terug  begin  verder

XII.

 
Schoonheid, wie zijt gij?
 
Vanwaar komt gij?
 
Wij allen kennen u. godin,
 
Gevormd uit 't blanke schuim der zee,
 
Waarin een zonnestraal zich brak
 
Tot duizend kleuren.
 
Wij allen knielen voor uw macht,
 
En wie, verblind, uw rijk ontkent,
 
Zinkt weldra sidd'rend aan uw voet,
 
Aanbidt uw wond're kracht.
[p. 24]
 
En toch.... welk sterveling,
 
Welk priester is 't gegund,
 
Dat hij 't mysterie leert
 
Van uw betoovering?
 
 
 
Dat hij analyseert
 
Hoe 't magnetisme vloeit,
 
Dat tintelt in uw leven,
 
Dat in uw stralen gloeit?
 
 
 
Als sneeuwkristallen smelt gij weg
 
Wanneer u de ademtocht beroert
 
Van hem die u ontleden wil;
 
En, even als de waterdrup
 
Geen spoor, geen enk'len vleugel meer
 
Der wond're sterrengroepen toont,
 
Zoo blijft ook den ontleder slechts
 
Iets stoff'lijks, vormlijks in de hand,
 
Dat niets van 't schoon meer heeft.
 
 
 
En toch, hoe verschillend
 
Is uw openbaring;
 
Hoe duizende vormen
 
Neemt ge aan, ô godesse,
 
Wanneer ge u op aarde
 
Den sterveling toont.
[p. 25]
 
Meer vormen dan Vischnou
 
Telt uw incarnatie;
 
Want Vischnou is 't goede
 
En schoonheid is 't tooisel
 
Van hemel en hel.
 
 
 
Nu komt gij als engel,
 
Verheven, gebiedend,
 
In reine betoov'ring
 
Uw stralen vergietend,
 
Gezante der godheid,
 
Urania, Pallas,
 
Melpomene, Muze,
 
En laat u aanbidden
 
In waarheid en geest;
 
 
 
Dan tintelt en trilt ge
 
En lokt ten verderve,
 
En fonkelt verleidend
 
Als 't dartelend dwaallicht
 
Dat danst op de poelen
 
In zomerschen nacht,
 
En zweeft op den afgrond
 
In blauwige scheem'ring,
 
Als phosphorus glanzend,
 
In wiss'lende flikk'ring
 
In vlammende pracht.
[p. 26]
 
Gij hebt ze naar uw beeld geschapen,
 
De honderd machtige vorstinnen
 
Die eenmaal hier op aard regeerden
 
Door 't eenig recht dat niet betwist wordt:
 
Door uwe gunst en uwe gave,
 
't Onsterf'lijk droit divin der schoonheid.
 
 
 
Wie zal ze allen noemen,
 
Die, uw priesteressen,
 
't Menschdom kwamen doemen
 
Tot verderf en dood?
 
 
 
Sinds uw oudste dochter,
 
Helena, de blonde,
 
U het brandend Troje
 
Tot een offer opzond,
 
En op 't gouden altaar
 
Vriend en vijand slachtte;
 
Heeft door alle eeuwen
 
Uwe macht de zwaarden
 
Tot den strijd doen wetten
 
En uw blik de handen
 
Weer ten bond vereend.
 
 
 
Uw hymne is de oudste lofzang,
 
De eerste poëzie;
 
Ter eer derzelfde macht
[p. 27]
 
Rees 't bruidslied dat een koning
 
Zijn Sulamite voorzong
 
En Saffo's minneklacht.
 
 
 
Gij vormt uw stoet uit alle ware dichters;
 
De gloeiende verbeelding van het Oosten,
 
De sierlijk afgeronde vorm van 't Westen,
 
De statige, klassieke Venushymne,
 
Het heilig ave van den Christenpriester,
 
De bonte zang der nieuwe romantiek, -
 
't Wuift alles u zijn toonen golvend tegen,
 
Een wolk van geuren, bloemen en muziek.
 
 
 
U vierde steeds de mensch, 't zij hij zijn Muze roemde,
 
Als Laura, Beatrice, Elvire u eer bewees;
 
Het zij hij u zijn maagd Maria noemde,
 
En boven zijn Drievuldigheid u prees;
 
Of tot verzoening menschenoffers doemde
 
En voor Bhavâmi knielde in heil'ge vrees; -
 
 
 
Het is het godlijk-eeuwige, dat allen
 
In u vereerden tot op dezen dag;
 
Elk die uw' beeld in eigen boezem zag
 
Liet voor zijn godheid nieuwe lied'ren schallen;
 
Gelijk een drup in 't hart der bloem gevallen,
 
De zon weêrspiegelt die haar tegenlacht,
 
En schoon is van de schoonheid die er daalde
[p. 28]
 
Uit 't beeld welks glans zij minnend wederstraalde,
 
Totdat zij in den zonnegloed versmacht
 
En zich verliest en opgaat in zijn pracht;
 
 
 
Zoo ook verliezen in verrukking zich
 
De duizend zangers die u jub'lend prijzen:
 
De gloed der zonne drinkt hun lofzang in,
 
Doet als een geur hun ziel ten hemel rijzen:
 
En zoete dood is 't hun aan 't eind der baan.
 
Naar 't ideaal dat Boeddha heeft geraân,
 
In 't eeuwig schoone stervend op te gaan.

terug  begin  verder