|
|
|
| | | | | |
Anneke C.G. Fleurkens
Leren met lust Coornherts toneelspelen
*
‘Ick hoore 't spelen gaerne, want het met lusten
leert’ laat het personage Cruysvlucht zijn gesprekspartner Raed Wel in de
‘Voor-reden’ tot Coornherts toneelspel
Abrahams uytgangh
1 (vs. 60)
2 weten, als deze hem
een opvoering van een spel over Abraham in het vooruitzicht
heeft gesteld. In dat spel zal aan de hand van de oudtestamentische Abraham de
problematiek behandeld worden die beiden zoëven in de
‘Voor-reden’ besproken hebben: het onder druk van de omstandigheden
al dan niet verlaten van het eigen land. Het aangehaalde citaat doet twee
informatieve uitspraken over toneel. Ten eerste wordt er gerefereerd aan een
concrete opvoeringspraktijk van Coornherts stuk en ten tweede wordt de
doelstelling van toneel omschreven: toneel leert door middel van aangenaam
vermaak. Het moet deze visie op de functie van toneel zijn geweest die
Coornhert heeft gemotiveerd tot het schrijven van in
totaal tien
3 ons overgeleverde toneelspelen. Binnen Coornherts
omvangrijke oeuvre nemen deze toneelspelen een vrij bescheiden plaats in. Dit
genre bood hem de mogelijkheid zijn opvattingen op een aangenamere wijze uit te
dragen dan in zijn louter beschouwende traktaten. Wellicht werd zijn keuze voor
toneel ingegeven door de verwachting op deze manier, zeker in geval van
opvoering, een ander en wellicht ook breder publiek te bereiken. Maken, zoals
gezegd, Coornherts toneelspelen slechts een beperkt gedeelte uit van zijn hele
werk, dit neemt niet weg dat hij een van de meest vruchtbare Nederlandstalige
toneelauteurs uit de tweede helft van de zestiende eeuw is. Voldoende reden om
op dit aspect van zijn veelzijdige activiteiten nader in te gaan.
| |
Schrijven en drukken
Gedurende een groot gedeelte van zijn leven, ruim dertig jaar
zoals het hierna volgende ‘Overzicht van Coornherts toneelspelen’
laat zien, heeft Coornhert zich met meer of minder grote tussenpozen gezet tot
het schrijven van toneelspelen. Over de jaren van ontstaan, weergegeven in de
eerste kolom, bestaat een consensus.
4 Een aantal spelen is duidelijk geconcipieerd in perioden van
gedwongen ledigheid.
Lief en Leedt schreef hij tijdens zijn
gevangenschap in de Gevangenpoort te Den Haag,
terwijl
Abrahams uytgangh,
Israel en
Thien maeghden zeker produkten zijn van zijn
verblijf in ballingschap in Duitsland, dat, afgezien van een
onderbreking in 1572, duurde van 1568 tot 1576.
5 De
concentratie van het ontstaan van toneelspelen in deze periode lijkt een
indicatie voor een verband tussen het beschikken over vrije tijd en de
produktie van meer onderhoudende tekstvormen.
| | | |
Overzicht van Coornherts toneelspelen
| |
Ontstaan |
Eerste uitgave |
|
Rijckeman |
c. 1550 |
1582 |
|
T'Roerspel |
voor 1567 |
1590 |
|
Lief en Leedt |
1567 |
1582 |
|
Tweeling |
1567-1570 |
1582 |
|
Abrahams uytgangh |
c. 1570 |
1575 |
|
Maeghdekens schole |
c. 1570-1575 |
1630 |
|
Israel |
1575 |
1590 |
|
Thien maeghden |
1576 |
1630 |
|
Blinde voor Jericho |
1582 |
1582 |
Soms vindt de relatie tussen bijzondere omstandigheden en een
toneeltekst zijn uitdrukking in behandelde thematiek en stofkeuze. Een
dergelijke situatie doet zich voor in
Abrahams uytgangh, volgens
Coornhert de ‘eerste vrucht mijns onledicheydts in
't rymen’, niet te interpreteren als ware het zijn eerste toneelstuk.
