[p. 17]
VII.
De sterren hoorden 't antwoord,
De zefir droeg het voort,
Door 't rits'len van de blaren
werd zacht haar ‘ja’ gehoord,
De bloemen geurden stiller
en lispten om ons heen,
Het moskleed straalde zilver
waar vriend'lijk 't maanlicht scheen.
Maar als een somber teeken
een voorgevoel van leed,
Klonk in het huiv'rend loover
tot driewerf toe een kreet;
De sombre toon des nachtuils,
de vogel van den rouw,
Stemde als een dreigend
omen
met d' eed van liefde en trouw.
In 't floers van zwarte wolken
dat voor het maanlicht rees,
Scheen 't of het noodlot wenkte
en op de toekomst wees;
En de aak'lig koele nachtwind
die door 't geboomte streek,
Scheen wel een rij van geesten
die naar hun graven week.
[p. 18]
't Was donker, en zij beefde,
en, schoon zij 't zwijgen dorst,
Een voorgevoel van onheil
beklemde ook hare borst;
Zij greep mijn arm, en haastte,
of de eenzaamheid haar woog,
Tot waar een warmer lichtglans
weer gloeide voor ons oog.