terug  begin  verder

XX.

 
'k Heb haar gezien... zal 'k spreken van dien kus
 
Den laatsten licht, die mijne lippen drukte?
 
O, dat de dood alleen den vuurgloed blussch',
 
Die bij dien afscheidskus mijn ziel verrukte!
[p. 37]
 
Zal 'k zeggen hoe ik stil haar wederzag,
 
Hoe zij mij zwoer geen dwang te zullen lijden,
 
Maar voor 't geluk dat ons aan 't harte lag,
 
Zelfs tegen ouderliefde en plicht te strijden?
 
 
 
Maar 't is voorbij... 't kortstondig oogenblik
 
Zoo duur gekocht, en nimmer toch te schatten,
 
Die lach van zaligheid, die vochte blik
 
Die gansch een wereld van gevoelens scheen te omvatten.
 
 
 
Een half uur later sloot driedubb'le wacht
 
Elk' uitgang af, en als in kloostermuren
 
Verkwijnt ze in stilte en denkt en peinst en smacht,
 
En vraagt zich af: ‘Hoe lang kan liefde duren?’

terug  begin  verder