men zich niet verwonderen, dat men te Suriname, gelyk ik gezegd hebbe; juist dezelfde vruchten niet vindt als in Europa, naardien men 'er daar en tegen eene menigte anderen ontmoet, welken ik durve zeggen die van Europa te overtreffen. Dit zal ik in dit Hoofdstuk zoeken te bewyzen, door alle de vruchten afzonderlyk, en onder dezelfde naamen, daar ze by bekend zyn, zo van de Inboorlingen des lands, als van de alhier woonende Europeaanen, op te geeven, op dat zy, die herwaarts komen willen, zo veel kennis mogen erlangen, als noodig is om zich dezelven te bezorgen.
+Onder alle de vruchten van Europa, is 'er zekerlyk geene die by de Ananas in voortreffelykheid haalen kan. Van deze vrucht zyn drie soorten, welken door hunne figuur onderscheiden worden.
De eerste soort(a) is zeer groot en wit, hebbende acht duimen middellyns, en vyftien of achttien duimen hoogte; als de vrucht ryp wordt, wordt de schil geel, maar het vleesch is wit en vezelachtig, en hoewel zy op het oog 'er wel uitziet, is zy echter de beste niet van de drie soorten, om dat zy eenigzins scherp is.
De tweede soort(b) heeft eene piramidaale en kegelachtige figuur, en smaakt oneindig beter dan de voorgaande.
De derde soort(c) is rood, en overtreft de twee andere soorten in voortreffelykheid.
De vrucht van alle deze soorten draagt verscheidene bladen, gelykende naar die van een' roozenboom; dezelven zyn twee of drie voeten lang, ligt groen van kleur, als gooten uitgehold, en getand. Uit het middelpunt verheft zich een steel van twee voeten hoog, zo dik als een vinger en met eenige bladen voorzien. Aan het boven einde van dezen steel zit een roos, bestaande uit verscheidene zeer korte bladen, die vuurkleurig zyn, en de vrucht bedekken, welke allengs grooter wordt, en de gedaante krygt van een zuiker-brood. Haar hoofd is gedekt met eene kroon van kleine bladen, zynde van dezelfde soorte als die van den steel, welke haar gedraagen heeft; doch kleiner en tederder. Deze kroon afgesneeden en in de aarde gestoken zynde, draagt binnen het jaar vrucht. De smaak en de reuk beantwoorden aan haare fraeiheid. Zy smaakt veel naar persikken, en zekere peeren, Bon-Chretiens genoemd, doch nog meer naar aardbezien, als men ze in stukjes snydt, en met rooden wyn en zuiker eet. Ook confyt men wel de gansche vrucht met de kroon, om ze naar Europa te zenden; doch dan moet zy zeer jong zyn. Van het sap, welk men 'er uitdrukt, maakt men wyn, die naar Malvesie wyn smaakt, en schielyk dronken
maakt. Deze Ananas wordt byna in alle plantagiën aangekweekt, om dat dezelve zeer vervrisschende is; het aanmerkelykste is, dat zy schoon de voortkweeking niet veel geld noch moeite kost, echter door de slaaven, die 'er grooten handel in dryven, van vyf tot acht stuivers Hollandsch geld, op de markt, vekogt worden.
+De Pompelmoes(d) is een andere vrucht, die ook haare verdiensten heeft. Het is een soort van Oranje appel, zo dik als een kinder-hoofd van acht of tien jaaren, van smaak als aardbeziën, of liever druiven, hebbende een zeer bittere schil, zo dik als een vinger, 't welk echter niet belet, dat de vrucht zeer verfrisschende en gezond zy. Het vleesch is uitsteekend lekker om deszelfs aangenaame rinsheid.
Men kan 'er van eeten zo veel men wil, zonder te vreezen, dat zy kwaalyk bekomen zal.
Van deze vrucht zyn twee soorten; de eene is wit van vleesch en de andere rood. Zy wascht op eene soort van Oranje-boom, die byna in alle Plantagiën aangekweekt wordt. De Negers verkoopen ze ook op de markt voor vyf stuivers het stuk.
+Men behoeft niet te twyfelen, of de Oranje-boomen zyn uit Asie of China oorsprongklyk, dewyl de Portugeesen of Spanjaarden dezelven te Suriname gebragt hebben; maar
tegenwoordig vindt men 'er zo veel in de Kolonie dat ze 'er, om zo te spreeken als genaturaliseerd schynen te zyn.
Men onderscheidt 'er drie soorten van: zuuren, zoeten en die van China, welken men in 't land Chinaas appels(e) noemt.
De eerste soort, naamlyk de zuuren, zyn het minst geacht. Men gebruikt ze gemeenlyk, om 'er de spysen, die opgedischt worden, mede te vercieren, of om de huisen schoon te maaken, dezelven eenen goeden reuk te geeven, frisch te houden en voor ongedierte te beveiligen. Het sap wordt echter met zeer veel baat gebruikt, om de Negers van oude zweeren te geneezen, als men ze daar mede wascht, 't welk niet alleen het slymige vleesch, dat de zweeren omringt, wegneemt maar de zweeren zodanig zuivert, dat men ze met het minst opdroogende middel kan geneezen. Dit verband, welk tweemaal daags herhaald wordt, is inderdaad zeer pynlyk, doch men is verzekerd van de geneezinge, hoe kwaadaartig de zweer ook weezen mag.