6 De discussie in de ‘Voor-reden’ over het
al dan niet vanwege benarde omstandigheden verlaten van het eigen land en de
behandeling in het spel zelf van het vraagstuk van het al dan niet gehoorzamen
aan Gods wil - gedemonstreerd aan Gods opdracht aan Abraham om zijn land te
verlaten - moeten mede zijn ingegeven door Coornherts persoonlijke situatie op
dat moment. Het bestaan van een dergelijke relatie betekent echter niet
vanzelfsprekend dat het betreffende spel concrete informatie bevat óver
die situatie.
Anders dan gebruikelijk voor Nederlandstalige toneelauteurs in zijn
tijd schreef Coornhert zijn toneelstukken buiten het verband van de
rederijkerskamers. Veel geciteerd is in dit verband zijn uitval naar de
rederijkers in de ‘Voorreeden’ van
Rijckeman, die waarschijnlijk tegelijk met de
komedie rond 1550 geschreven werd (vs. 76-83):
‘Stont die const nu, als voormaels, inder eeren tent
Als sy
Cicero vant neerste int hoochste heeft gesent,
Waer deer [=de eer] haer noch omtrent, men mochter toe keeren
Maer ghy kent het volcxken diet rijmen hanteeren,
t Zijn meest schampere Pasquillen diet so verneeren
Datse eer ontbeeren die sich by rethorijcken
Laten mercken of kijcken.’
Volgens Coornhert ontbreekt het de ‘const’ in zijn tijd
aan eer, omdat de beoefenaars in tegenstelling tot vroeger tijden haar
vernederen. In de volgende verzen zegt hij met welke intentie hij zelf de
toneelschrijfkunst beoefent (vs. 84-87): | | | |
‘Soec ick dan eer noch gelt, wat doets my useeren [=
hanteren]?
Hoort, mijn sin streckt om u met lusten te leeren
t Quaet dat u mach deeren om daer af te wijcken,
En tgoedt om na te strijcken [=na te streven].’
Toen de hier aangehaalde negatieve waardering van zijn broeders in
de kunst uiteindelijk in 1582 in druk verscheen, heeft dat
Coornhert waarschijnlijk het nodige commentaar van hun
kant opgeleverd. Immers, in het voorwerk van de in het zelfde jaar verschenen
Tweeling komt hij op zijn uitlatingen terug in
een rechtstreeks adres ‘Aen allen Rijmers vroom verstandich en
constich’.
7
De goede rederijkers heeft hij niet op het oog gehad (vs. 43-48):
‘Had ic die scamp allen Riimers toe gheschreven
waer waer Coornhert ghebleven?
waer die niet zelf getreft? Riimde die niet mede?
O neen, die beleefden [= kundigen] heb ic geenssins gemeendt;
daer met bliif ick vereendt,
by dat Loflick volck zoeck ick ionst ende vrede.’
De hier aangehaalde regels geven een zuiverder beeld van Coornherts
relatie tot de rederijkers. Wie de ‘const’ naar zijn inzicht goed
beoefent, kan op zijn onvoorwaardelijke waardering rekenen. Deze meer
genuanceerde houding wordt bevestigd door de contacten die in de tachtiger
jaren aan te wijzen zijn tussen Coornhert enerzijds en de leden van de
Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier en hun voorman
Spiegel anderzijds.
8
Coornhert heeft, zoals hierboven al is opgemerkt, lang gewacht met
het publiceren van zijn
Rijckeman. Zijn eersteling op dramatisch gebied
verscheen trouwens niet als zijn eerste toneelstuk in druk.
