De aarde wel gezuiverd, gespit en effen gemaakt zynde, verdeelt men dezelve in verscheidene Vierkanten van tachtig, negentig, of honderd schreeden, en men spant een touw of koorde over de lengte van het geheele terrein, om door dit middel, een regt spoor te maaken, welk men met het punt van een' stok aftekent, om het Riet in eene regte lyn te planten. Hoe bekwaamer nu de aarde schynt, hoe verder men het eene spoor van het andere maaken kan, zo dat men in dien gevalle, ten minste, drie en een' halven voet tusschen ieder spoor laaten kan; maar is de grond, in tegendeel, schraal en dor, en men daarom verpligt, alle twee jaaren op nieuws te planten, moet men tusschen ieder spoor maar twee voeten ruimte laaten.
De eerste manier van planten, vereischt, ongetwyfeld, meer tyds, vooral in den beginne, en eer men 'er aangewend zy; maar, aan den anderen kant, wint men 'er rykelyk by, om het gemak, welk de Negers hebben van het onkruid tusschen de ryen uit te harken, en het Riet te zuiveren van 't ongedierte, welk 'er schade aan zou kunnen doen; en om dat de Eigenaar of zyn
Bestierder daar door, van 't een einde van zulk een stuk land, tot het ander zien kan, wat 'er te doen is, hoe de Negers hun werk verrigten, en of zy hetzelve ook staaken, om den luiaard te speelen; al 't welk niet geschieden kan, als het Riet in 't wilde en buiten order staat, om dat het een het ander bedekt, en te gelyk de luiheid der slaaven in 't arbeiden verbergt.
De beste tyd van 't jaar tot de Plantinge is het regen saisoen, van den beginne af, tot dat het op een derde na verstreeken is; de reden is wel te begrypen, want de aarde dan week, en wel met water doortrokken zynde, dringen 'er de wortels en scheuten, welken het plantsoen schiet, gemakkelyk door heên, en krygen hun wasdom en voedzel van de vogtigheid zo veel als zy noodig hebben; in tegendeel, als men by droog weer plant, verdroogt en verteert de aarde, die als verzengd is, al het sap in 't plantsoen, welk, in weinig tyds, zo droog wordt als of men het in den oven gelegd hadt. Zo dat de goede of kwaade hoedanigheid van 't Riet niet alleen afhangt van den goeden grond, gelyk ik in 't voorgaande Hoofdstuk gezegd heb, maar ook van den tyd van 't jaar, daar men hetzelve in geplant heeft, en van de veelvuldige zorge, die men 'er noodwendiglyk voor draagen moet.
Wanneer het terrein nu afgeperkt is, plaatst men by elk, of by ieder linie een' Neger of eene Negerinne; men tekent op
den steel hunner spaaden de tusschenruimte, welke zy tusschen ieder spoor moeten laaten; of men geeft hun eene kleine maat, die van vyftien tot twintig duimen lang, en vier of vyf duimen breed moet zyn; zy moeten het spoor zeven of acht duimen diep graaven.
Naar maate de Negers, die de spooren maaken, ieder op zyne linie vorderen, werpen eenige jonge Negers, tot zwaarder werk onbekwaam, in ieder spoor twee stukken Riet, die, ten minste, vyftien duimen lang zyn. Op dezen volgen wederom andere Negers, voorzien met spaaden, om het ingeworpen Riet zodanig in orde te schikken, dat het met zyn boven-einde, niet meer dan drie duimen boven den grond uitsteeke; waar na zy de spooren wederom vullen met de aarde, die 'er uitgegraaven is.
Deze einden worden, gemeenlyk, genomen van het bovenste der heele stukken Riet, een weinig beneden de plaats van de uitbottinge der bladen. Hoe meer knoesten of knoppen zy hebben, hoe meer uitspruitzels men te verwagten heeft; want ieder knop geeft 'er een, met deszelfs wortel. Naeuwlyks zes dagen na dat zy geplant zyn, ziet men de jonge spruitjes opkomen, en als de grond goed is, brengen dezelven ook ras bladeren en lootjes voort.
Dan is het de tyd, om een begin te maaken met het onkruid te wieden, welk, zon-
der dat, den grond, geweldig zou vermageren, vooral indien men het zaad liet schieten, om dat hetzelve een gedeelte der sappen naar zig zou trekken, welk het Riet tot den wasdom van nooden heeft. Hier in bestaat voornaamelyk de aankweeking van hetzelve. Hier moet men, byzonder, zorg voor draagen, terwyl het Riet nog jong is, en dien arbeid, ten minste twee of drie reisen, naar de omstandigheden het vereischen, herhaalen, waarna men het vyf of zes maanden laat rusten, om 'er de laatste hand aan te slaan, en dan raakt men 'er niet meer aan voor dat het volkomen ryp is.
Alhoewel men verzekert, dat het Riet een jaar werk heeft, om volkomen ryp te worden, wordt zulks echter niet geheel door den tyd beslist; maar het staat aan den Eigenaar, of deszelfs Opziener, indien hy de belangen van zyn' Meester ter harte neemt, te letten op den tyd wanneer de inzameling moet geschieden, en 'er zich zodanig van te doen onderrigten, dat hy 'er zich niet in kan vergissen, zonder eens den tyd, dat het Riet geplant is, of eenige andere byzondere redenen, in aanmerkinge te neemen.
Als het Riet bekwaam is om gesneeden te worden, (welk men aan de kleur, die zeer geel moet zyn, zien kan) plaatst men de slaaven langs het geheele Rietveld, om de snyding gelykerhand te beginnen. Men maakt een aanvang, met de toppen der spruiten van eene geheele struik, den eenen
na den anderen, op drie of vier duimen beneden de uitbotting van 't laagste blad, af te neemen. Vervolgens snydt men de kroonen van ieder stuk Riet af, 't welk onthoofden of van de kroonen berooven genoemd wordt. Dan snydt men het Riet nog eens in twee of drie deelen, en men laat het zelden langer dan vier voeten, maar men snydt het nooit korter dan twee en een' halven voet.
Terwyl men het Riet dus kort maakt, werpen andere slaaven het achter zich op hoopen, op dat de geenen, die bestemt zyn om het te verzamelen, of tot bosjes te binden, zulks met meer gemak en spoed mogen verrichten. Hier toe worden meest altyd jonge slaaven gebruikt, die nog niet sterk genoeg zyn om zwaarder werk te doen.
De Bosjes nu gemaakt, en wel ter dege met den afval van het Riet vast gebonden zynde, brengt men dezelven in eene schuit, om naar den molen gevoerd te worden. Ik zeg in eene schuit, om dat men aanmerken moet, dat alle de zuiker Plantagiën graften moeten hebben, van tien tot vyftien voeten breedte, zo om den afloop van 't water, als de vervoering van het Riet naar de Molens, wegens derzelver grooten afstand, gemakkelyk te maaken.
Ten laatsten moet men in acht neemen, dat men nooit meer Riet snydt, dan men in den tyd van vier en twintig uuren gebruiken kan, want zo het langer ongemaalen
blyft raakt het aan 't gisten, wordt brandig en zuur, en bygevolg onnut.