbert bewonderde zijn tljdgenoot Richard Baxter vooral het samengaan van ‘Heart-work’, ‘Heaven-work’ en ‘Head-work’. Ik vind dat nog altijd een mooie en eenvoudige aanduiding van wat de beste van Herberts religieuze verzen zo bijzonder maakt: de dichter als vakman verliest het nooit van de bewogen religieuze mens, zoals de kenner van theologie en Schrift de devotionele man niet te veel gemakkelijke kansen geeft. En het perspectief waarop hart en hoofd in hun samenspel zich richten, is de hemel; achter bijna elk ‘nu’ komt bij Herbert ‘morgen’ te voorschijn. In sommige verzen uit zijn The temple herken je gemakkelijk een leer, maar het zijn de dichter en diens bewogenheid die de leer levend maken. Iedereen zal bijvoorbeeld in het tweede vers dat onder de titel ‘The H. Scriptures’ staat, een bepaalde Schriftuitleg herkennen; de theorie komt hier lyrisch tot leven:
En dan eindigt het sonnet met de volgende regels, waarin ineens het genoemde perspectief:
Of je de uit dit vers sprekende opvatting over de Schrift nu deelt - alle woorden in het totaal van het boek hebben met elkaar te maken, alles echoot in elkaar en, als bij de Vaders, je kunt het boek niet open slaan of het gaat over hetzelfde en ook over de lezer, - ze getuigt in elk geval van een eerbied voor de bijbel die, om maar eens een net woord te gebruiken, ‘voorbeeldig’ genoemd kan worden. En het is ook een opvatting van waaruit een der gaafste boeken die in de geschiedenis gegroeid is, het Missale Romanum, geschreven werd. Want hoe verkondig je anders de verrijzenis en de bezinning daarop in drie verzen uit de 138ste psalm, zoals in de introitus van Pasen gebeurt (of gebeurde).
Misschien is bewondering de beste inleiding op verontwaardiging; de laatste wordt er ook een beetje door getemperd want gerelativeerd, althans het voorwerp van de woede wordt betrekkelijker. En om de kwaadheid en de troep die mijn woede wekte, nog een beetje meer te relativeren, citeer ik nog maar even iets bijzonders, ook al omdat de indruk gewekt zou kunnen worden dat alleen mooi is wat je van verre haalt. Gedichten hebben het vermogen lang donker te blijven en dan plotseling bij de zoveelste lezing aan te gloeien. Dat gebeurde mij onlangs bij een klein vers van cummings, dat naar geest vermoedelijk dichter bij de meesten van ons staat dan de schriftuurlijke lyriek van de vrome Herbert. Het luidt zo:
Tussen het bijna overlopende boek van Herbert en hele geslachten voor hem en nog na hem, en de ‘loneliness’, ook van de dichter, bewegen wij ons. Maar, en nu word ik maar meteen rechtstreeks, dat geeft niemand het recht, vanuit welke pastorale bewogenheid ook, met - excuses - zijn poten aan de Schrift te komen. Men mag wat mij betreft glimlachen om de wetenschappelijke of historische naïveteit van de man die die Paas-introitus ooit schreef, stijl valt hem niet te ontzeggen, en, vanuit zijn opvatting, visie evenmin. Maar wat willen de barbaren die zich verschuilen achter een of andere liturgische groepering, Midden onder U geheten, en die met het etiket ‘experimenteel’ een liturgie voor de paasnacht de wereld instuurden van het niveau Shakespeare vertaald door Johnny Hoes of Rijk de Gooyer, met muziek van het Cocktail-trio, zullen we maar zeggen.
Ik verplaats me nu maar even in de gedachtenwereld van de creatievelingen die die ‘experimentele’ teksten op hun althans literair en bijbels platgereden geweten hebben. Kijk, redeneerden ze, dat scheppingsverhaal als in het boek Genesis opgenomen, dat is zo oud. Dat komt bij de moderne mens niet meer over, dat geeft een stuk communicatiestoornis bij de huidige mens uit het technologische tijdperk, en zo zullen er nog wel meer gemeenplaatsen op de tafel van de werkgroep zijn gekomen. Geef maar hier, zei een pater, of een leek of een lekepater, ik zal dat boek wel eens herschrijven. En daar rolt een nieuw scheppingsverhaal uit de machine. En alles wat ik nu zeg, heeft niet met gelovig zijn of niet-gelovig zijn te maken. Iedereen met nog enige eerbied voor teksten van een zeer hoog niveau zal hier, al gelooft hij nog zo weinig, in elk geval ook zijn ogen niet meer geloven. Het gaat zo, ‘Eerste lezing’ staat er boven:
We mogen dan allemaal tolerant zijn, maar tegenover dergelijke barbarij past geen enkele vorm van verdraagzaamheid. Dat iemand in zijn vrije tijd de bijbel gaat zitten herschrijven, valt te vergeven, al lijdt die hobbyist dan wel aan enige zelfoverschatting. Er zijn ook mensen die het wereldrecord een gat in de lucht springen trachten te verbeteren. Maar dat een min of meer officiële instantie iemand met dit resultaat op een Schrift-tekst loslaat en dat nog publiceert ook en het in kerken wil laten gebruiken, is geen zeven maal zeventig maal te vergeven.
