[p. 15]
VI.
De nacht was zoel en geurig,
En toch zoo rein en frisch,
Als slechts de nacht in 't Zuiden,
De nacht in Spanjen is.
De maan goot held're stralen,
Langs bloembed, bosch en vliet,
Een meer van zilver dekte
De heuv'len in 't verschiet.
De zefir lispte fluist'rend
Door 't loover zijn refrein,
De zoete geuren mengend
Van rozen en jasmijn.
Slechts in de verte klonk er
Een toon, weemoedig zacht,
Valencia's kathedrale
Sloeg 't uur van middernacht.
De gansche schepping trilde
Van weemoed en genot,
Een toon van heil'gen eerbied
Steeg dankend op tot God.
[p. 16]
't Was of een lofgemurmel
Op d'adem van den nacht,
Een zang van duizend stemmen,
Dien zucht ten hemel bracht.
't Was of de duizend sterren
Die flonkerden omhoog,
Hun vlammenkruinen bogen
En knielden voor zijn oog.
Die stem der schepping om ons
Sprak ook tot ons gemoed,
En wekte in ons een weerklank
Zoo wonderschoon en zoet;
Zij leunde op mijnen schouder
Haar hand rustte in de mijn',
En 'k sprak tot haar: ‘Rosaura,
Wilt gij de mijne zijn?’