Er is een schoolvergadering. Wij zijn vroeg vrij. Ik ga met Orlando mee naar zijn huis aan de Herenstraat. Voor het eerst. Die straat heet nu de Meester Lim A Po straat. Alles in zijn huis is er zeer Hollands. Lopers en tapijten. Deftig leer beklede stoelen en een buffet met glas in lood. Daarover is een loper gelegd en staan er foto's ingelijst. Allemaal gemaakt tijdens hun verblijf in Holland. Er is een houten lijst bij met een molentje. Op die foto staat Orlando met zijn broers en zusters. Ze zijn allemaal heel deftig gekleed in kostuums en mooie toiletten. Ik voel me heel vreemd. Ik weet niet of ik alleen maar verlegen ben als zijn oudste zuster mij aanspreekt met haar Hollands aksent of dat er ook vreugde is dat ik in zo'n huis mag komen. Als ik iets probeer te spelen, glijden mijn zwetende vingers van de glimmende toetsen. Ze lijken wel met olie gewreven te zijn. De piano is geen grote zwarte Carl Ecke, maar een glanzend bruine Rippen, die ze ook uit Holland hebben meegenomen. Orlando laat mij nog meer foto's van hem zien. Ook van zijn vriend met wie hij daar op school heeft gezeten en die nu naar het gymnasium is. Ze korresponderen nog met elkaar. We drinken een glas markoesasap. Het Creoolse dienstmeisje kijkt mij lachend aan. Ze heeft gehoord
en gezien toen ik pianospeelde. Orlando's zuster zegt dat ik vaker moet komen om te spelen. Orlando heeft nog geen vrienden hier. Hij mag zich niet met iedereen bemoeien. Het is bijna half twee geworden. Ze beginnen de tafel te dekken. Alles in dezelfde deftige sfeer van het gehele huis en ik weet niet hoe gauw ik maken moet dat ik weg kom. Stel je voor dat ze me vragen om te blijven eten. Als ik net de hoek om ben en de Watermolenstraat in fiets, zie ik Orlando's vader in de auto voorbijgaan.
Eenmaal thuis besef ik pas de oneindige vreugde van de muziek. Voor mij de piano. Ik speel hetzelfde stuk, dat ik bij Orlando gespeeld had, wel tien keren foutloos achter elkaar.
Als de grote vakantie om is, vat ik alle moed bijelkaar en ga terug naar de eerste klas van de a.m.s. Ik neem alle vernederingen en spottende opmerkingen. Ik hoor ze niet. Het zijn er maar weinig want ik heb niet lopen opscheppen toen ik naar de a.m.s. ging.
De school is niet veel veranderd. Er zijn nu veel meer kinderen op de a.m.s. en de kweekschool. De bomen, die ze om het oude gebouw - van hout en ongeveer in de vorm van een hoefijzer - geplant hebben, zijn langer geworden. Het nieuwe hoofdgebouw, helemaal van steen, is nu helemaal bezet. Daar staan er stalen tafels en stoelen, heerlijk om op te werken. Tijdens het wisselen van de lessen ontmoeten we elkaar op de trappen of lange open gangen. De leraren leunen tegen de balustrade om op de volgende klas te wachten. Erg bevorderlijk voor de orde op de gangen en trappen.
Het grote fietsenhok, voller en er zijn nu ook veel meer bromfietsen dan vorig jaar. Zelfs scooters.
Maar wij schijnen ergens anders op school te zitten. Orlando, Karsilan en ik. We hebben het niet steeds over dat of dat meisje, dat we zoeken. We hangen niet bij de Chinees op de hoek, waar je belegde broden, koude softdrinks en Javaanse lekkernijen kunt kopen. De vrouw van de altijd hoestende Chinees is een Javaanse. We lopen geen vloeren plat waar er gefuifd wordt. Bij uitzondering bezoeken we een a.m.s.- of kweekschoolfuif. Ze willen Orlando tot voorzitter maken van de kweekschoolvereniging. Zeker om de naam van zijn vader. Orlando moet er niets van hebben.
Ik weet niet wat ons bezielt. We studeren en studeren. Lezen auteurs, die ons eigenlijk nog te moeilijk zijn. Dan spelen we veel piano, Orlando en ik. Karsilan moet luisteren. Bij Orlando thuis draaien we platen van grote concerten. Orlando weet hoe dat toegaat. Met zijn klas en met zijn ouders heeft hij vaak uitvoeringen bijgewoond in het grote Concertgebouw van Amsterdam.
De enige sport die wij beoefenen, is zwemmen. De andere jongens lachen ons niet uit. Ze laten ons met rust. Ze hoeven ons geen viooljongens te noemen. Een enkele keer gaan we naar de bioscoop, als er een heel goede film is.
We weten dat de oudere mensen respekt voor ons hebben. Dat zij zich afvragen hoe wij het toch klaarspelen ons nu al zo gedisciplineerd te gedragen. Maar
we vermoeden niet dat deze steeds hechter wordende band tussen ons, later de symbolische reddinggordel zal zijn die ons, allen afzonderlijk, zal worden toegeworpen. Wat we zelf missen, vinden we in de liefde van de ander.