Meisje ik ken je. Je bent nu een vrouw. Je bent met hem getrouwd en je hebt al kinderen. Waarom kijk je niet naar me als je tot me praat. Je bent in de keuken. Als ik daar kom, doe je de ijskast open. Ik kan je gezicht niet zien. Je staat dan met je rug naar mij toegekeerd bij de wasbak. Je geeft mij een glas coca-cola. Zonder rum. Ik zie je gezicht, maar jij ziet niet mijn ogen. In de ijskast is er veel rum, bier in grote flessen en whisky. In de vuilnisbak zijn er veel scherven van bierflessen die hij gisteravond heeft stukgeslagen. Hij is er niet. Ik moet niet luisteren naar de mensen, die mij zullen vertellen hoe mager je bent. Ze zullen mij dat zeggen. Hun mededeling is een vraag. De belangstelling waarmee ik zal luisteren, een bevestiging. Anderen zijn jaloers, zeg je. Ik sta in de keukendeur en jij met je rug naar mij toe, bij de wasbak.
Ik weet het. Ik zie het. Ik hoef niet te luisteren naar die anderen. Je hebt het mij al verteld. Je weet zelf niet wanneer en hoe. Ik heb je hard horen huilen en gillen toen hij je sloeg. Toen hij je mishandelde, als een hond. De kinderen hun kelen waren dichtgeknepen door de angst en ontzetting. Je bloedt. Zij kunnen niet gillen. Hij slaat en schopt door. Er is ook een andere vrouw. Zij eet in jouw huis. Zij slaat en schopt je ook met zijn
handen en voeten. Je klaagt niet. Nooit. Niemand weet iets. Jij zwijgt. Je wil niet dat ik het ook weet. Ik kan niet slapen. Ik denk dat ik te hard gestudeerd heb. Dat ik overspannen ben. Maar dan zie ik hoe hij je mishandelt. Ik waak een hele nacht. Hoor je me dan lopen en praten? Ik kan hem nog niet terugslaan. Ik wil hem niet vermoorden. Jij hebt hem lief. Zijn slagen zijn geen liefde. Hij vertrapt de vrouw in je. Zijn kinderen mag je niet meer dragen. Hij wil je stem niet meer horen. Jullie wonen in een huis. Hij is er bijna nooit. Ik zal water voor je halen. Je huilt. Je hebt je kleine teen aan een stoel gestoten. Je rende achter mij. We plagen elkaar, houden elkaar voor de gek. Slaan elkaar, speels. Ik schrik als ik je kleine teen zie bloeden. Je hebt een steenpuist op je voorhoofd. Je moeder knijpt hem uit. Je gilt als de etterprop eruit schiet. Voor de spiegel sta je verder te huilen. Nu gaat het echt over, sust je moeder. Ik weet dat je je haar al glad strijkt want het is kroes. Je lacht me uit als ik voor de spiegel naar de knobbels van mijn borst sta te kijken. Ik word een man.
Ik maak je fiets voor je schoon. Je zal gaan studeren. Ons huis is een grote houten krot. De vloer is verrot. Het linoleum bedekt niet langer de grote naden en de vele oneffenheden van ongelijke planken. Zomaar op ruwe balken gespijkerd. Er zijn ratten onder het huis. In de open riool op het erf. In de voorzaal hebben wij een bruine kokosmat op het linoleum. We lachen om die mat. We moeten hem buiten uitkloppen. Ik wil hem over het kleine voorbalkon hangen.
Het is geen perzisch tapijt. Het is grof effen bruin. Et zijn vieze zwarte kringen op. De hond heeft er op geplast. De plekken stinken ook. Maar de zon kan de stank verwijderen. Als je met Robbie getrouwd bent, zal je je perzisch tapijt over de balustrade van het balkon hangen om hem uit te kloppen. Je bent niet met Robbie getrouwd. Je hebt geen perzisch tapijt. Wel een saffraankleurige mat onder je bankstel. Eens zal het hangen. Kleurig. Motieven van een perzisch tapijt. Geweven met jouw bloed. Ik wil dat niet. Nee, ik wil dat niet.
