[p. 5]
I.
Suist hier Erinn'rings harp door 't ruischend loover
En fluistert over,
Wat ze eenmaal opving en slechts half vergat?
Of paart slechts Fantazie aan 't luitgetoover
Haar beeldenschat
En zingt, wat nimmer stoff'lijk leven had?
Trof de eigen klank der murm'lende guitaren,
Aan Ebro's baren
Door Spaansche hand gestreeld, des zangers oor?
Of drong slechts in zijn droomen 't lied der snaren
En 't zang'rig koor,
Op geestenwiek gevaren, tot hem door?
Mocht zelf Rosaura's lip, de zachtfluweelen,
Zijn wangen streelen,
Hem kozend zeggen, wat bemind zijn is?
Of rees, als op den nevel stralen spelen,
Haar beeldtenis,
Het kind van Fancy's reine ontvangenis?
[p. 6]
Is 't niet om 't even? Wat is waar, wat droomen?
Aan Lethe's zoomen
Staan Portia en Niobe bijeen; -
Symbool is al wat aardsch is; snel gekomen
Week 't ras daarheen;
Voor de eeuwigheid bloeit de gedachte alleen.