De zoete Orange-appels maaken de tweede soort uit, en gelyken zeer veel naar de eerste, behalve dat de schil dunner, en het sap zeer aangenaam en zoet is. Zy zyn zeer verfrisschende en dorstlesschende; men kan 'er zyn genoegen van eeten, zonder het minste ongemak te vreezen.
De Chinaas-appels maaken eindelyk de derde soort uit; om dat zy volkomen naar Portugeesche Oranje-appels gelyken; der zelver smaak is onuitspreeklyk zoet en ziukerachtig
De schil der twee laatstgenoemde soorten is zeer goed, om de maag en de harssenen te versterken, als mede om kwaadaartige stoffen tegen te gaan. De bloessem is enn goed middel voor het hoofd, de maag, de opstyging, en de wormen.
De Oranje-boomen zyn, gelyk ieder een weet, zeer fraeie boomen, die eenen zeer aangenaam riekenden bloessem voortbrengen: de bladen, waar van ze nooit ontbloot zyn, zyn van het allerschoonste groen.
+Ik geloof, dat de Citroen-boomen(f) zo min oorsprongklyk zyn van dit land als de Oranje-boomen. Dewyl deze boom al te bekend is om 'er my lang mede op te houden, zal ik my bepaalen met te zeggen, dat zy 'er in een' grooten overvloed gevonden worden.
Echter vindt men 'er twee soorten van, waarvan de eene zeer zuur, en de andere zoet is. De eerstgenoemde heeft eene dikke en eenigzins hobbelige schil; de andere is dunner en effener. Men gebruikt de zuure citroenen veel in heete en kwaadaartige koortsen, om dat het sap de kracht heeft om den dorst te stillen, en de kooking en
gesting van de gal en het bloed te beteugelen, en eindelyk de verloorene krachten, weder te geeven. Derzelver schil wordt om haare bitterheid ook met veel baat gebruikt, tegen een' kwaaden adem, en om de maag te versterken. Zy worden tot zes Hollandsche guldens het honderd verkogt, ondanks de menigte, welke het land oplevert. De Negers dryven hier ook handel mede.
+Tusschen de Limoen-en Citroen-boomen is byna geen onderscheid, hebbende dezelfde hoogte en bladen; en de vruchten verschillen maar alleen hier in, dat de limoenen kleiner en ronder zyn dan de citroenen, en dunner schil hebben: het binnenste is insgelyks verdeeld in celletjes, daar het zaad in zit; maar het buitenste heeft niet volkomen dezelfde kleur noch smaak. Men gebruikt ze zo veel als de citroenen, en zelfs meer; want men bedient zich van het sap der limoenen om de hitte der koortsen te temperen in de hevige ziekten, en met een de gal te stuiten. Ook maakt men 'er gemeenlyk punch van, waarin zy zekerlyk boven het sap van citroenen te verkiezen zyn, als zynde zuurder. De Apothekers maaken 'er een syroop van; die in de geneeskunde van veel gebruik is.
+De Kaneel-apppel(g) is eene vrucht, niet grooter dan een gansen-ei; zy gelykt schier naar een' Pyn-appel. Haare schil, ter dikte
van een' halven vinger, is geheel doorzaeid met kleine zagte schubben, die eenigzins uitsteeken, en in den beginne fraei groen zyn, doch die verwelken, naar maate de vrucht ryper wordt.
De zelfstandigheid, welke deze appel bevat, is als zeer dikke room, hebbende, om de waarheid te zeggen, eene laffe doch by uitstek verfrisschende smaak. Men vindt 'er ook groot zwart zaad in. Zy wast aan boompjes, die in de hoven voortgekweekt worden.
+De Acajou-appel heeft eene langwerpige ronde gedaante, en is overtrokken met een' zeer dunne en gladde schil. Hy is vier duimen lang, en omtrent twee duimen dik. De boom, die deze vrucht draagt, gelykt naar een' peereboom, schoon de bladen met die van een' essen-boom, en de schors met de schors van een' eiken-boom veel overeenkomst heeft. Hy groeit zo hoog, dat de Negers van den stam, en dat wel uit een stuk, kanoo's of praeuwen maaken. De Indiaanen zyn de eenigsten, die deze vrucht onder het getal der eetbaare dingen brengen. De noot, welke zy bevat, heeft de gedaante van een nier uit een beest; en wordt de acajou noot genoemd, wier hout zo hard en dik is, dat men het naeuwlyks met een hamer aan stukken kan slaan. Zy bevat een schoon pit, van maakzel als de dop, dat weder bedekt is met een bruin vliesje, zo dik als een blad papier. Dit pit is uitneemend wit, vast in een gedrongen,
olieachtig, en overtreft in smaak oneindig de amandels, haazenooten en meer andere diergelyke vruchten. Versch zynde wordenze gegeeten met zout, gelyk walnooten. Deze nooten kunnen overal vervoerd, en lang bewaard worden. Ik heb 'er in myn kabinet, die tegenwoordig by de tien jaaren oud zyn; zy hebben, is waar, iets van hunne olie en geur verlooren, maar zy zyn evenwel nog eetbaar. De inboorlingen van het land hebben haar den naam van Ingui-Nooten gegeeven, 't welk betekent Indiaansche Nooten, om dat de Indiaan ons dezelven hebben leeren kennen.
