terug  begin 

XLVIII.

 
‘Zie, sprak zij zacht, ik sterf, en 't kindje is ook gestorven
 
Van koude en hongersnood;
 
Wij hebben rusteloos van plaats tot plaats gezworven,
 
Ik danste... voor wat brood!
 
Maar wat men gaf, nam hij... wreed was hij als ik klaagde,..
 
'k Wist dat ik sterven zou;
 
't Was niet de ziekte alleen die aan mijn leven knaagde,
 
Ook heimwee en berouw.’ -
 
Zij poosde en hoestte, - toen vervolgde zij haar rede,
 
Schoon zwak en vaak gestoord:
 
‘'t Zal ras gedaan zijn, sprak ze, o deel mij iets nog mede,
 
Van huis, een enkel woord.
 
Mijn vader,... leeft hij? Ja? o, heeft hij mij vergeven?
 
Gij zwijgt,... ik wist het wel...
 
Zijn vloek verzelde mij en maakte mij het leven
 
Een voorportaal der hel!
[p. 96]
 
Mijn moeder stierf van smart... ik heb haar dood vernomen,.
 
Ik zag haar voor mij staan
 
In tranen ied'ren nacht; zij rees in al mijn droomen,
 
En zag mij droevig aan.
 
Wis, stervend riep zij mij,... haar kind, dat verre toefde,
 
Gevlucht van hare zij....
 
En gij, dien ik zoo zwaar beleedigde en bedroefde,
 
Die zooveel leedt om mij...
 
Hoe 't hart mij brak van schaamte, als 'k u zag binnentreden,
 
Hoe 'k mij verbergen wou!
 
Vergeven kunt gij niet... toch heb 'k voor u gebeden
 
Met tranen en berouw.
 
Mijn blijde jeugd,... wat is zij spoedig heengevaren,
 
Wat was zij kort van duur!
 
Herinnert ge u, hoe schoon Valencia's dreven waren,
 
In 't zomeravonduur?
 
O mijn geboorteland! Verschiet der blauwe toppen,
 
En lief lijk zonnig dal!
 
Herinnert gij u wel mijn Elche's palmenknoppen
 
En Mantre's waterval?
 
Het hooge bergterras, waar ik als meisje speelde
 
In schuldelooze vreugd,...
 
O ze eenmaal nog te zien, als toen, in reine weelde,
 
Die bloesems mijner jeugd!
 
O eenmaal slechts den steen, den kouden steen te kussen,
 
Waar mijne moeder rust,
[p. 97]
 
Aan 't koude grafgesteent te pogen 't vuur te blusschen,
 
Dat niet wordt uitgebluscht!
 
't Mocht niet zoo zijn.., helaas, met zooveel schuld beladen,
 
Is 't stervensuur zoo zwaar;
 
't Wil bidden... 't schijnt me alsof, wanneer wij samen baden,
 
Het mij verlichting waar,...’
 
En 'k bad, om haren geest geruster te doen scheiden,
 
Die oude woorden meê,
 
Die de afgetobde ziel naar 't hemelsch huis geleiden
 
Tot hooger kalmte en vreê.
 
En 'k zag haar in mijn arm het moede hoofd doen zinken,
 
En de oogen sluiten snel,
 
En fluist'rend hoorde ik toen haar laatste woorden klinken:
 
‘Vergeving, en vaarwel!’

terug  begin