terug  begin  verder

XLIII.

 
Stroomt, mijn tranen, als gij smarten
 
In den wonden boezem heelt,
 
Als gij aan 't verscheurde harte
 
Milden balsem lavend deelt.
 
Maar wanneer gij de oude voren
 
Scherper, wreeder openrijt,
 
En de wonde, half genezen,
 
Bitterder en dieper bijt;
 
O, houdt op, houdt op te vloeien,
 
Doet het hart dat zooveel droeg,
 
Niet in 't zilte nat verschroeien,....
 
't Heeft reeds bitterheid genoeg.

terug  begin  verder