Orlando gaat met het beste rapport van onze klas over naat de tweede. Ik ben nummer twee. Karsilan heeft twee vieren. Orlando weet wie hij is. We zijn nog steeds goede vrienden. In de tweede klas komt Karsilan pas goed op dreef. Op het kerstrapport geen vieren meer en als we naar de derde gaan, is hij verreweg de beste. Een enkele keer hebben wij voor een repetitie wel een hoger cijfer dan hij, maar hij heeft steeds het hoogste gemiddelde. Hij valt op, iedereen kent hem nu. Net zoals men weet dat Orlando een zoon van die en die is. We doen niets lelijks tegen Karsilan, die steeds hartelijker wordt. We zijn nog meer dan voorheen, bij elkaar. Studeren en studeren en we weten dat we naar de a.m.s. moeten. We bereiden ons voor op het toelatingsexamen. We hebben nu altijd lange broeken aan, om onze behaarde benen te bedekken. We roken sigaretten op straat. We hebben een dunne snor en we zijn pas zestien geworden. Karsilan legt uit en legt uit, zonder daar moe van te worden. Soms is Orlando beter in de talen. Maar Karsilan is het genie onder ons. Tijdens het uitleggen ontdekt hij zelf een nieuwe dimensie. Hij zwijgt om die in zich op te nemen. En wij kijken hem vragend aan. We kijken neer op de grote Hindostaanse jongens in onze klas,
die vertellen dat ze al met een meisje genaaid hebben. En hoe ze het gedaan hebben. We lachen Ronald, een Creoolse jongen met kroeshaar, ook uit als hij zijn Frans erg slecht uitspreekt en we geven hem een bijnaam, die Frans klinkt. We willen zo Hollands mogelijk gekleed gaan. Een voorbeeld waarin we Orlando bijna slaafs volgen. We hebben onze kragen niet open en omhoog geslagen. We staan niet op de hoeken onder het balkon bij de Chinese winkels om dingen voor meisjes te schreeuwen. We veroordelen alles wat we zelf hebben en verafgoden alles wat Hollands is, zoals het een goed opgevoede koloniaal betaamt. We luisteren met gespannen aandacht naar onze lerares Nederlands, die ons Helman's werk aanbeveelt. We lezen dat Negers - met een kleine ‘n’ geschreven - op de grond slapen, dat ze lui zijn. Van Hindostanen, die alles weten van de klassieke Indiase literatuur, van Javanen, die niet bestaan en van Chinezen, die handelen. Ze worden Oemoe genoemd. We vinden er voedsel en bevrediging voor onze eigen valse superioriteitsgevoelens. Daarom is het zo echt. Het is ook zo Hollands. Zo zou een Hollander ook schrijven over Suriname. Wij zijn onwetenden. We kastijden ons vast met deze onwetendheid. Als we niet oppassen komen we er nooit uit. We weten niet wie er winnen zal. Wie de wetende worden zal, die een heilige is. We gaan twee keer naar een recital van Nederlandse pianisten. We vinden het allemaal heel mooi. Orlando en ik dromen dat we er ook eens zullen komen. Karsilan zegt dat hij het allemaal echt heeft kunnen horen.
Uit de bibliotheek haalt hij een biografie van Chopin. We lezen hem alle drie.
Orlando leest van zijn vader David Copperfield. Hij behandelt het tijdens een spreekbeurt in de klas. Hij kijkt alleen naar Karsilan en mij. Wij hebben het ook gelezen. Hij krijgt een negen voor zijn beurt. Karsilan vecht, voor niemendal. Hij meent verliefd te zijn op een bruin Creools meisje uit onze klas. Hij gaat bij haar aan huis. Met haar ouders gaan de twee schijn-verliefden naar de bioscoop. Maar dan gebeuren er een heleboel dingen tegelijk. Wat weten we niet. We worden tegen elkaar geslagen. We weten dat er een heleboel zal veranderen. Orlando ziet dat hij moet onderdoen voor Karsilan. De naam van zijn vader helpt hem niet meer. Hij wil ons van zich afschudden. Hij loopt ons voorbij. Na school wachten we op hem, maar hij fietst weg, zonder ons te groeten. Wij roepen ‘Orlando’ Hij weet niet of hij naar de a.m.s. kan. We weten niet of we hem moeten laten barsten. Hij is gek. In de klas spreekt hij niet tot ons. In de pauzes staat hij alleen of bij die andere kinderen, die ook naar Holland geweest zijn. Ja, zelfs met een paar Hollandse jongens. Ik weet dat hij nu ook op de volksmuziekschool zit. Een instituut dat het predikaat ‘volks’ ziekelijk verkracht. Dat weet ik later.