Ik zal haar ook mishandelen. Met mijn handen naar haar keel grijpen om haar te wurgen. Een oude vrouw komt ons uit elkaar halen. Maar ik duw haar weg. Zij gaat op de trap zitten huilen. Zij is oud en nu moet ze dit allemaal nog meemaken. Deze drama's. Een inleiding in de dood. Daar zal ze alles repeteren tot in het oneindige. Ze wil dat niet. Ze wil herhalen van die ene man, die ze liefheeft. De vader van haar kinderen. Hij heeft haar nooit mishandeld.
Ik vecht door met haar. Ik kom thuis met mijn auto. Zodra ik binnen ben rent ze naar de keuken. Ik roep haar. Ze antwoordt niet. Mijn roepen is een vloek. Ze komt met mijn eten. Dat heeft ze al op een bord in de keuken geschept. Een bord op een dienblad, waarop een dartelend hert is geschilderd. Ze brengt mij ook een glas ijswater. Bestek. Ik zit in een hobbelstoel. Ik pak eerst het glas van het blad, dat ze zwijgend voor mij houdt. Ze weet wat er zal gebeuren. Ik drink een slok ijswater voor de brandende ziekte in mij. Dan
pak ik het bord. Rijst, rundvlees en amsoi. Ik smijt het met kracht in haar gezicht. Haar hele jurk is gevlekt. Zij rent huilend naar de keuken. Ik vlieg haar achterna. Smijt met deuren. In de keuken sla en schop ik haar. Er zit rijst in haar haar. Ik scheur haar gevlekte jurk van haar lijf. Haar mond bloedt. Ze huilt. Ik sla haar op haar hoofd. Zij gilt en gilt en er is niemand. Mijn ogen zijn rood en ik hijg van woede. Ze rukt zich los en gaat de trap af naar het erf. Ik ga haar niet achterna. Ik gooi glazen en borden in de keuken stuk. Ik roep haar na dat ze een hoer is. Dat ze moet opdonderen en dat ik zo'n smerig stuk stinkend klevend stront als zij is, niet langer in mijn huis wil zien. Ze moet opdonderen, godverdomme. Ik ga boven op bed liggen. Een kleine jongen brengt mij bevend een whisky met soda en ijs. Ik stuur hem om sigaretten voor mij te halen bij de Chinees op de hoek. Hij verstaat het maar half. Hij heeft alles gehoord. Ik spreek duidelijk. Maar hij is bang. Ik scheld hem de kamer uit. Ik zie niet dat hij al bezig is een man te worden. Ik vraag me niet af of hij al dingen doet, die ik ook eens gedaan heb. Misschien kent hij al een vrouwenlichaam. Ik zal haar weer mishandelen. Ik drink mijn whisky. Ik slaap. Als ik wakker ben zit ze op de trap. De kleine jongen harkt het erf. Ze is gebaad. Ze heeft nu een donkerblauwe jurk aan. Ik weet dat ze erge hoofdpijn heeft. Ze snuit haar neus. Ik ga naast haar zitten. Ze moet koffie voor mij halen. We praten een beetje. Soms word ik weer kwaad. ‘Ga weer naar je kamer, als je gekomen bent om me weer te mishandelen’ zegt ze. Ik zie dat ze
huilt. Ik ga in bad. Ze haalt schoon ondergoed voor mij. De kleine jongen heeft nu al de bladeren bijeen geharkt. Hij brengt ze allemaal in een grote hoop. Vlak bij die hoop is een kanabosje, met rode bloemen. Hij steekt de bladeren aan. Een dikke rook stijgt in de late middagzon over het erf. Ik zie het.
‘Pas op het kanabosje’ zeg ik.
Hij slaat met de hark waar het bosje begint te branden. Dan ziet hij een slang. Een dode slang. Een verbrande slang.
