Wiro heeft mij geholpen. Hij werkte niet meer als tuinman, hij was er te oud voor geworden. Hij woonde met zijn oude vrouw nog in een van die rode loodsen met rode daken. Zijn kinderen woonden in kleine huizen in de richting Marienburg. Zijn vrouw was op het erf bezig met de was. Hij zat op de bank te roken. Ik vertelde hem alles meteen en dat ik niet wist wat ik zou moeten doen als hij me niet hielp. Dat hij de enige was, die mij helpen kon. Dat ik niemand anders kende aan wie ik het allemaal zo eerlijk kon vertellen als aan hem. Hij hielp me. Liet weliswaar niet na me vreselijk uit te schelden, eigenlijk was het geen schelden want hij gebruikte geen enkel scheldwoord. Ik moest een power stout bij Chalie, de Chinees halen. Dat was alles wat hij nodig had. Wat hij er in gedaan heeft weet ik niet en het interesseerde mij ook niet. Ik wachtte tot hij klaar was met het drankje, waarvan ik de bereiding uit beleefdheid niet bijwoonde maar met zijn vrouw ging praten.
Het was al lang donker toen ik de Surinamerivier weer overstak met Harribans. Ik had ook nog moeten wachten want er waren geen passagiers onder het zinken dak en Harribans zou heus niet voor mij alleen de rivier nu oversteken om weer alleen terug te varen.
Er kwamen een paar stadsmensen, die bij de dokter op bezoek waren geweest en zo kon ik gelukkig naar de stad.
Van Wiro moest ze het drankje, dat flink schuimde, lauw drinken. Nadat iedereen naar bed was gegaan, warmde ik het in een quaker oats-kan op en bracht het haar in haar geëmailleerde kroes. Toen ik twee dagen later naar huis terug fietste, wist ik niet hoe hartelijk ik Wiro moest bedanken voor zijn hulp. Ik durfde hem niets te geven, want dat zou hij misschien niet willen hebben.
Wiro heb ik niet meer gezien en zijn vrouw ook niet. Ik weet niet of ze al dood zijn. Maar Irène zal ik nooit meer terug zien omdat ze werkelijk dood is. Ik was nog geen jaar weg toen het gebeurde. Er waren behoorlijke ruzies tussen haar, mijn grootmoeder en mijn nichten geweest. Iemand had lopen vertellen dat zij met een Chinees leefde en mijn grootmoeder had haar toen weggestuurd naar haar stiefmoeder en haar vele halfbroertjes en -zusjes. Haar moeder was dood en haar vader leefde nu met deze ellendige vrouw, die niets moest hebben van haar en haar enige volle broer. Die broer ging weg als verstekeling aan boord van een k.n.s.m.-passagiersschip. Toen ze hem op de route naar Nederland ergens op de Atlantische Oceaan betrapten, sprong hij in zee om nooit meer boven te komen. Er waren nog een paar verstekelingen. Op een erg onhandige manier werd het bericht in Paramaribo bekendgemaakt. Irène was radeloos en pleegde, nu haar broer, die veel voor haar betekend had, er
niet meer was, zelfmoord door in de rivier te springen. Misschien vond zij dat inderdaad beter dan het leven dat zij bij haar stiefmoeder te verduren had. Soms ranselde deze haar gewoon af met een blok hout dat ze ergens op het erf opraapte of van onder het huis rukte. Mijn moeder schreef het mij in een soort p.s.-stijl. Haar lijk vonden ze verminkt terug en ze deden het in een gewone platte doodkist, ruwe, nauwelijks geschaafde planken. Men beweerde zelfs dat ze zwanger was. Als dat zo geweest is, is het mijn kind dat nog spartelt in de buik van zijn al gestikte moeder. Spartelt, tot hij zelf ook stikt, misschien in een houding waarin hij het lichaam zou moeten verlaten, of helemaal teruggetrokken in de embryonale houding.
Toen heb ik alles aan Orlando verteld. Ik heb het geschreeuwd. Ik wilde gestraft worden. Het was mijn schuld en ik wist niet of ik mijn moeder en grootmoeder schrijven moest dat Irène ook door mijn zaad bevrucht geworden was. Dat ik om zeker te zijn van de uitvoering van mijn aanstaande studieplannen toen, haar abortus had laten plegen met levensgevaarlijke kruiden en dat het ook gelukt was. En dat zij het allemaal ook had laten doen omdat ze niet wilde dat ik op de een of andere manier in moeilijkheden zou komen. Ik zal Irène niet vergeten. Niet vergeten hoe ik mijn lippen met veel speeksel langs haar strakke dijen van boven naar beneden liet glijden om haar voeten te zoenen. Hoe wij in elkaar schoven om te sluiten als twee tere delen van een grote bloem, die zich sluit voor haar natuurlijke bevruchting. Dat ik later begreep wel
de toewijding gehad te hebben van een Hindostaanse vrouw, van Safoera, gespeeld had met Hindostaanse jongens op wie ik lijken kon maar dat er maar één vrouw was, wier schoot ik leerde kennen met een liefde die onvergankelijk moest worden. Waar geen herhaling mogelijk was. Moest zijn en dat ze sterven zou, voor zij werkelijk een kind van mij kon dragen. De vrouw, die later de wonden genezen zal, die ik mezelf toebreng in mijn eindeloze strijd. Het Hindostaanse in mij de heilige voorhoudt, die mij moet zegenen. Hij trekt ook zijn hand terug, als hij mijn onrein gelaat ziet en verdwijnt.