9 Voor de ‘eersten uytganger’,
het eerste - in dit geval literaire - werk dat in druk verschijnt, bepaalde hij
zijn keuze op
Abrahams uytgangh. Coornhert laat deze tekst in
1575 verschijnen bij
Derck van Zanten in Rees, een plaats niet ver
van zijn toenmalige ballingsoord Xanten. Zijn motivatie om op dat
tijdstip over te gaan tot publikatie van literair werk verwoordt hij in zijn
opdracht aan
Arendt van Wachtendonck:
‘Het zijn nu al veel iaren gheleden, dat by my ghelegen
hebben vele Nederlantsche Rymen in Comedien, Sentbrieven, Liedekens ende
anders, die welcke nu ende dan by eenighe sijn ghelesen gheweest, die te
lustighe stichtinghe (soo sy seyden) daer inne saghen, dan dat sy on-ghedruckt
by my verdruckt souden blyven ligghen, also ben ick ten laetsten door bede van
eenige ghedrongen geweest die selve myne Rymerijen allenskens door den prent
[=druk] ghemeen te maken: als ick nu desen Abrahams uytgangh totten
eersten uytganger geschickt [= bestemd] hadde […].’
10
Coornhert geeft aan al sedert lange tijd literair werk in
verschillende genres in portefeuille te hebben gehad en nu op nadrukkelijk
verzoek van anderen - een tradi- | | | | tionele bescheidenheidsformule maar
mogelijk toch niet zonder enige grond - tot publikatie van een deel ervan over
te gaan. Toch komt het er wat zijn toneelteksten betreft tijdens zijn
ballingschap verder niet meer van.
In 1582 is er ineens sprake van een ware explosie van
toneeluitgaven. Liefst vier verschillende titels verschijnen in dat jaar,
gezien het bijbehorende voorwerk mogelijk in deze volgorde:
Rijckeman,
Lief en Leedt,
Tweeling en
Blinde voor Jericho.
11 De opdrachten bij deze uitgaven en het
karakter van het voorwerk duiden op rechtstreekse betrokkenheid van
Coornhert bij deze publikaties, als hij er al niet zelf
het initiatief toe heeft genomen. Anders ligt het met de twee uitgaven die in
zijn sterfjaar 1590 verschijnen,
T'Roerspel en
Israel. Coornherts persoonlijke omstandigheden
gedurende zijn laatste levensjaar - drukte vanwege de controverse met
Lipsius bij een verslechterende gezondheidstoestand -
maken het onwaarschijnlijk dat hij zelf in deze uitgaven de hand heeft gehad.
Bovendien zijn beide teksten niet voorzien van een opdracht of enig ander
voorwerk.
Twee toneelteksten,
Maeghdekens schole en
Thien maeghden, werden postuum gepubliceerd in
1630 in zijn verzamelde
Wercken.
12 Het zijn Coornherts enige
toneelteksten in proza en bovendien gericht op een meer specifieke doelgroep:
de jonge vrouw op de drempel van de volwassenheid.
| |
Een visie op toneel
In het kort is al gerefereerd aan Coornherts beschouwing van het
toneel als middel tot ‘leren met lust’. Een dergelijke Horatiaanse
uitspraak zonder meer is weinig informatief en als zodanig van toepassing voor
het overgrote deel van de zestiende-eeuwse literatuur. Coornhert heeft zich een
paar maal uitvoeriger over het toneel uitgelaten. In 1561 verschijnt te
Haarlem bij
Jan van Zuren een uitgave van
De spiegel der minnen van
Colijn van Rijssele, voorzien van een nawoord door
Coornhert. Hoewel dit uit het impressum niet blijkt, was Coornhert betrokken
bij Van Zurens uitgeverij. Hij was een van de initiatiefnemers bij de
oprichting en zijn aandeel in de werkzaamheden had vooral betrekking op de
samenstelling van het fonds.
13 In het nawoord
verdedigt Coornhert dit amoureuze toneelstuk tegen de laster die enige
grijsaards er wellicht tegen in zouden weten te brengen.
