terug  begin  verderprepost
[p. 117]

[XII]

We gaan op de groene Zündapp-bromfiets van Alward naar Karsilan. Er staan drie eenvoudige huizen bij elkaar op het terrein dat van Karsilan zijn grootouders is. De grootouders wonen er. Karsilan met zijn ouders, broertjes en zusjes in het ene en de oom van Karsilan met zijn vrouw en kleine kinderen in het derde. Op het voorerf hebben ze een tent gemaakt. Alleen een dak van zinkplaten en palmbladeren. Er is ook een houten planken vloer, los gelegd op het zand. Er branden al twee grote petro-max-lampen, die heel helder licht geven. Op het erf hebben ze ook een open keuken geïnstalleerd.

Karsilans grootvader leidt zelf de bidavond. Er zijn heel veel mensen. Bijna allemaal Javanen. Maar ook een paar volwassen Hindostanen. Ze zijn ook Mohammedanen. Iedereen zit op de grond. De oudere Javaanse mannen hebben hun zwarte broeken aan. Bijna al de vrouwen dragen sarongs. Er zijn papaja's op de houten vloer gespreid en daar zitten of hurken we op. Orlando en ik verstaan niet wat er gebeden en gereciteerd wordt. Maar begrijpen. Karsilan zijn ogen zeggen ons alles. Na het bidden gaan de vrouwen naar de open keuken om eerst met vruchten, bananen, bakoven, sinaasappels terug te komen, die zij op schoon

[p. 118]

gewassen grote bananebladeren op de grond leggen. Dan met geroosterd geitevlees in grote stukken, en rijst. Alles wordt op bananebladeren gelegd. Een zacht smeulende geur van deze bladeren onder de dampende gerechten. We eten ook uit bananebladeren en er zijn ook satés van geitevlees. Karsilan is bij ons komen zitten Iedereen praat vrolijk en blij. Karsilans moeder komt telkens weer met iets extra's voor ons. We zijn allemaal bij elkaar om voor Karsilan te bidden. Die god is al in Karsilan. Karsilan is een met hem. Een. Hij hoeft niet te strijden om opnieuw te zoeken naar wat er in hem is. Hij was een ongestoorde eenheid. Orlando en ik moeten nog een god zien. Maar daarvoor zullen we eerst nog onszelf innerlijk moeten leren kennen. Er zijn geen goddelijke manifestaties voor te doelbewuste mensen. Hij verschijnt aan hen, die beslissen moeten en hun geweten aanspreken om hun handelen in overeenstemming daarmee te laten zijn.

Wij moeten nog verschrikt worden door het niet zijn in ons. Dat weten we niet.

Het is heel laat als wij naar Voorburg terug rijden. De maan schijnt niet. Maar ook geen diepe duisternis die beangstigt. Geen vreemde geluiden die verschrikken. Het bos staat niet als een roerloze dreigende massa langs de weg. Een massa, die onverwacht in beweging kan komen om alles te bedelven of weg te sleuren. Er is een rust en een harmonie met het oneindige en de toekomst. We begrijpen zonder woorden Karsilans zijn. Karsilans onvergankelijk bezit en zijn onaange-

[p. 119]

taste toekomst.

Hoe lang hebben we hem niet aangekeken toen wij daar die woensdag na de bidavond op de k.n.s.m.-steiger stonden? Ik weet het niet. Het moet heel lang geweest zijn. Ik zag niet meer zijn ogen, maar het bloed daarachter stroomde en de tranen, die niet over zijn wangen rolden. Het is heel warm. Het is erg druk op de steiger. We kunnen niet aan boord gaan. Er zijn te veel bezoekers. Heel veel studenten gaan weg. Ik had er ook moeten staan. Daar op die boot. Maar ik ben in de eerste blijven zitten en vertrek het volgend jaar met Orlando. Orlando heeft de handen voor zijn borst gekruist. Ook hij kijkt Karsilan lang aan. We weten dat we alles zullen doen om weer bij elkaar te zijn. Dat de brieven, die wij zullen schrijven, niet zelf zijn. We hebben ze niet nodig voor ons kontakt.

De boot glijdt langzaam van de grote steiger af. We zien Karsilan nog. Orlando heeft aan Karsilan gezegd dat wij niet naar Leonsberg gaan om nogmaals voor hem te zwaaien. Hier is hij voor ons weg. Wij groeten niet twee keer. Wij nemen geen afscheid van hem. Het zal morgen zijn als hij ons afhaalt op Schiphol.

Na het vertrek van de boot ga ik met Orlando mee naar zijn huis. Daar draaien we de Chopin-etuden. Een geschenk van Karsilan aan Orlando. Ik heb een aansteker van hem gehad. Wij hebben hem hemden met lange mouwen gegeven. Die wilde hij ook hebben. We zwijgen. Luisteren. Luisteren, zoals Karsilan.

Voor mijn eindexamen heb ik van Karsilan uittreksels, uitgewerkte opgaven en een paar belangrijke

[p. 120]

vertalingen gehad. Hij heeft voor Orlando een paar mechanica-aantekeningen gemaakt die hij kan gebruiken voor zijn hoofdakte. We leven nog slechts naar het ene moment dat ons eigen vertrek symboliseert. Ik weet nog niet waar ik het geld vandaan moet halen. Hoe ik mijn studie zal betalen. Alles is onzeker. Het zekere is dat ik ga.

prepostterug  begin  verder