Uit den zelfden boom druipt een zekere Arabische gom, die, in water geweekt, in plaats van 't sterkste lym dienen kan.
+De boom, draagende eene vrucht, die Avoacat genoemd wordt, is niet zeer gemeen in 't land; 't welk my wel zou doen gelooven dat hy 'er door de Spanjaarden is overgebragt, om dat hy by dat volk zeer gemeen is. Ik heb 'er maar drie gezien, in al den tyd, welken ik in de Kolonie doorgebragt heb; te weeten, twee in den tuin van den Heere Ladesma, te Paramaribo, en een in de Parakreek. Het is een schoone boom, die veel naar onze nooteboomen gelykt. Deszelfs hout en schors is grysachtig; de bladen zyn lang en puntig en niet zeer dik; de bloessem, welken hy draagt, komt voort als ruikertjes, en wordt gevolgd van eene vrucht, die 'er uitziet als een Bon-Chretien peer; haar vleesch, welk ik, zonder my te
bedriegen, by dat van een persik zou kunnen vergelyken, smelt van zelf in den mond; zy is bleek groen van kleur, en hout schier geen stand als zy ryp is. Binnen in de vrucht vindt men eenen steen, die omtrent rond, en iets hobbelig is, hebbende geen pit. Deze steen is niet harder dan een geschilde kastanje.
Deze boom begint ten einde van drie jaaren vruchten te draagen; men heeft my verzekerd, dat een afkookzel van zyne blaaden een uitsteekend middel is om den gestremden loop der maanstonden te herstellen.
+De Surinaamsche kerssen(h) hebben niet minder haare verdiensten dan die van Europa. Zy zyn vierkant hebbende inwendig een schillettje, gelyk de nooten, van welken ieder gedeelte eenen steen heeft. De smaak dezer kerssen gelykt veel naar dien van onze morellen; doch dan moeten zy zeer ryp zyn, want, als die hoedaanigheid 'er aan ontbreekt, zyn zy by uitstek zuur. De kleur is zo fraei rood als de onzen. Zy zyn heerlyk om te eeten; men konfyt ze met zuiker, en maakt 'er ook marmelade van.
De boom, die deze kerssen draagt, brengt alle drie-maanden, nieuwe vruchten voort, en gelykt ten naasten by naar den Granaat-boom.
+De Avoira wast aan eene soort van Palm-
boom(i) en heeft de gedaante van een hoender-ei. Haar schil is roodachtig en eenigzins dik; het vleesch is zo geel als goud; doch zy heeft niet veel vleesch om den grooten steen, dien ze bevat, welke hard en zwart is, en van de Negers tot ringen gemaakt wordt. Men zegt, dat het pit van dezen steen eene stoppende en zamentrekkende kracht heeft, en, by gevolg, goed is om den buikloop te stuiten.
Deze vrucht behelst ook veel olie, welke men 'er door afkooking van trekt; dit is eigenlyk de Palm-olie, die het vee tot een heerlyk voedzel strekt, om dat hetzelve daar zeer vet van wordt.
+De Maripa gelykt veel naar Avoira, behalve dat zy grooter en zo geel niet is. Zy wast op den Palm-boom, die gemeenlyk Chou-Palmist genoemd wordt. Haar steen is bruin, heeft dezelfde hoedaanigheden, en wordt op dezelfde wyze gebruikt als de voorgaande.
+De boom, die de Coumou draagt, is eene soort van Palm-boom(k) maar die kleiner is dan de twee anderen. Deze vrucht, die by trossen wast, gelyk de druiven, en een' steen bevat, is weinig grooter dan een haazenoot; de kleur is purperachtig en eenigzins blaeuw. De smaak is niet van de aller-aangenaamsten; doch men heeft een geheim om 'er eene soort van chokolade
van te maaken, die zeer goed is, en op de volgende wyze bereid wordt.
Men laat eene zekere hoeveelheid van deze kernen, een half uur lang, in kookend water weeken; dan vermorzelt men ze, en men laat alles gezamenlyk door een zeef druipen, waar na men 'er zuiker en kaneel by doet; deze vermenging heeft inderdaad de kleur van chokolade.
+De Mispelen(l) van Suriname verschillen met de Europeaansche, om dat zy geene steenen hebben, en van eene allerschoonste roode kleur zyn. Hun schil is zeer dun, en hun vleesch vast, wit, en eenigzins zuur van smaak; doch ryp wordende, worden ze zagt, en krygen eenen zoeten, wynachtigen en aangenaamen smaak. De mispelen, en de bladen van den mispel-boom zyn in 't algemeen zeer zamentrekkende; men bedient 'er zich veel van in gorgeldranken tegen de ontsteekingen in de keel. De boom, die deze vruchten draagt is middelmaatig van grootte, en wordt in verscheidene tuinen van de stad aangekweekt.
+De Zuur-zak is eene vrucht ten naasten by zo groot als een meloen, hebbende eene Piramidaale figuur, omtrent gelyk eene peer. De boom, welke dezelve voortbrengt, gelykt ook naar een' peereboom, zo om de hoogte als om de bladen. De schil is buitengemeen groen, en geheel be-
zaeid met kleine steekels. De zelfstandigheid van deze zuur-zak is weezenlyk als zeer dikke room, verfrischt zeer, en stilt den hevigen dorst door haare zuurheid.
