terug  begin  verder

XXVI.

 
O uur van vreugd, na zooveel dagen wachten! -
 
Een bode van 't kasteel kwam dezen morgen
 
En riep mij naar het slot, en 'k ging er heen,
 
Niet wetend wat het lot mij brengen zou.
[p. 42]
 
En 'k vond een man in tranen, en een vrouw
 
Verbleekt van 't lange waken aan een ziekbed.
 
De grijsaard sprak, en luide snikken stoorden
 
De woorden die hij langzaam trachtte te uiten.
 
 
 
‘Ze is krank, onze eenige, onze roos, Rosaura;
 
Gij moet wel goed en edel zijn, o vreemdeling,
 
Om zoo het reine harte te betoov'ren
 
Van onze lieveling. o Beur haar op,
 
Geef der geknakte bloem het leven weder,
 
En wend ze thans ten zegen aan, de liefde,
 
Die haar ter nederwierp op 't gloeiend ziekbed.
 
Zij jaagt in koortshitte of verteert in kwijning,
 
En roept haar' ouders harde woorden tegen,
 
En klaagt om u. Welnu, zoo neem haar aan!
 
Is rang en kroon niet ijdelheid bij 't leven,
 
Bij 't kostbaar leven van ons eenig kind?’
 
 
 
En 'k zag haar weêr; en zoet glimlachend sprak zij,
 
Terwijl een traan uit 't groote, donker oog
 
Zacht paarlend langs haar bleeke wangen rolde:
 
 
 
‘Gij waart nog hier? Het was u dus geen ernst,
 
Het wreede briefje dat gij 't laatst mij zondt?
 
Gij vraagt vergeving, - alles is vergeven
 
Wanneer gij slechts niet zegt dat 't ernst u was.
 
Niet waar, geliefde, gij bemint mij nog?
 
Zult steeds mij minnen en mij nooit verlaten?’
[p. 43]
 
Zij sprak dit alles met een zachte stem
 
En 'k zag hoe zwak zij was, en hoe haar oogen
 
Van 't sterke licht vermoeid en 't veel gedruisch
 
Zich langzaam sloten, even of ze sliep.
 
En 'k zag den grijsaard en de moeder aan;
 
En zij beschouwden mij met droeven blik,
 
Alsof ze mij benijdden dat hun kind
 
Den vreemdeling beminde boven hen.
 
Toen reikten zij mij stil de hand en 'k zeide
 
Hun de belofte die mijn hart mij ingaf,
 
Dat 'k steeds hun lieveling beminnen zou
 
En haar beschermen als den bruîgom past.

terug  begin  verder