Ik werk door met Karsilan. Soms slaap ik bij mijn grootouders in de stad, om 's avonds bij hem te kunnen gaan werken. Er zijn kleine lieve meisjes, die zijn nichtjes zijn. We werken hard. De vloer heeft grote naden. De kakkerlakken ritselen in de spleten tussen
de dunne balken en de elkaar overlappende, ongeschilderde planken van de wanden. We branden een muskietenkaars, en niezen. Als we klaar zijn is het bijna twee uur. Karsilan gaat een hemd wassen, om het morgenochtend, straks dus, te strijken. Hij ziet er altijd schoon en netjes uit. Het schijnt dat wij Orlando nu ook vergeten zijn zoals hij ons niet meer kennen wil. Op school praten we ook over de Suezkwestie en onze Engelse leraar wijdt er twee lessen aan.
De volgende week is het examen. Ik ben thuis. Het is vrijdagavond. Orlando komt. De honden blaffen en ik hoor zijn stem verbieden. Bewust, hij is niet bang. Hij is nooit bang. Hij komt gewoon naar binnen. Mijn oom en mijn moeder zitten op de afgesloten voorgalerij. Wij gaan naar de voorzaal waar ook de piano staat. Orlando is altijd eerlijk. Ik weet het. Hij wordt door zijn eigen gevoel voor eerlijkheid en waarheid achtervolgd. Het zweept hem op. Het doet hem laat naar Leonsberg komen met de bus. Hij heeft een weekendtas bij zich. Hij blijft. Tot zondagmiddag.
‘Ik ben jaloers op jullie, Lonnio’
‘Wat is er met je, Orlando’
Ik voel dat mijn gezicht heet wordt. Ik wil huilen. Ik weet dat het waar is. Ik wil niet knapper dan Orlando zijn. De piano staat open. Ik ga om hem te sluiten. Orlando zit op de canapé. Hij kijkt naar de grond.
‘Ik wil met niemand meer iets te maken hebben’
‘Maar ik heb je niets gedaan’
‘Dat weet ik, Lonnio, ik kan niet naar de a.m.s.’
‘Dat is niet waar. Je had met ons moeten doorwerken’
‘Dat is het niet, mijn vader wil dat ik naat de kweekschool ga’
‘Naar de kweekschool,... je hebt al zoveel psychologieboeken gelezen’
‘Ik moet, ik kan niet naar het conservatorium’
‘Wil je nu echt muziek studeren...’
Er is niet veel meer te zeggen. Mijn moeder vraagt of we nog willen eten. We nemen alleen een stuk meloen. We roken sigaretten en bekijken het gewei van een hert dat mijn oom de vorige week heeft neergeschoten. Orlando moet naar de kweekschool. Zijn vader wil dat hij eerst onderwijzer wordt, dan kan hij op eigen kosten verder studeren. Orlando is radeloos. Hij ontloopt zijn vader. Hij wil niet naar de kweekschool. Maar het is nu te laat voor het toelatingsexamen a.m.s.