+De Kocos-noot is zo groot als een menschen hoofd, eenigzins eirond, en zomtyds rond, hebbende drie ribben in de lengte, welke haar eenen driehoekingen vorm geeven. De dop van de noot is zeer dik, hard, houtachtig, en gerimpeld. Hy dient den Negeren, om water te scheppen, want zy booren 'er in 't midden een gat in, hechten 'er een steel aan, en geeven hem dus de gedaante van een' punch-lepel.
De boom van deze vrucht is een Palmboom(m), die zeer regt en hoog wast; deszelfs kruin eindigt in lange en breede bladen, die evenredig dik zyn: de bloessem is gelyk aan dien van andere Palmboomen. Hy bloeit alle maanden, en is, het gansche jaar door, voorzien van bloessems en vruchten, welken de eene na de andere ryp worden.
Als deze vrucht wel ryp is, heeft zy in haar midden zeven of acht duimen middellyns, en tien of twaalf duimen hoogte. De noot is bedekt met een bast, die zeer vast aan de vrucht gehecht en zamengesteld is uit grove vezels, gelykende naar vlas. Onder dezen bast vindt men een' dunnen, gladden en harden bast, die van zyne groe-
ne kleur verliest, naar maate de vrucht ryper wordt. De noot, van dezen bast ontbloot zynde, behoudt nog vyf of zes duimen hoogte, en is, in 't midden, van vier tot vyf, en aan 't einde van zes tot zeven duimen dik. Zy is zeer hard, bruin van kleur, met eenige draaden van een morssig graeuw, doormengd met kleine witte stippen. Het einde waar mede de vrucht aan den tak vasthangt, heeft eene opening, door welke de vrucht, naar alle waarschynlykheid, haar voedzel van den boom krygt. Wanneer men deze noot drukt, komt 'er een melkachtig, zuiker zoet, doch teffens scherpachtig vocht uit, in zulk een' overvloed, dat, als de noot nog jong is, dezelve daar van vol schynt; doch dit vogt vermindert naar maate de noot ryper wordt, om dat het zich verandert in eene zelfstandigheid, zo wit als sneeuw, en vaster dan een appel. De noot heeft, in deze staat van volkomene rypheid een' bast van omtrent vier of vyf linien, dikte, en wordt gezaagd om 'er de zelfstandigheid uit te haalen, welker smaak naar haaze-nooten en sloelen van artichokken gelykt; ook wordt ze met zout gegeeten, en is gemaklyk te verteeren. De Negers verkoopen ze tegen tien stuivers het stuk.
+De Vygeboomen komen in dit land meest van stekken voort, en draagen het gansche jaar door, mits men zorge, den wortel met mest te bedekken. De vruchten welken deze boom voortbrengt, zyn dezelfde
als die van Europa, behalve, dat zy, van binnen en buiten, zo rood als bloed zyn. Derzelver smaak is zeer aangenaam. Men vindt 'er, die buitengemeen groot zyn.
+De boom, die de Goyava(n) voortbrengt is middelmaatig van grootte, en bloeit tweemaal 's jaars; hy is zo gemeen, dat men hem niet alleen in bebouwde landeryen, maar zelfs in weiden en bosschen vindt, om dat hy ligt overal opschiet, daar zyn zaad valt, waarvan hy binnen drie jaaren eenen boom, voortbrengt, die by de dertig jaaren vruchten draagt.
De Goyava gelykt naar eenen Renet-appel, uitgezonderd, dat zy op haar kruin eene kroon heeft, ten naasten by gelyk de mispels. De schil of schors is ruuw en vol van oneffenheden. In den beginne is zy groenachtig en wrang; maar ryp wordende, krygt zy eene bleek-geele citroen kleur. Daar zyn twee soorten, waarvan de eene, eene roode, en de andere eene witte zelfstandigheid bevat, doch in de schil van beide de soorten is het minste onderscheid niet. Deze vrucht verdeelt zich, inwendig, in vier deelen, welken ieder een klein en beenachtig zaad behelzen. Zy is zo goed en gezond, dat men 'er altyd van eeten kan: indien men 'er, by voorbeeld van nuttigt als zy doorryp is, dan ontbindt zy, doch niet ter dege ryp zynde, stopt zy. Men maakt 'er goede korsten van, en ingemaakt zynde smaakt zy heerlyk. De wor-
tel van den boom is zeer zamentrekkende, en wordt zeer gepreezen tegen den rooden loop.
+De boom, die de Granaaten(o) voortbrengt, anderzins Granaat-boom genoemd, is zeer klein, en heeft by gevolg redelyk dunne takken, welken hoekig, met eene roode schil bedekt, en met styve steekels gewapend zyn. Derzelver bladen wassen zonder order, en hebben eenige gelykenis met de bladen van den Grooten Myrteboom; tusschen de vingers kort gewreeven, geeven zy eenen sterken en onaangenaamen reuk. De bloessem, zo rood als scharlaken, wordt gevolgd door den Granaat-appel, die byna zo groot is als een Renet-appel, en eene kroon heeft, die aan weêrskanten eenigzins plat, is. De schil van deze vrucht is van buiten rood, gerimpeld, zo dik als leer, en bros. De Granaatappel verdeelt zich, inwendig, in kleine celletjes, vol kernen, welken digt op een geplakt, vleezig, en van eene schoon roode kleur zyn, een aangenaam en smaaklyk sap hebben, en ieder een langwerpig zaad bevatten, welk, meesten tyd, onregelmaatig en geelachtig is. Daar zyn 'er van twee soorten; doch ik ken 'er geenen, dan die ik beschreeven heb, en die de eenigsten zyn, welken men in de tuinen aankweekt.
