XXXII.
Zie, liefste, ginder in den zonneschijn
Den kleinen colibri, o zie zijn kleuren!
Nu schijnt hij, als een vlinder van robijn,
't Smaragden kopje al trillend op te beuren
Dan prijkt zijn borst in donker blauw satijn
Of schijnt in violetten rouw te treuren.
Bij ied're wiss'ling van het golvend licht,
Verkleurt zijn verw voor 't schemerend gezicht.
[p. 62]
De vogel der Antillen is als gij,
Mijn liefste, ook altoos schoon en altoos boeiend,
Maar nu gelijkt ge een kind, onschuldig, vrij,
Frisch als een roos in lente's adem bloeiend;
Dan zinkt ge weg in zoete droomerij,
Van weemoed schreiend, van verrukking gloeiend -
Zoo vaak ik ga, bemin 'k u meer en meer,
En als ik kom, vind 'k u nog schooner weêr.