Mijn hemd is kletsnat van het zweet en doortrokken met een rooklucht, die mij keelpijn geeft. Ik haal mijn rechtervoet, waarmee ik tegen het kilometerpaaltje gesteund heb, terug. Mijn hemd trek ik uit en ga met een blote, zweet pralende borst, naar mijn huis. Het hemd draag ik als een bundeltje onder mijn arm. Ik vrees geen slangen, die omhoog kunnen schieten van onder het dikke bladertapijt dat ik openschop met mijn slipperende sandalen. Daaronder wordt de blote aarde zichtbaar als een naakt mensenlichaam onder het zand. Nog minder vrees ik de kroektoeteres, schorpioenen die krioelen onder rottende planken, die ik ondersteboven schop. Ze zullen niet door mijn broekspijpen omhoogkriebelen langs mijn benen om de venijnige punten van hun kromme scharen in mijn kuiten te boren.
Ik weet niet of ik de brede voortrap moet opstormen om de deur open te rammen, de koffie naar buiten moet smijten op een brandstapel om die met mijn aansteker in brand te steken. Het hele huis in brand steken. Of moet ik met een nederig gebogen hoofd in het werkhok onder het huis een hark zoeken, de grootste die ik er vinden kan, om de hele tuin, van voren naar achteren en weer terug schoon te harken.
Geen dood blad mag er achterblijven.
Ik ga onder het huis door, zonder te blijven staan om naar iets te kijken. Alleen het hemd in een bundeltje onder mijn arm voel en ruik ik. De rivier is het enige wat ik zie. Het water. Ik loop door naar de rivier om bij het kanabosje, waar vroeger het prieel stond, te blijven staan.
‘Die kana's zijn niet door ons geplant. Onze kana's stonden niet hier’
Ze staan in volle bloei. Rode en gele kana's. Ik mag er maar een plukken. Een rode, die ik in mijn hemd wikkel. Langs mijn eigen spoor met mijn naar zweet en rook stinkend hemd in een bundeltje onder mijn arm. Maar in die stank, geurt de heilige kana. Een rode. Geen gevaar dreigt mij onder het huis. Ik houd mijn adem niet in, zie geen skeletten hangen in het meterslange vuile tule, waarmee de bruidstafel voor het grote diner gehuld was. Mijn dorst kan ik lessen met het groene water uit een van de grote regenbakken. Er drijven geen grijnzende awariekadavers in rond. Ik kom weer veilig op de weg en loop terug naar het wachthuisje. Ik heb erge honger en hoop weer gauw thuis te zijn. Thuis, mijn huis op Ma Retraite.
Ik zal vertellen wat begraven en opnieuw begraven voor mij betekenen kan. Het is de moederdood, die slechts voor eenmaal werkelijk de gele aarde van Lina's Rust boven een bruine doodkist sluiten kan. Bloemen, mogen nimmer ontbreken in kransen. Ze zullen nimmer verwelken.
De anderen zal ik blij maken met de plannen. Mijn
plannen voor het huis. Dat ik het heel graag wil kopen om er straks te kunnen werken. Werken in de sfeer, in de nabijheid van die grote eenheid, welke ik er kennen mag. Waar ik zoeken kan in Nieuw-Amsterdam, een eenheid, een zijn, dat Commewijne is. Als het kan. Ik heb een opdracht. Van mezelf. Hetzelf dat ik beter worden moet.
Als we midden op de rivier zijn, kijk ik nog eens naar mijn huis en dan naar de onmetelijke ruimte van de monding. Ik wil er nog meer foto's van maken, maar ik laat mijn toestel zakken. Die oneindigheid kan ik niet vangen. Nooit! Ik mag alleen delen in die kolossale ruimte waar we allemaal in delen. Het is frisser geworden en ik trek mijn hemd weer aan.
De kana, de ene rode kana, bekijk ik, ruik ik, en laat haar dan in het water. Ik gooi of smijt haar niet weg. Nee, ik leg haar voorzichtig neer op het zacht plooiend oppervlak van het grote waterkussen, dat ik met mijn vingers streel. Met mijn vingertoppen. Het water proeft zout en mijn vingers bewegen zonder pijn. Ik weet niet waar de kana heen drijven zal. Naar mijn huis terug of naar die onmetelijke ruimte van de wijde zee.
Amsterdam, 14 februari 1967.