14
Coornhert geeft toe dat het gedrag van deze twee geliefden niet te
verschonen is, maar dat is nog geen reden om het niet te beschrijven:
‘Soo moeten oock ymmers de meeste daden ende gheschiedenissen
alsulcx wesen als het meeste volck is, te weten onrecht, onbehoorlijck ende
lasterlijck. Nu en ist oock gheen minder oorbaer [=nut] het quade te kennen om
sulcx te vermijden, dan het goet te verstaen om dat te beleven.’
De realiteit mag dus, ook in haar kwalijke hoedanigheden, ter lering
en naar gelang van die hoedanigheid al dan niet ter navolging ten tonele
gebracht worden.
Volgens Coornhert heeft de mens in geen enkele fase van zijn bestaan
meer behoefte aan onderwijs dan tijdens de jeugd. Juist dan heeft men echter
een afkeer | | | | van goed onderwijs. Hij ziet er daarom ook geen been in
te proberen de jeugd te lokken ‘met materie die haer bevallich ende als
honich soet schijnt ende nochtans niet en is sonder het sout van eenen
truerighen uutganck’ in casu de liefdesgeschiedenis van Dierick en
Katherina. De rechtvaardiging voor het gebruik van dergelijke honingzoete
materie is gelegen in de slechte afloop van de geschiedenis. Het ontbreken van
zo'n afloop is voor
Coornhert even later het motief om de komedies van
Terentius en
Plautus - in zijn tijd zeer populair als repertoire voor
het schooltoneel - af te wijzen.
‘Terentius, ick swijge de gheyle Plauturs [sic], wert in
allen scolen den kinderen voorgelesen ende geleert, niet teghenstaende hy met
exempelen van ongehoorsaemheyt, ongetrouheyt, schalcheyt, bedroch, ende
hoerderyen duergaende heens doorspect is, welcke sonden daer noch al meest
ongestraft blijvende ten goeden eynde comen.’
De achterliggende gedachte is duidelijk. Een toneelstuk moet om op
ondubbelzinnige wijze te kunnen beleren de onaangename consequenties van
verkeerd gedrag laten zien.
In het kader van zijn eigen werk laat Coornhert zich een enkele maal
beschouwelijk over toneel uit. In aansluiting op zijn al beschreven uitval naar
de rederijkers stelt Coornhert in de ‘Voorreeden’ bij
Rijckeman dat hij anders dan de rederijkers geen
gebruik maakt van dichterlijke verzinsels maar van waarachtige stof, zoals die
uit de mond van Christus tot ons gekomen is (vs. 88-92). Uit zijn verdediging
van
De spiegel der minnen blijkt dat hij onder
bepaalde omstandigheden het gebruik van dichterlijke, verzonnen stof kan
goedkeuren. Voor zijn eigen toneelwerk heeft Coornhert dergelijke onderwerpen,
behoudens enkele episodes in
Maeghdekens schole, niet gekozen. Hij zal steeds
aan de bijbel ontleende stof gebruiken - bijbelse geschiedenissen en parabels -
of zeer algemene, maar duidelijk christelijk geïnspireerde stof.
Het meest uitgebreid zet Coornhert zijn visie op toneel uiteen in
zijn ‘Rymerien aenden rymlievenden leser’, voorafgaande aan
Lief en Leedt.
15 Ook hier zet hij zich af tegen de
eigentijdse rederijkers, in dit geval hun zijns inziens eenzijdige gerichtheid
op versierend woordgebruik en metrische wetten. Met mooie woorden verwerft men
echter geen deugd (vs. 41-45). Uit het vervolg blijkt dat het voor Coornhert
juist om dat laatste - de deugd - gaat, als hij zich inlaat met toneel. Immers:
‘Doecht [= deugd] maect salich, woorden niet, die acht hy [= Coornhert]
gering’ (vs. 54). Een en ander houdt echter niet in, naar verderop zal
blijken, dat Coornhert geen aandacht zou hebben gehad voor het woordgebruik. In
het algemeen pleit Coornhert voor een eenvoudige, ongekunstelde taal. De
woorden dienen echter wel te worden aangepast aan de aard van de zaken die ze
beschrijven (vs. 65-72): | | | |
‘Want diens pen recht constich den dingen tafereelt,
Die tlelyck onschoon, en tschoon suverlick uutbeelt.
