[p. 40]
XXIV.
Nog ben ik hier - en telken morgenstond
Zie 'k om de torenspits den nevel klimmen
En vluchtig de eerste zonnestralen glimmen
In goudglans op de bergen in het rond.
Een rozig licht tint ied're witte wolk,
Een gouden gloed rijst aan de kimmen op,
Bestraalt der palmen wiegelenden top
En werpt een purp'ren waas tot in den kolk
Die voor mijn voeten gaapt. En 'k zie omhoog,
Als wachtte ik van den ronden grijzen toren
Een lief'lijk sein te zien, een stem te hooren,
Of haar te zien verschijnen voor mijn oog,
Die 'k nog niet durf beschouwen als verloren.