XLI.
Waarom wilt gij komen troosten,
Waar geen troost meer moog'lijk is?
Drijft men weêr de zon naar 't Oosten
Als het zomermiddag is?
Tracht men frischheid nog te geven
Aan de lelie, eens geknakt?
Wacht men schaduw van de dreven
Die de bijl heeft omgehakt?
Troost .. of wilt gij 't leugen heeten,
Wat mijn wanhoop heeft gewekt?
Wilt ge dat ik 't zal vergeten,
Wat zij zelf mij heeft ontdekt?
Troost... of wilt gij mij bewijzen
Dat ik nog gelukkig ben?
Dat ik Gods genâ moet prijzen
En zijn goedheid blind misken?
[p. 86]
Lafenis wilt gij mij schenken
En gij biedt mij honigzoet,
Als ik 't dorstig hart wil drenken
In een golf van gif en bloed?
'k Bid u, houd uw medelijden,
Berg den troost dien 'k niet begeer;
Laat mij sterven, laat mij lijden,...
Laat mij rusten.... 'k vraag niet meer.