Dat heetmen lustich en constich retoryken,
Alsmen woorden stelt die den dingen gelyken.
Dan ist cleet nae des Persoons waert [= positie] chierlyc of
slecht [= eenvoudig].
Dan becleetmen anders een Heer, anders een Knecht
En dan schijnt het woort die dingen te vertogen [= vertonen]
Recht oftmens geschieden sage voor den oogen.’
Coornhert formuleert hier de tot het onderdeel stijlleer
van de retorica behorende eis van het decorum: het juiste woord bij de
juiste zaak.
Coornherts beschouwingen leren ons het volgende. Toneel moet op de
allereerste plaats aanzetten tot deugd, bij voorkeur aan de hand van
waarachtige, liefst bijbelse stof. Bij gebruik van dichterlijke, verzonnen
onderwerpen mag in geen geval sprake zijn van beloning van verkeerd gedrag. Het
taalgebruik moet eenvoudig zijn en de woorden moeten overeenstemmen met de
zaken waar ze uitdrukking aan geven. De toneelstukken zelf zullen ons moeten
leren hoe Coornhert deze vrij vage uitgangspunten realiseerde en vooral ook
welke inhoud hij gaf aan zijn lessen in deugd.
| |
Vormgeving
Uit Coornherts uitspraken over toneel blijkt - op de opmerking
over het passende woordgebruik na - niets van een opvatting hoe een toneelstuk
vorm moest krijgen. Afgaand op een aantal formele kenmerken zou men Coornhert
kunnen beschouwen als een overgangsfiguur tussen het rederijkerstoneel van zijn
tijd en het renaissancetoneel zoals zich dat in de zeventiende eeuw zal
ontwikkelen. Naast typische rederijkerskenmerken als allegorische personages en
- in de beginperiode - een indeling van het spel met behulp van pausa's vinden
we ook nieuwe elementen, die als renaissancistisch worden gezien.
16 Als zodanig kunnen genoemd
worden het gebruik van koren, indeling van een aantal spelen in bedrijven en
scènes en het gebruik van genre-aanduidingen als ‘comedie’
en ‘tragica-comedia’. Hoewel er in de tijd gezien sprake is van een
toenemend gebruik van dergelijke elementen, kunnen we ons afvragen of voor
Coornhert hierin de essentie van toneel heeft gelegen. Naast toneelstukken
waarin deze kenmerken voorkomen schrijft hij in dezelfde tijd spelen die
daarvan afwijken, namelijk
Tweeling,
Maeghdekens schole en
Thien maeghden. Het geheel van zijn toneelspelen
wekt eerder de indruk van een experimenteren met op dat moment in zwang zijnde
toneelvormen, zoals het al dan niet gebruiken van koren, het invoeren van de
vertellende Auctor-figuur en het gebruik van proza in plaats van poëzie.
Naast deze variatie in vormen zijn er in Coornherts toneelspelen ook duidelijke
constanten aanwezig: het gebruik van allegorieën als personages en de
gerichtheid op betoog in plaats van op handeling. Voor het overbrengen van
inzichten inzake deugd via toneel moeten deze elementen voor Coornhert van
wezenlijk belang zijn geweest.
| | | | | |
Allegorieën
Alle toneelspelen van
Coornhert worden gedragen door allegorieën,
personificaties van abstracte begrippen, vaak ook van menselijke eigenschappen,
die al redenerend proberen hun invloed uit te oefenen op dé mens. Zo
confronteert Coornhert ons bijvoorbeeld met personages als Schriftuerlijc
Bewijs, Conscientie, Ghelt, Veritas [= waarheid], Fides [= geloof], Detractio
[= kwaadsprekendheid] en Superbia [= hoogmoed]. Ook de mens, die ze pogen te
beïnvloeden, is geen individu maar representant van de mens als zodanig.
