terug  begin  verder

[p. 93]

XLVI.

 
Zou 't waar zijn, de Musset? En zou bij 't nestje bouwen
 
De vogel hoopvol zijn, en vroolijk, als weleer?
 
Of zou hij ied'ren nacht met kommer en mistrouwen,
 
En ieder avondrood met nieuwen angst aanschouwen,
 
En fluist'ren over 't nest: Vind ik u morgen weêr?
 
 
 
Draagt voor 't gevallen knopje, elk boschje nieuwe rozen,
 
Der frissche bloem gelijk die d'eerste maal ontsproot?
 
Is met de bloesem niet vaak 't hart der plant bevrozen
 
En schenkt de zomergloed die later haar doet blozen
 
Den jongen geur haar weer, dien ze in de lente bood?
 
 
 
Vergeten... minnen weêr.... wanneer ge uw gansche wezen,
 
In één gedachte ziel en leven hebt gelegd,
 
Uw wereld was de liefde in haren blik gelezen,
 
Uw zaligheid de lach op haar gelaat gerezen,
 
Uw dierst kleinood een bloem, aan haar gewaad gehecht;
 
 
 
Dan geeft geen zomerdauw der ziele versche bloemen,
 
Dan siert geen frissche kelk den dooden stengel weer,
 
En zoo in de woestijn die gij uw hart mocht noemen,
 
Morgana 't paradijs nog voor u op laat doemen
 
Er bloeit... een maankopplant, - maar naast haar geene meer!

terug  begin  verder