terug  begin  verder

[p. 76]

XXXVI.

 
Waarom mij te kwellen, liefste,
 
Met die vragen: of ik ooit
 
Op zou houden u te minnen?
 
Want gij weet, dat kan ik nooit.
 
 
 
En die and're vraag, nog wreeder,
 
Waar 'k nooit antwoord op verzon:
 
Als gij mij niet meer bemindet,
 
Of 'k u ooit vergeten kon?
 
 
 
Liefste, als ik uw liefde miste,...
 
Maar, niet waar? waartoe gedacht,
 
Als de zon schijnt aan den hemel,
 
Over dood en eeuw'gen nacht?
 
 
 
Spot niet, kind. - Als de oogst de velden
 
Tooit met gulden overvloed,
 
En de landman van de vlakte
 
't In zijn schuren bergen moet;
 
 
 
Als hij 's avonds dan in 't hutje
 
Bij den vollen akker waakt,
 
En met knechten en gezellen
 
Zijn gekruiden olla maakt;
[p. 77]
 
Kouten allen, langzaam rookend,
 
Bij het smeulend rijzenvuur,
 
En bekorten met verhalen
 
't Stille zomeravonduur.
 
 
 
Maar als een in 't tooversprookje
 
Spreekt van regen, stormgedruisch,
 
Heerscht er stilte eensklaps in 't ronde
 
En de landman maakt een kruis.
 
 
 
Spreek niet, spreek niet van het booze,
 
Roep den geest des kwaads niet aan;
 
Laat het noodlot rustig sluim'ren,
 
't Vordert snel genoeg zich baan.
 
 
 
Gij bemint mij, mijn Rosaura,
 
Laat 't zoo zijn en vraag niet meer;
 
Pluk uw bloemen vrij, en denk niet:
 
‘Vind ik morgen and're weêr?’

terug  begin  verder