Schoon de Koffy, op verre na, zo veel kosten noch zwaaren arbeid niet vereischt als de Zuiker, oordeel ik het echter niet minder noodzaakelyk, 'er eene beschryving van te geeven, zo om den weetgierigen te voldoen, en derzelver verwyt te ontgaan, als tot onderrichtinge der geenen, die 'er eenigen handel mede willen onderneemen.
De Koffy-boom, of Koffy-plant, kan tot de hoogte van vyftien tot twintig voeten groeien; maar, dewyl het te moeilyk zou zyn, om 'er de vrucht af te plukken, laat men hem niet hooger worden dan zes of zeven voeten, door hem van zyne kroon te berooven, zo ras hy de bepaalde hoogte te boven gaat.
De takken van dezen boom zyn zeer buigzaam, en overdekt met eene witachtige en zeer dunne schors; de middellyn van den stam gaat niet boven de vyf of zes duimen, welk bewyst, hoe nuttig het is, deszelfs hoogte te bepaalen, zonder welke voorzorge men gevaar zou loopen, den boom te vernielen, als men de vruchten wilde plukken. De bladen staan tegen over elkanderen, en zyn twee aan twee geschikt, zo dat de twee van den eenen kant een kruis maaken met de twee van den anderen kant. Zy gelyken zeer naar die van den gemeenen Laeuwrier boom, zynde van boven altyd groen, glad en glimmende, en van onder bleek, en zonder reuk. Ze hebben maar eene rib die tusschen de twee zyden doorgaat, en zich over de geheele lengte verspreidt; uit deze ribbe komen verscheidene kleine zenuwen, en welken zich naar de zyden verspreiden.
De bloemen spruiten uit de oxels van de bladen, ten getale van vier of vyf, wordende ieder ondersteund door een steeltje. Zy zyn wit, zomtyds bleekrood, riekende, en bestaande uit één stuk, op de wyze
van een' tregter; meesten tyd zyn ze verdeeld in vyf verdeelingen, gelyk de Spaansche Jasmyn, doch korter. Hunne helmstyltjes zyn wit, en vyf in getal, waar in ze van de Jasmyn-bloem verschilt, die 'er maar twee heeft. Derzelver kelk is groen, zynde in vier ongelyke deelen gesneeden, daar zich een styltje uit verheft, dat ook groen, gekloofd, en aan den grond geplaatst is, en welks benedenste deel of vrucht-beginzel, dat de bloem ondersteunt, in eene vrucht of zagte bezie verandert, welker kleur eerst groen, daarna rood, en eindelyk, als zy tot volkomene rypheid komt, hoogrood wordt. Deze vrucht is zo groot als eene bonte kers, en heeft aan haar einde een kuiltje of eene soort van navel, of liever een zagt tepeltje. Haar vleesch is week, bleek en laf van smaak, doch droog wordende wordt het een weinig scherp, en onaangenaam van smaak. Dit vleesch dient tot een bast voor twee boonen, zynde het zaad, zo bekend onder den naam van Koffy. De vrucht kan, gelyk men ziet, niet beter vergeleeken worden dan by eene kersse, die zeer vast hangt aan den tak.
Men geeft voor dat een Koffy-boom, van vyf of zes jaaren, tien pond vruchten voortbrengt, welken men tot de helft brengt, wanneer het vleesch of de bast 'er afgenomen, en de boonen in staat zyn om in de vaten gedaan te worden. Dit schynt niet veel te weezen; doch men moet 'er byvoegen, dat hy tweemaal in 't jaar draagt,
en dat deszelfs vrucht voor de eerste maal, in de maand May of Juny, en, voor de tweede maal, in de maand October of November ingezameld wordt.
Daarenboven is deze boom niet zeer teder; want hy wordt zonder moeite voortgekweekt; zelfs is een' magere grond goed voor hem. Tot de hoogte van zes of zeven voeten gekomen, maakt hy eene soort van Pyramide, welke een zeer aangenaam gezicht geeft, maar schoon de bloessem, waar mede hy dikwyls zeer beladen is, eenen ryken oogst beloofd, kan men daar echter geen vasten staat op maaken, om dat de vruchten, al zyn zy reeds gezet, verdroogen, of niet ryp worden.