‘Er is een slang in kanabosje’ roept hij beverig. Dan bijna enthousiast: ‘Die slang is dood, verbrand’
Ik sta met haar te kijken naar het vuur dat nu hoog oplaait. Er is geen rook meer.
‘Laat dat beest maar. Of gooi hem in de goot. Er zullen meer slangen verbranden’
Het is donker geworden en er brandt een grote petroleumlamp in huis.
Ik ga nu met haar uit in de auto. We weten waar we gaan. We gaan weer alles halen om te vechten. Ik ben een grote held. We gaan naar die andere vrouw. Ik ga naar die andere vrouw en ik neem haar mee. Ik zal meer alkohol drinken. En haar nog meer en harder slaan en schoppen. Die andere vrouw weet alles. Maar ze zijn elkaars vriendinnen. Ik ben niet bang voor verbrande slangen. Ik ben die slang vergeten. Zij denkt er misschien aan. Ze wordt steeds magerder. Ik zie het niet. Ik hoef het niet te zien. Haar lichaam is geen vrouw. Ik moet haar mishandelen, haar uitschelden en godverdomme zeggen. Maar ik ben dronken
als ze me uitkleedt om te gaan slapen. Die andere vrouw heeft mij beledigd. Ze heeft gezegd dat ik te veel Negerbloed in mij heb. Ik heb een hele fles rum leeggedronken en de auto slingerde over de weg. Ik laat het gaspedaal los om haar te schoppen. Ze voelt niet.
Ik huil als een kind. De oude vrouw is er weer. Zij vertelt alles aan die oude vrouw. Ik sla wild in het rond. Ze kleden me uit en leggen mij op bed. Gillen moet ik, schreeuwen en kreunen. Anderen zullen mij horen. Ik zie die kleine jongen het grote erf weer harken. Er vallen steeds meer bladeren en hij harkt angstig door. Hij is bang. Hij kan niet huilen. Iets bedreigt hem en hij harkt sneller en sneller en de hoop wordt hoger en hoger. Ik sla haar. Ik mishandel haar. Ze wordt magerder. Ik probeer haar te wurgen. We staan op de trap. Ik hoger en zij lager. Ik sla en schop. We smijten met deuren. Ik gooi haar magere lichaam op de grond. Er is geen smak, geen doffe bons. Niets meer. Ik zet mijn voet op haar bloedend gezicht. Ik gooi vazen en asbakken op haar buik. Haar jurk en haar ondergoed, flarden. Zij huilt niet meer. Ik hoor niet. Zij heeft op mijn rug gespuugd. Ik voel het speeksel op mijn blote lijf naar beneden glijden. Het wordt stil. Het is stil. De kleine jongen harkt niet meer. Hij heeft alle bladeren bij elkaar. Ik kijk naar haar op de grond. De jongen steekt de bladeren aan. Het wordt donker. Alleen rook. Te veel rook, er zijn te veel bladeren. De vlammen zullen te hoog opschieten. Ze zullen het huis in brand steken. Ik wil haar van
de grond pakken. Maar ik heb haar zo vaak en zo lang mishandeld. Ik zie nu hoe mager ze is geworden. Geen vel meer over haar uitstekende beenderen, in de hals, de ribben, overal. Ze schrompelt ineen. Als sigarettenas. Er is niets meer van haar over. Ik heb haar vernietigd. Ik kan haar niet eens begraven. Ik begin het benauwd te krijgen. Er is geen rook meer. Vlammen, vlammen. De kleine jongen en de te grote hoop droge bladeren. Ik ren naar buiten. Hij zit op zijn hurken bij het vuur. Hij leeft. Hij begint met zijn hark in het kanabosje te slaan als hij mij ziet komen.
‘Een grote slang, juicht hij, een grote slang verbrand, kijk dan’
Ik kijk en zie meteen dat het geen grote verbrande slang is. Zij is het die mij beledigd heeft. Zij, die ik aanbad en die gemaakt heeft dat ik de ander dag en nacht mishandeld heb tot er niets van haar overbleef. Niet eens een lichaam dat ik begraven kan. Geen bewijs dat mij veroordelen zal. En ik ben een schuldige.