+De Sapadille-appel is eene vrucht, welke
men houdt voor eene der besten van't land; maar die ik niet beminnen zou, om haare al te groote zoetheid. Deze appel is niet grooter dan een hoender-ei, maar zo rond als een bal. De schil is als fluweel, kaneel-kleurig en eenigzins dik. De zelfstandigheid dezer vrucht gelykt naar marmelade, en heeft eenen hooningachtigen en eenigzins laffen smaak. Zy verdeelt zich in huisjes, gelyk een oranje-appel, waarvan ieder een zwarte eironde en zeer dikke kern bevat, welke het zaad dezer vrucht is. De boom is zeer groot, en moet vyf of zes jaaren oud zyn eer hy vruchten voortbrengt.
+Ik zou wel haast gelooven, dat de Tamarinde-boom, door de Spanjaarden, in Amerika is overgebragt, en zich daar ongevoelig als genaturaliseerd heeft. Hy is zo groot als een nooteboom, doch zwaarder van kruin. Deszelfs stam is zeer regt en rond, bedekt met eene bruine, dikke en gespleetene schors. De takken zyn lommerachtig, en spreiden zich, van alle kanten, evenredig uit. De bladen, die 'er beurtelings, en altyd twee aan twee aangeplaatst zyn, zyn lang, smal, redelyk sterk, en bleek-groen van kleur. Op den bloessem (die voortkomt als trossen, welken gedraagen worden door dunne steelen, en zamengesteld zyn uit drie rooskleurige kelken) volgen de vruchten, Syliques genoemd, welken by bosjes groeien, ter dikte van den kleinen vinger, en ter lengte van vyf of zes duimen, en in den beginne
groen zyn, doch bruin worden naar maate der rypheid. Dezelven zyn vervuld met graeuw vleesch, welk kleine vruchten, bevat, ten naasten by als boonen, die in den beginne redelyk malsch, en paars van kleur zyn, en eenen zeer aangenaamen rynschen smaak hebben.
Deze vruchten worden geconfyt, in haar geheel, of zonder de doppen, wel voor dat zy ryp, doch altyd voor dat zy droog zyn. Het vleesch dezer vrucht is niet alleen zeer verkoelend, maar teffens eenigzins los maakend, en echter zamentrekkend. Geconfyt zynde, is zy van groot gebruik, om dat zy, door haare aangenaame zuurheid, de overtollige beweeging der vogten stilt. Ook doet zy de koorts bedaaren, naardien zy verkoelt, en den dorst lescht, vooral in aanhoudende koortsen.
+De wyngaard heeft veel werk om in dit land te aarden, om dat 'er de lucht, hoe heet die anders ook zyn moge, te vogtig is, waar door de druiven te vroeg en ongelyk ryp worden; want de zelfde wynstok brengt te gelyk, volkomen rype, half rype en gantsch onrype druiven voort. Het was niets, indien deze zelfde druiven, die op den zelfden tyd niet ryp worden als de anderen, echter noch ryp wierden; doch de tegenstrydige jaargetyden beletten zulks, en men verzamelt 'er weinig die eetbaar zyn; te meer om dat men den meesten tyd, deze drieërleie soorten aan denzelfden tros vindt, waarvan de rypsten
evenwel niet zo vleezig, noch sappig zyn, en derhalven ook zo aangenaam niet om te eeten, als de onzen. Het eenigste voordeel, dat men 'er by heeft, is, dat de wynstok tweemaal 's jaars draagt. Daar zyn 'er evenwel, die zeer goede druiven voortbrengen, naar de goede gesteldheid van den grond; doch dezen zyn zeldzaam, en men heeft my verzekerd, dat de druiven beter werden, naar maate de wynstokken verouderden.
+De Marcoujas is eene zeer vleezige vrucht, welke niet grooter is dan de granaat-appel van dit land, hebbende eene eironde gedaante, en de kleur van een' Oranje-appel, wanneer zy volkomen ryp is. Haare zelfstandigheid is eene soort van een gelei, of lil, welke eene aschgraeuwe kleur en eenen zuurachtigen of wrangen smaak heeft. Zy bevat verscheidene zaaden, welken eirond, segrynachtig en taamelyk goed van reuk zyn. Als men deze vrucht wil eeten, opent men dezelve gelyk een ei, en men slorpt het sap, of de genoemde gelei, 'er met veel smaak uit.
Deze Marcoujas wast aan eenen boom Mangle genoemd.
+De boom, daar de Papaye aan wast, is omtrent vyf en twintig voeten hoog. Hy is zo dik als de dye van een' man, van binnen hol en sponsachtig, en zo week, dat men hem met éénen slag van een' sabel midden door kan hakken. Hy wast gemeenlyk in de bosschen, en andere wilde plaatsen, en schiet in weinig tyds op. De
boom is tot op de helft van zyne hoogte schier naakt, maar de andere helft, naar boven toe, is bekleed met bladen, naar die van eenen vygeboom gelykende. Men vindt 'er twee soorten van; de eerste is van het vrouwelyk,(p) en de tweede van mannelyk geslacht.(q)
De eerste soort draagt, het geheele jaar door bloessem, en bygevolg, vruchten, die ondersteund worden door lange steelen, en zeer digt aan den stam van den boom uitkomen, alwaar de steelen van de bladen beginnen zich te laaten zien. Ieder bloessem is zo groot als een kalmus bloem, en bestaat uit vyf geele bladen, riekende als lelien van dalen.
