De Kakau is de vrucht van eenen boom, gemeenlyk de Kakau boom genoemd, die in Amerika zo gemeen is, als de Koffy in Arabie. Men geeft zelfs voor, dat dezelve in zekere gedeelten van Amerika natuurlyk en zonder aankweeking wast, en dat men 'er geheele bosschen van vindt.
Deze boom, byna zo hoog als een Kerseboom, verschilt zomtyds in groote en dikte naar de hoedanigheid van den grond, in welke hy geplant is. Hy verdeelt zich in takken, zo dik als een arm, die zich wederom in anderen verdeelen, doch hoe langer hoe kleiner worden. De bladen, die by paaren, tegen elkanderen overgesteld, voortkomen, zyn vliesachtig, glad, hangende, en eindigen puntig, hebbende de lengte van negen of tien duimen, en gelykende niet kwaalyk naar citroen bladen; hunne kleur is van onder ligt groen, en van boven donker groen; voor 't overige zyn zy aan de twee zyden bol of dik, en hangen aan eenen steel van een' duim lang. De boom is nooit zonder bladen, om dat, zo ras 'er eenigen afvallen 'er weder anderen in de plaats komen. Ook is hy, ten allen tyde, beladen met eene menigte van bloemen, die zeer klein zyn, en zo wel aan de groote takken, als den stam
zelven zitten, doch men bespeurt ze meer tegen de zonnestanden in den winter en zomer, dan in eenigen anderen tyd, 't welk my zou kunnen doen zeggen, dat hy het gansche jaar door vruchten draagt, schoon men 'er maar tweemaal, op onderscheidene tyden, van inzamelt.
Deze bloemen hebben een rank voetsteel. tje, welk een weinig ruig, en een halven duim lang, en zelfs zomtyds langer is. Eer zy zich openen, hebben zy de gedaante van een vyfhoekigen knop, die omtrent een vierde van een duim lang, en bleek van kleur is; wanneer zy open gaan, bestaan zy uit vyf kleine bloembladen, geschikt als eene roos, hebbende eene bleekgeele kleur, byna van maaksel als een hart, en hebbende de breedte van nog geen twaalfde gedeelte van een duim. De voet van ieder bloembladje is, uitwendig, gebogen, in zyn begin hol gelyk een klein schulpje, en getekend met kleine donkerroode stippels. Hun kelk bestaat uit vyf smalle spitse blaadjes, uit welken zich een styltje verheft, dat in een soort van koker beslooten is; deze koker of buis is wederom in verscheidene deelen gesneeden en verzeld van veele vezels die gebogen, bleek en voorzien zyn van toppen van dezelfde kleur. Veelen dezer styltjes verdroogen en vallen af, en die blyven, veranderen in eene vrucht van gedaante als een komkommer, zynde zeven of acht duimen lang, spits aan het einde, en in de gansche lengte verdeeld gelyk
de kantaloupen, of, om beter te zeggen, hebbende vyf of zes uitsteekende ribben, gelyk zekere soorten van meloenen. Deze vrucht, die doorzaeid is met wratten, is in den beginne bleek groen; geel wanneer zy ryp begint te worden, en volkomen ryp zynde donker rood; doch teffens vol van geelachtige stippels; dan dit moet men verstaan van de schil.
Zy is vast aan een voetsteeltje welk een' duim lang, en niet grooter is dan een ganzeveertje. Zo dat men, indien men eenige acht geeft op de groote dezer vrucht, reden heeft zich te verwonderen, hoe dezelve van zo klein eenen bloessem kan voortkomen, dewyl men 'er vindt, die acht duimen lang en vier dik zyn. Ook heeft de Natuur, welke altyd door de wysheid van 't Opperwezen bestierd wordt, dezelven geplaatst op den stam en de dikke takken; want indien ze aan de kleine takken kwamen, zo zouden dezelve onvermydelyk breeken, en drie vierde deelen van de vrucht verlooren gaan.
Als men ze dwars doorsnydt, wordt men 'er twee schillen in gewaar, waarvan de eerste, of buitenste, zynde drie vierde van een' duim dik, geelachtig is, en de binnenste witachtig, doch zeer dun en teder.
Deze vrucht behelst een dertigtal van pitten, of zaaden die ieder iets grooter zyn dan een olyf, en ten naasten by de gedaante van een half hart hebben.
Deze pitten zyn glimmende, effen en
van eene zeer heldere purper kleur; zy verdeelen zich in verscheidene deelen, als men ze tusschen de vingers drukt. Ieder pit is overdekt met eene dunne zelfstandigheid, of liever met vleesch, welk wit, sappig, en zoetachtig is, en met eene vliesige en rosse schil.
Deze pitten zyn olieachtig en eenigzins bitter; in den Koophandel onderscheidt men 'er twee soorten van, naamelyk, de groote en kleine Karraka, en de groote en kleine Kakau van de Eilanden, of van Suriname. De Karraka is de soort, welke te Nicaragua wast, waarvan men zegt, dat de smaak aangenaamer is, dan die van de Kakau der Eilanden, welke olieachtiger en vetter is. Het onderscheid dezer twee soorten kan men hier aan zien; de Karraka is plat, groot, en gelykt naar moeras-boonen; die van Suriname is klein, vast en zwaar. Laaten we nu overgaan tot de aankweeking en toebereiding van de Kakau.