‘Gooi die slang in de goot’ zeg ik tegen de kleine jongen. Hij steekt een stok onder het slangelichaam, dat er wel is, en draagt het naar het water. Ik kijk hem na. Het vuur wordt minder. Er zijn geen bladeren meer. Alles is as. Die jongen kan nog geen lichaam gezien hebben, denk ik. Hij is een kind.
Ik heb geen hemd aan. Alleen een broek. Aan de waslijn hangt mijn hemd. Ik pak het. Het is doortrokken van de bladerrook. Ik kan het niet aantrekken. Zij heeft het voor mij gewassen. Het is schoon. Ik maak
er een bundeltje van en draag dat onder mijn arm. Ik loop naar de rivier. De bladeren zijn verast. De kleine jongen is nog geen man. Hij is nu alleen. Haar lichaam is er niet meer. Versmolten as. Zij is te mager geworden. Het slangelichaam, rot in het slootwater. Er krioelen vissen omheen, die van kadavers leven. Het erf is schoon. Er liggen geen dode bladeren meer. De lucht is diep blauw. De rivier, breed. Mijn borst is bloot. Bladeren, verrichten wonderen met zonlicht. Kleine onderdelen in het geheel van de grote boom. De eenheid aan de rivier, het bos. Ik pluk een rode kanabloem. Nog een. Een in mijn hand, de andere wikkel ik in het hemd. Ik hoor de kleine jongen roepen. Hij wil mij een whisky met sodawater en veel ijs in het glas brengen. Sigaretten halen bij de Chinees op de hoek. Ik kan niet meer doorlopen. En ook niet omkijken naar zijn stem. Zijn stem is geen kinderstem meer. Hij blijft roepen. Iedere keer hetzelfde, luider. Zijn stem wordt steeds volwassener. Dan roept hij met mijn eigen stem, zoals die had moeten klinken. Beheerst en beschaafd, als die van een verstandige volwassen man. Ik val voorover. Zijn stappen hoor ik bonzen in mijn hoofd. Hij nadert snel. Hij zal zijn voet op mijn gezicht drukken. Mijn gezicht bloedt, uit mijn mond, ogen, neus en oren. Hij staat naast me. Fier, niet voorovergebogen. Hij is lang geworden. Brede schouders. Zijn haar beweegt snel over zijn hoofd. Er is een koele wind aan de waterkant. Ik kan niet langer met mijn gezicht in de modder liggen. Ik keer mij eerst op mijn zij, dan op mijn rug. Ik word niet steeds en
sneller mager. Mijn buik zwelt en springt open. Mijn darmen kronkelen als rottende slangelichamen naar buiten. Mijn wangen scheuren open. Ik zie dat allemaal nog. Hij pakt het hemd, zodat het zwartgroene slijm dat uit mijn lichaam borrelt het niet vuil maken kan. Hij kijkt. Zijn ogen zien mij niet meer. Alleen de rode kana. Ik weet dat hij zachtjes huilt. De vloedgolven spoelen aan. Mijn uitgestrekte handen grijpen diep in de modder. Maar ik weet dat ik me daaraan niet zal kunnen vasthouden. Niets kan mij redden en het water zal mij wegsleuren. Kadaveretende monsters zullen mij verder uit elkaar rukken onder het water. Het water raakt nu ook zijn blote voeten. Ik zie hem weggaan naar het huis. Het hemd in een bundeltje onder zijn arm en hij heeft maar één kanabloem, de rode die ik geplukt heb, in zijn andere hand. Ik wil hem naroepen. Lief. Ik wil hem groeten. Ik wil hem zeggen dat hij flink moet zijn. Dat hij niet bang moet zijn alleen te zijn. Dat alleen zijn beter is dan te leven waar zij worden mishandeld.