De vrucht van deze soort is niet grooter dan een groote kwee-appel, hebbende de gedaante van een' komkommer. In 't eerst is zy groenachtig, en vervolgens geel; doch men moet met de vrucht noch bloessem niet wagten tot dat zy ryp zyn om ze met zuiker te konfyten; de bloessem is een heerlyk middel, als bezittende de kragt om de maag te versterken.
De tweede soort brengt eene vrucht voort zo groot als een meloen, welke men volkomen ryp laat worden. Dan is haar vleesch zo geel als goud, en goed om te eeten, maar 't moet gekookt zyn; anders is 't al
te verkoelend en schadelyk voor de gezondheide.
Beide deze soorten behelzen zaad, welk zeer goed is tegen de scheurbuik.
+De boom, daar de Mamis(r) aan wassen, wordt zeer groot; men beweert, dat men 'er ook een mannelyk en vrouwelyk geslacht onder vindt, waarvan het onderscheid aan de vrucht moet gezien worden; om dat de vrucht, welke de boom van het vrouwelyk geslacht voortbrengt, nooit meer dan eenen steen heeft, daar in tegendeel de anderen 'er twee en zelfs drie hebben. Het hout van de eene en andere soort is witachtig. Deszelfs vezels zyn dik en taei. De schors is graeuw en tamelyk glad. De bladen hebben de lengte van zes tot acht duimen, langwerpig rond, iets puntig aan het einde, redelyk dik, en van eene fraeie groene kleur; zo dat de takken, die 'er zeer wel van voorzien zyn, eene verrukkende schaduwe maaken. De vrucht gelykt niet kwaalyk naar een kanons-kogel, hebbende byna eene ronde figuur. Zy heeft van zes tot acht duimen middelyns, en is overtoogen met eene roodachtige schil ter dikte van een' halven vinger die zo buigzaam is als leêr, en weg gedaan wordt, als of men de vrucht schilde, of gelyk men met een' perzik leeft, wanneer men 'er het vel afdoet. Onder de-
ze schil vindt men nog een geelachtig vliesje, zittende vast aan het vleesch, welk ook geel en vast is, en een' aangenaamen balzem geur verspreidt. Men eet de vrucht gesneeden in schyfjes. Binnen in zit een steen, zo groot als een duiven-ei, die aan de eene zyde plat, hobbelig en hard is, en een wit en zeer bitter pit bevat. Het is zekerlyk een der beste vruchten, welken ik kenne, hebbende eenen heerlyken smaak, en eenen reuk zo aangenaam dat men denzelven in geen acht dagen kan vergeeten. Men maakt 'er marmelades en taarten van, die wy, by geene mogelykheid, van onze beste Europeaansche vruchten zo goed kunnen maaken.
+De Marmeladedoos zyn niet grooter dan perzikken, hebbende eene eironde figuur, en eene schil, welke ruuw en geel is, en naar die van tuinboonen gelykt. De zelfstandigheid dezer vrucht is eene soort van moes van eene roodachtige kleur, welke men met een koffylepel eet, en goed smaakt voor de geenen, die 'er van houden. Derzelver zaad heeft overeenkomst met dat der kleine linsen.
De boom dezer vrucht is eene soort van palm-boom, die niet hoog wast.
+De Monpés zyn geele, langwerpige, niet zeer vleezige, en redelyk smaakelyke vruchten. Zy maaken de tanden eggig, doch de reuk is verkwikkende. Men maakt 'er ook marmelade van, welke in kleur veel gelykt naar die van de Mamisis gemaakt wordt.
De boom,(s) die ze voortbrengt, is eene soort van grooten pruim boom.
+De Water-meloen is in dit land zeer overvloedig, en wordt, in alle tuinen, zonder moeite voortgekweekt. Men behoeft het zaad, dat zwart is, maar te zaeien, om 'er terstond vruchten van te hebben, welke vervaarlyk groot zyn. De Water-meloen heeft deze goede hoedaanigheid, dat men 'er van eeten kan zo veel men wil, zonder ongemak te vreezen. Hy verkoelt sterk. Ook maakt men geene zwaarigheid, om 'er den zieken, in 't heetste van de koorts, van voor te schryven. Daar zyn 'er van tweeërleie soorte waarvan de eene rood, en de andere wit vleesch heeft.
+Men geeft den naam van Cantaloupen aan eene soort van Fransche Meloenen, waarvan het vleesch rood en vast is, aangenaam riekt, en een' lekkeren en fynen smaak heeft. In een woord, men kan niets heerlyker eeten. Ook maakt men geene zwarigheid, om dezelven den zieken, in het heetste van de koorts, voor te schryven. Deze Meloenen, die eirond zyn, worden verbaazend groot, hebbende zeer zwaare, diepe en dikke ribben. Zy komen, zeer gemakkelyk, in allerleie soort van grond, voort. Om 'er van te hebben behoeft men maar alleen een gaatje, met een' stok in de aarde te maaken, en 'er drie of vier korrels van het zaad, welk geelachtig is, in te doen, en zorg
te draagen van hetzelve, indien het droog weêr is, te begieten; zie daar de geheele kunst.
