XI.
Weet gij het kleine plekje,
Daar ginder in de verte,
In 't midden der Huerta,
Met geurig gras begroeid,
Waar, aan het stille water
De amandelboom, omslingerd
Met kransen eppe en wingerd,
In milden rijkdom bloeit?
Waar zeven populieren
De slanke pluimen wieg'len,
De blanke kruinen spieg'len
In 't diep azuren bad;
[p. 23]
Een lijst van korenvelden,
Van dicht gevulde halmen,
In lichte gulden schalmen
Het spieg'lend meer omvat;
Daar kwamen wij te zamen
En vleiden daar ons neder,
En 'k zeide haar hoe teeder
Mijn liefde haar omgaf;
En 'k streelde hare wangen
En 'k kuste stil haar lokken
En 'k streek de wilde vlokken
Van 't witte voorhoofd af.