Enfin Gods rewriter pakte de zondeval ook nog even mee en dat begint dan zo:
Het laatste woord acht ik bijzonder mooi, vermoedelijk betreft het de vrouwelijke pendant van adamsappel. Maar laat ik over deze experimentele schenderij maar zwijgen. Van de grote protestantse theoloog Noordmans is de volgende uitspraak (het staat in zijn magistrale boekje Augustinus):1 ‘Het latijn is een taal, waarin het woord aan de gedachte krap aangemeten is. Het is een tempeltaal, die zo sober en zo kort mogelijk het heilige zwijgen verbreekt’. De katholieke kerk begint zijn latijn kwijt te raken. Het moet heel velen wel tot zwijgen gedwongen hebben. En achteraf en met de resultaten van sommige liturgieschrijvers voor je, kun je niet anders zeggen, dan ‘gelukkig’. Zwijgen kan althans nog stijl doen vermoeden. De taal loopt nu de mond uit, door geen enkele gedachte in vorm gehouden, bij sommigen althans.
Want, al ben ik geen verzamelaar van ergernissen, ik heb in enkele jaren wel zoveel Nederlandse liturgie-teksten onder ogen gekregen, dat ik onmogelijk kan ontkennen, dat in veel gevallen stijlloosheid tot norm is verheven. En dat alles gaat dan onder het mom van verstaanbaarheid, want de massa gelovigen is zo onrustbarend dom, zoals men zeer elitair redeneert. In een in veel Nederlandse kerken gebruikt boek dat ‘Randstadbundel’ heet, staat bijvoorbeeld een ‘Eucharistisch gebed’, waarvan ene P. Chapel de tekst heeft gemaakt. En daarin figureert deze strofe, waaruit men in elk geval kan zien, dat het literatuuronderwijs op de middelbare scholen niet vergeefs is en dat Kloos toch meer was dan een maker van vijf malle sonnetten, zoals nog enkele jaren geleden door een Nederlands dichter werd gezegd:
Er zal nog wel een paas-canon komen beginnend met de verheven woorden ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, - mogelijkheden te over.
Al werkt, althans voor mij, het rijm in poëzie en ernstig
lied nauwelijks - de grondige omwenteling in de poëzie, die geheel nieuwe verbindingsmiddelen heeft voortgebracht, is voor de devaluatie van het rijm verantwoordelijk - in heel goede gevallen blijkt de kunst sterker dan de leer. Hogeschoolvoorbeeld van berijming vind ik de tweede strofe van de honderdvijftigste psalm, zoals die is opgenomen in de ‘Nieuwe berijming van de interkerkelijke stichting voor psalmberijming’. Nijhoff is er verantwoordelijk voor:
Aangetekend moet worden dat Nijhoff aan een bepaalde melodie gebonden was. Nijhoff was een vakman als weinige Nederlandse dichters van deze eeuw, zoals de regels vier en vijf met hun woordenspel, dat niet zonder betekenis blijft, kunnen bewijzen. Maar het gaat er in liturgieteksten steeds meer op lijken, dat niet dichterschap en vakmanschap eerste voorwaarden zijn voor het schrijven van liedteksten. Iedereen die ooit door Sinterklaas is lastig gevallen, schijnt zich voor de eredienst uit te spannen. ‘Heart’ genoeg, maar nauwelijks ‘head’. Afschrikwekkende voorbeelden te over. Wie durft er na dat alles nog aanmerkingen te hebben op de zo veel gesmade liederen van vroeger? ‘Lied’ heet een soort canon die zo begint. Wie het begrijpt, mag het zeggen:
Maker van dit vage fraais onbekend; hij wordt althans niet vermeld.
Nu kan het een troost zijn, dat niet alleen de katholiek rijmen voor brood krijgt. In een bij J.N. Voorhoeve te Den Haag verschenen boek dat - natuurlijk, gezien het utopistisch karakter van vele teksten hierin en erbuiten - Een nieuwe schepping heet, heeft Hans Bouma, predikant te Heerhugowaard, vijftig door hem geschreven liedteksten bijeengebracht. Geloven zingenderwijs is ook al gemeenplaatserig de ondertitel van het boek. Had een of andere dichter maar nooit de uitdrukking ‘schrijvenderwijs’ gebruikt. Wat deze Hans Bouma er van maakt gaat alle kerken te buiten. Het wordt tijd naast het mannelijk en vrouwelijk rijm als derde categorie het religieuze rijm te gaan onderscheiden. De eigenheid ervan is het ongerijmde. Al woon ik dan niet in Heerhugowaard, - maar wat moet ik met een couplet als dit, het eerste van ‘Het lied van de geestdrift’:
Het eerste deel van de voorlaatste regel is een mooi voorbeeld van een in deze soort teksten veel gebruikt procédé (dat het ooit in de poëzie gedaan heeft): een dagelijkse uitdrukking dubbelzinnig gebruiken. Wat in de poëzie
achterhaald is, zeker op dat niveau, bloeit als onkruid in het lied.
Het laatste woord aan Herbert. De eerste strofe van zijn vers ‘Church-musick’ krijgt een ironische betekenis na het voorafgaande.
Als melancholische terugblik op wat geweest is, hoeft men dit niet te lezen. Het verleden wás mooi, maar is verleden. Maar daarom behoeft het heden niet zo ergerlijk te zijn, als het nu het geval is. Al wordt het onderhand zinloos je er druk over te maken.