+De Meloenen van Europa worden, in dit land, met hetzelfde gemak voortgekweekt, als de twee voorgaande soorten; doch het vleesch wordt 'er witachtig, trekkende een weinigje naar het groene, en heeft een' goeden smaak. Zy zyn rond, en hebben kleine ribben; haar schil is ook zeer zagt en dun. Men kan 'er van eeten zo veel men wil, zonder het minste ongemak te vreezen; vooral, wanneer men 'er een weinigje peper en zout by gebruikt.
Het zaad dezer twee laatste soorten is een der vier groote koude zaaden, welken dienen, om verkoelende dranken te maaken, en goed zyn om te gebruiken, als men verhitte ingewanden heeft, en met moeite water loost.
+De boom, die deze vrucht draagt(t) is zo groot als een peere-boom. De schors is wit en vol sap. De bladen zyn drie duimen lang, twee duimen breed, en altyd groen. Op den bloessem, welke als een trechter wast, volgt eene vrucht, die eenen steen heeft, van welken de Indiaanen eene soort van bellen maaken voor hunne danssen, en de dagen, op welken zy zich opschiken. Ik weet niet, of deze vrucht goed is om te eeten.
+Zie hier eene vrucht, welke wel verdient gekend te zyn, wegens het gevaar, dat 'er in steekt dezelve te eeten; men heeft haar den naam van Borst-appel gegeeven, om dat ze waarlyk de gedaante heeft van eene borst. De boom, welke deze vrucht draagt, is eene soort van Nacht-schade.(u) Deze appel is zo geel als goud, en heeft de gedaante van eenen grooten Renet appel, hebbende eene zeer dikkeschil, zy wast in de heggen, langs de weiden. Deszelfs zelfstandigheid is grysachtig van kleur, en bekwaam om iemand die 'er van eet, te vergeeven.
+De boom, die deze vrucht draagt, is een Palm-boom, gelykende naar een' Kokos-boom. Hy schiet zyne takken gelyk een koorn-schoof. De takken verspreiden zich als een Zonne-scherm, en neigen naar de aarde, naar maate het middelpunt nieuwen schiet. Zy gelyken ook naar die van den kokos-boom, behalve dat zy gewapend zyn met harde en redelyk lange steekels. De bloessem komt voort in dikke doppen, Elate genoemd; welke doppen opengaan, wanneer de bloessem zekere grootte bereikt heeft, brengende witte bloemen, als trossen geschikt, te voorschyn. De bloessem wordt gevolgd door de dadels of vruchten, waarvan ieder regime omtrent
honderd en vyftig bevat. De dadels zyn eenigzins langwerpig, zo groot als eene kleine noot, redelyk vleezig, geel van kleur en wat laf van smaak. Zy hebben eenen steen, die zeer hard, beenachtig, aschgraeuw van kleur is, en een' bitter pit behelst. Men geeft voor, dat deze vrucht den Indiaanen tot voedzel dient; doch dit durf ik niet verzekeren, en nog minder bepaalen, onder welken naam zy in het land bekend is.
+Schoon men drie soorten van Vanilla onderscheidt, zal ik echter maar alleen spreeken van die, welke men vindt in de plantagie Casse-Vinica, op het hooge land, zynde de eenigste die in 't land is.
De Vanilla is een kleine dop, nu eens rond dan eens plat, hebbende de lengte van zes of zeven duimen, en de breedte van den kleinen vinger, eindigende in een rimpelachtig punt, die ros, zagt, olieachtig, en uitwendig als eenigzins lederachtig is. Het vleesch, welk deze dop bevat, is rosachtig, gevuld met eene oneindige menigte zwarte en glimmende korreltjes; voor 't overige is het een weingje zuur, en heeft eenen lieflyken en aangenaamen reuk, veel naar der balzem van Peru gelykende.
De plant, die deze vrucht voortbrengt is eene soort van Volubilis siliquosa Mexica, die tien of twaalf voeten hoog is, langs de boomen opklimt en zich daar om slingert. Deszelfs bladen, ter lengte van omtrent tien
duimen, gelyken naar die van de plant, weegblad genoemd, doch zy zyn grooter en donkerder groen. Op den bloessem, die zwartachtig is, volgen de doppen, welken in den beginne groen, vervolgens geelachtig zyn, en bruin worden naar maate zy tot rypheid komen. Ter dege ryp zynde, worden zy geplukt, in de lommer gedroogd, en uitwendig met olie gesmeerd, om ze daar door weeker te maaken, 't welk belet, dat zy niet in stukken breeken.
De Vanilla behelst veele olieachtige, harsachtige en welriekende deelen, die men 'er door geest van wyn gemakkelyk uit kan trekken. Zy versterkt en verwarmt de maag, zet af, verdryft de winden, en verdunt de lymachtige vogten; zy is ook goed om de verandering der vrouwen te bevorderen, en het baaren gemakkelyk te maaken. De Engelschen houden haar voor een bekwaam middel, om de zwaarmoedige aandoeningen te verdryven; doch schoon zy daar toe goed is, moet men 'er echter met maate van gebruiken, om dat zy het bloed te veel doet gesten, door haare vlugge deelen. Iedereen weet, dat zy in de bereiding van chokolade gebezigd wordt.