‘Ik zal maandagavond naar Karsilan gaan om hem te vragen hoe hij gewerkt heeft’
‘Dat moet je doen, hij is niet kwaad’
Karsilan is nooit kwaad. Die maandag gaat Orlando niet naar Karsilan. Hij kan nergens heen. Zijn moeder is opgenomen in het ziekenhuis. Ze kan misschien doodgaan. Zij is heel erg ziek. De hele familie is in paniek en wacht angstig af wat er gebeuren zal. Maandag na het examen ben ik direkt naar mijn grootouders gefietst. Daar blijf ik voor het examen logeren. Mijn neven en nichten laten me eerbiedig met rust en mijn grootvader geeft me geld voor sigaretten. Een van mijn nichten, Silvie, heeft zondagavond de zuster van Orlando op de padvindstersbijeenkomst zien hui-
len. Ze is zelf ook padvindster en ze hoorde daar wat er allemaal met Orlando's moeder aan de hand was. Ik ben direkt naar Karsilans huis gefietst.
's Avonds gaan we samen naar het huis van Orlando. Hij woont in een groot, keurig geverfd huis aan de Herenstraat, vlak bij het Kerkplein. Hij staat op het balkon en ziet ons aankomen. Op de trap, waar een mooie dikke loper ligt, vertelt hij ons met een gedempte stem wat er die zondagnacht gebeurd is.
Bloed, overal, bloed. Ik wist het niet. Mijn vader kwam me wakker maken. Ik moest niet beginnen te huilen. Hij zei onomwonden wat er aan de hand was. Ik was bang om naar haar kamer te gaan. Ik hoorde het bloed uitspuwen. Ik wist dat het bloed was. Dat alleen bloed zo gespuwd wordt. Mijn zusters huilden. Luid. Ik kon niet van het bed opstaan. Ik hoorde mensen rennen door het huis, mijn vader snel telefoneren. Ik wist dat hij huilde.
Ik keek naar mijn schoenen. Er waren mensen boven. Familieleden. Ik hoor iemand huilen. Ik durf Orlando niet aan te kijken. Karsilan legt zijn hand broederlijk op Orlando's schouder. We zwijgen. Zwijgen, zoals Orlando tegen ons gezwegen had. Nu komen er geen andere vrienden bij hem. Hij zal ze ook niet willen ontvangen. Hij zegt wat zijn moeder scheelt. Ik weet dat hij niet de waarheid vertelt. Hij durft niet. Daarom heeft hij niet met ons willen praten. We mogen het niet weten. Nog niet. Orlando wil het zelf niet weten. Alles gaat dan snel verder.
Een broer van Orlando moet trouwen. Zijn zusters
gaan weg om te studeren. Er gebeuren onprettige dingen bij Orlando thuis. Er zijn vele ruzies. Zijn moeder ligt alleen in een kamer. Om de lamp is een zwarte lap, om het licht te dempen. Orlando wordt mager. Hij moet bij zijn oom en tante gaan inwonen. Daar zoeken Karsilan en ik hem op. Zijn vader is met een andere vrouw begonnen. Zijn moeder weet het niet. Zijn grootouders komen er achter. Alles wordt erger. Dramatischer. Hij schrijft lange brieven naar zijn zusters. Zijn broers verstaat hij niet meer. Ze zijn veel ouder. De anderen gaan ook heel gauw trouwen. Orlando is alleen en hij moet nu echt naar de kweekschool. We lopen de laatste dagen voor de grote vakantie samen op de speelplaats van de Calorschool. Het examen is achter de rug. Karsilan en ik zijn geslaagd. Orlando heeft zijn formulieren voor de kweekschool gehaald. Hij gaat zeker over met een goed rapport. We praten niet veel. Er zijn meer doden. Er gaan kinderen dood van de school. Ongelukken. Verdrinken. We lopen naar de omheining van de oude begraafplaats Lina's Rust. Achter onze school. De heining is daar stuk. We kunnen de grafstenen zien. Er is er een vlak bij de omheining waarop een beeltenis van een jonge vrouw.
‘Dat is mijn tante, mijn moeders zusje’ zegt Orlando. ‘Ze stierf twee weken voor haar huwelijk, ze hebben haar in haar bruidstoilet begraven. Ik heb haar nooit gekend’
Karsilan en ik kijken, lezen de naam en weten dat het waar is.