[p. 69]
XXXIV.
't Was ochtend en wij reden
Te samen langs de wegen
En 'k sprak haar van de toekomst
En onze trouw en liefde.
Wij kwamen aan den viersprong,
En, daar we nog niet wisten,
Waar heen ons 't pad zou leiden,
Vertoefden wij een wijle.
Daar zagen we op een steenhoop
Eene oude vrouw gezeten,
Een beed'lende gitana
Die ons voorspellen wilde.
Rosaura wilde voortgaan;
Zij vreesde, zeide ze angstig
Voor 't loerend oog der oude
En voor hare amuletten.
Maar 'k wist haar te overreden
Verstandiger te wezen
En onbevreesd aan de oude
De blanke hand te reiken.
[p. 70]
En de oude zag haar vorschend
In de engelreine trekken,
Als wilde in 't diepst der ziele
Zij haar geheimen putten.
Rosaura en geheimen,
Geheimen diep verborgen!
Ik glimlachte en zag mede
Mijn liefste diep in de oogen.
Maar mijn Rosaura beefde
En sloeg hare oogen neder
En 't speet mij dat 'k zoo dringend
Bij haar had aangehouden.
Ik zeide: ‘Laat ons heengaan;
Ik wil niet dat de kunsten
Der beed'lende sibylle
U zullen doen verbleeken.’
‘Gij wilt dan heengaan, jonkvrouw?
Sprak smalend de gitana;
Gij vreest de stem der waarheid
En durft ze niet te hooren?’
Rosaura bloosde en zeide,
Terwijl ze uitdagend lachte:
[p. 71]
‘Zou ik de waarheid vreezen?
Zeg me alles, wijze moeder’
Toen, met haar bruinen vinger
De fijne lijnen volgend,
Zong langzaam de gitana
Met strakken blik haar aanziend:
‘Zoet geurt de bleña en schoon zijn haar kleuren,
De lief'lijkste bloesem der heî; -
Maar vlied haar, wand'laar, ga voorbij!
De geest der duisternis woont in de balsemgeuren,
En dood bergt de bloem der vallei!
Kalm is de zee bij Valencia's kusten,
Een spiegel haar effen gebied; -
Maar hoed u, vreemd'ling, weet gij niet
Dat onder 't blauwe vlak de scherpe rotsen rusten,
En menig het leven er liet?
Schoon zijn de vrouwen, een hemel haar oogen,
En lief'lijk haar zonnig gelaat; -
Maar leugen, o vreemd'ling, haar woord en haar daad,
O vlied haar lachjes, vlied, eer zij u hart bedrogen,
Wellicht waar 't berouwen te laat!’
Dit had de vrouw gezongen
Met zacht, eentonig fluist'ren,
[p. 72]
En nauw'lijks nog verstond ik
Den zin der vreemde beelden.
Maar, naar Rosaura ziende,
Zag 'k op haar bleeke wangen,
Dat zij aan 't woord der oude
Wel meer beteek'nis hechtte.
‘De suffende gitana
Spreekt wartaal!’ riep ik lachend;
‘Zie hier uw loon, sibylle,
Voor 't fraai vertelde sprookje.’
Maar gansch dien schoonen morgen
Was mijn Rosaura somber,
En telkens vroeg zij weder,
Of ik haar nog beminde.