+De Kalbas(v) is een boom, dien men in geene Plantagiën missen kan. Hy gelykt niet kwaalyk naar onze grootste appel-boomen. Deszelfs bladen zyn dik, vyf of zes
duimen lang, en eindigen puntig. De bloessem is blaeuwachtig, en van maakzel als klokjes; en komt, even als de vrucht, die zomtyds den grond raakt, zo wel op den stam van den boom, als op de takken. Na den bloessem, komt de vrucht, hebbende de gedaante van onze kalabassen en pompoenen. Men vindt 'er ronden en eironden, zommigen een', anderen twee voeten lang, van zes tot tien duimen middellyns. De schil is houtachtig en zeer hard, en het bovenste van dezelve is groenachtig en als fluweel. Het binnenste van de vrucht is verdeeld in ribben; gelyk de meloenen van buiten. Het geene tusschen deze ribben zit, is vervuld met draaden, die het vleesch aan het inwendige gedeelte van de schil vast hechten, en, een' aanvang neemende uit den omtrek, in 't hart van de vrucht eindidigen, en zich vereenigen om den steel te maaken, daar zy mede aan den boom hangt. Het vleesch is van dezelfde kleur als dat der pompoenen, en bevat weinig zaad.
Als de steel verwelkt en zwart wordt, is 't een teken, dat de vrucht ryp is; dan plukt men ze af, en men holt ze uit, gietende 'er kookend water in, om het merg of vleesch zo veel te spoediger te doen week worden; waarna men 'er een stok in steekt om de schil te breeken en het vleesch 'er uit te haalen. Dus uitgehold zynde, maaken 'er de Negers vlesschen, schotels, kommen, en in een woord, allerlei vaatwerk voor hun huishouden van. Daar zyn Negers die op het
buitenste van de Kalabassen, op hunne manier, loofwerk en andere aartigheden snyden, vervullende de sneeden met kryt, 't welk gansch niet onaartig staat, en schoon zy noch liniaal noch passer gebruiken, zyn deze tekeningen echter zeer regelmaatig en fraei.
Zie daar het gewoone vaatwerk, en keukengereedschap, zo der Negers als der Inboorlingen van 't land.
Men wil ook, dat het vleesch van deze vrucht, welk buitengemeen koel is, een voortreffelyk middel zy, als men zich gebrand heeft: ook wordt 'er een drank van gemaakt, daar men zich van bedient ter verkoelinge.
+Deze boom is eene soort Van Palm-boom(w) die zeer hoog opschiet, doch niet zeer dik is. De bladen zyn plat, en gemaakt als een waeier, welken, als ze komen te ontluiken, zich in verscheidene punten verdeelen, die eene star met verscheidene straalen uitmaaken. Het hout van dezen boom is zeer hard, maar niet dik; te meer dewyl het binnenste maar eene soort van vlas is, daar de Inboorlingen hunne korven en ander mandewerk van maaken.
+Dezen klimmen slangswyze rondom de boomen, welken zy ontmoeten, op, en tot de hoogste takken gekomen zynde, schieten zy draaden, die lynregt nedervallen, in de
aarde wortel vatten en wederom opschieten, klimmende, beurtelings op en neder.
Men vindt 'er verscheidene soorten van; zommigen derzelver dienen den Inboorlingen des lands, om 'er touwerk van te maaken, en anderen om den dorst te lesschen der geenen, die zich op plaatsen bevinden alwaar noch beeken noch fonteinen zyn. Deze laatsten zyn zeer groot, hebbende malsche, dunne, zagte en fraeie groene blaadjes. Hun hout is buigzaam, spongieus en zwaar; de schil is redelyk dun.
Als men zich in de noodzaaklykheid bevindt om te moeten drinken, snydt men 'er eenen, omtrent een voet van den grond af; men houdt 'er zyn hoed onder, en men ziet 'er terstond water uitloopen, welk zo klaar en aangenaam is om te drinken, dat 'er geen regen- of fontein- water by haalen kan. Doch het verwonderlykste is, dat, hoe of de tak zit, het zy in de zon of in de lommer, het zy men denzelven by dag of by nacht afsnydt, het water altyd even frisch is.
Daar is nog een ander Liaan, waar van men zich bedient om hoepels te maaken. Deze is ook zeer spongieus, en van binnen roodachtig: de schil is zwart en redelyk dik, buigzaam en gemakkelyk te bewerken.
+Deze wordt zeer groot; het is eene soort van den zo genoemden Mangle, welke langs Rivieren, of den zeekant wast. Deszelfs hout is nergens goed voor dan om te branden; doch hy is pryzenswaardig, om dat
hy twee schillen heeft, waarvan men voorgeeft, dat de eerste, zynde zwart, zeer goed is om huiden te runnen, en de tweede, die donker rood en zeer bitter is, van groot nut, gelyk men verzekert, in afgaande koortsen. Zelfs houdt men ze voor eene soort van Quinquina; maar dewyl ik daar de ondervinding niet van gehad heb, zo spreek ik 'er hier maar van om ze kenbaar te maaken, voor de geenen, die 'er de krachten van mogten willen beproeven.