terug  begin  verderprepost

Tweede hoofdstuk.
Beschryving van het Zuiker-riet, en deszelfs hoedanigheid.

Het Zuiker-riet is eene soort van riet, daar men een zoet smaakend vogt uitdrukt, welk, door het kooken, de zelfstandigheid verkrygt van Zuiker, als dezelve by ons bekend is.

Maar dewyl dit Zuiker-riet verschilt met het gewoone riet, welk men langs de boorden

[p. 10]origineel

van de vyvers, of op andere moerassige plaatsen vindt, zo denk ik, dat het niet ongerymd zal zyn den aart van beiden te beschryven, om ze wel te kunnen onderscheiden.

Het riet, eenvoudig onder dezen naam bekend, schiet, gemeenlyk, verscheidene houtachtige, harde en knoestige halmen, welken, zelden, eene mans lengte overtreffen, naeuwlyks zo dik zyn als een vinger, en van binnen geen sap hebben. De bladen, uit ieder knoest voortschietende, zyn anderhalven voet lang, redelyk breed, styf, en ruuw in 't aanraaken, omringende, gedeeltelyk, den halm. Deszelfs bloemen wassen by bosjes, aan den top, zyn klein, dun, zagt, en zamengesteld uit draaden die voortkomen uit een' geschubden kelk, zynde, in den beginne, purperverwig, doch die allengskens verlengen, en zich verspreiden, als het hoofdhair, en in 't vervolg, eene aschgraeuwe kleur aanneemen. De wortels zyn talryk, lang, knoestig, en kronkelende.

Het Zuiker-riet wast tot de hoogte van acht tot negen voeten; de dikte is van twaalf tot vyftien linien. Het is eerst vol knoesten, doch die verdwynen, naar maate het riet groeit; uit deszelfs uiterste einde schieten de bladen, welken lang, smal, spits, scherp, en groen van kleur zyn, en maar een rib of zenuw hebben, waar door ze, in 't midden, en in de gansche lengte, gescheiden worden. Uit het midden dezer bladen verheft zich eene soort van pyl, die, aan

[p. 11]origineel

den top, eenen bloem draagt op de wyze van een vederbosch, hebbende eene kleur als zilver. De schors van 't Zuiker-riet, zynde zeer teer, en dus ver van houtachtig en hard, gelyk die van 't ander riet, is vol van een zoet vogt, wiens overvloed en zuiverheid van den aard van den grond, daar het geplant is, als mede van de mindere of meerdere Zonne, en van de oplettendheid in het riet te snyden, dan wanneer het van pas ryp is, afhangen; alle welke zaaken men noodwendig in acht moet neemen, zo ten opzichte van deszelfs hoogte, als dikte, en goede hoedanigheid.

Het dunne riet, is, gewoonlyk, voorzien met dikke knoesten, die onregelmaatig geplaatst zyn, hoe minder knoesten 'er in zyn, hoe beter het sap is, welk daar in beslooten is; 't geene gelyk ik gezegd heb, van den grond af hangt.

De bekwaamste grond, om met voordeel, Zuiker-riet voort te kweeken moet sponsachtig lugtig, en hoog zyn, en zodanig gelegen, dat 'er geen water op kan blyven, maar dat hetzelve een' afloop hebbe, en dat 'er de Zon van 's morgens tot 's avonds op kan schynen.

Een al te vaste en vette grond brengt, inderdaad, lang en dik Riet voort, welk echter zelden tot volkomene rypheid geraakt, en daarenboven meer water dan Zuiker behelst.

Indien de aarde niet diep is, zo dat de wortel van het Zuiker-riet geprangd wordt,

[p. 12]origineel

zonder zich vryelyk te kunnen verspreiden, kan men niet dan zeer mager en knoestig Riet verwagten, welk terstont verdort. Wanneer nogthans deze grond veel regen krygt, levert hy, waarlyk, zuiker in overvloed, doch die zich zeer bezwaarlyk laat zuiveren. Is de grond laag en moerassig, zo zal hy lang, dik en zwaar riet voortbrengen. En dewyl deze soorten van gronden daarenboven bestaan uit zoutachtige en salpeterige deelen, zo kan de Zuiker, die 'er op gewonnen wordt, nooit volkomen wit noch helder worden.

Het Riet, welk op hooge bergen geplant en door bosschen omringd en overschaduwd wordt, is niet alleen zeer onderhevig aan regen, maar ook aan de koude der nachten, waar door het zeer dik, doch waterig en groen wordt, en de Zuiker, die men 'er van bekomt, kan nooit wit nog zuiver gemaakt worden.

Indien men dan goed Riet wil inzamelen, moet men den grond, daar men hetzelve wil planten, wel zuiveren, en 'er alle de struiken en wortels, daar het schade door zou kunnen lyden, uithaalen, welk men zeer zorgvuldig in acht moet neemen, op dat de wortel van het Riet nergens geprangd of belet worde om ongehinderd voort te schieten, gelyk ik in 't volgende Hoofdstuk zal aantoonen.

prepostterug  begin  verder