Traditionele naamgevingen als Al De Werelt en Mensche zijn in dit opzicht
veelzeggend. Wanneer Coornhert ertoe overgaat concrete eigennamen te gebruiken,
vindt dit meestal zijn aanleiding in de door hem als uitgangspunt gekozen stof.
In
Egypsche vroeyvrouwen, gebaseerd op
Exodus I, figureren de vroedvrouwen Sephora en Phua, die volgens
de opgave van personen respectievelijk ‘leringe des geestelijken
verlichtings’ en ‘leringe des ouffeninge vant cruys Christi’
vertegenwoordigen. Zelfs wanneer er sprake lijkt van concrete naamgeving zonder
meer, Iohanna en Galilea in
Maeghdekens schole, zijn er aanwijzingen dat
deze namen op een abstracter niveau geïnterpreteerd moeten worden. Bij de
eerste vermelding van Galilea wordt achter haar naam ‘volubilis’
[=de onbestendige] toegevoegd, terwijl Iohanna, ook voorkomend in
Israel, daar als ‘Ghenade Godes’
wordt gekenmerkt.
17
Met deze allegorieën hanteert Coornhert een toneelconventie
waarmee het eigentijdse toneelpubliek uitermate vertrouwd was via de
zinnespelen van de rederijkers. Door zich aan te sluiten bij een zo sterke
traditie bereikt Coornhert dat zijn publiek de door hem bedoelde lering des te
gemakkelijker zal overnemen.
Bovendien kende het publiek de allegorie niet alleen via het
toneel maar ook via de beeldende kunst, met name de prentkunst uit die tijd,
die er eveneens op gericht was zoveel mogelijk mensen te instrueren. Aan die
prentkunst heeft Coornhert zelf een werkzaam aandeel gehad als uitvoerder maar
zeer wellicht ook als geestelijke vader van ontwerpen van
Maarten van Heemskerck.
18 Voor de
allegorische uitbeelding van personificaties ontwikkelden zich langzamerhand
vaste patronen, zodat de personificatie van een abstract begrip snel herkend
kon worden aan de wijze waarop ze was afgebeeld en aan de attributen die ze met
zich voerde. Als voorbeeld: zowel Philautia [= eigenliefde] als Prudentia [=
wijsheid] - beide op vernuftige wijze in één personage
samengevoegd in
Thien maeghden - kunnen worden uitgerust met
een spiegel, die zowel zelfkennis verschaft als de waarheid vertekent. De
context bepaalt uiteindelijk vanuit welke optiek dit dualistische attribuut is
toegepast.
19 In een aantal gevallen geeft
Coornhert in zijn toneelspelen aanwijzingen over de aankleding van zijn
figuren. Soms sluit hij aan bij een bestaande conventie van uitbeelden, in
andere gevallen wekt hij de indruk van originaliteit maar kiest dan zulke
vanzelfsprekende attributen dat misverstanden uitgesloten zijn.
20 Wanneer
Coornhert nalaat dergelijke aanwijzingen in zijn toneelspelen te geven, mogen
we er wellicht van uitgaan dat de personificaties mede door hun aankleding
duidelijk kenbaar werden gemaakt. De aansluiting bij de traditie in de
beeldende | | | | kunst kan het effect van het via het toneel
gevisualiseerde, gecombineerd met het gesproken woord, alleen maar versterkt
hebben.
| |
Verhandeling in plaats van handeling
Over Coornherts toneelstukken is door de literatuurhistorici vrij
vaak een negatief oordeel uitgesproken. Een voorname oorzaak blijkt het
overwicht van het betoog over een nauwelijks aanwezige handeling. Als voorbeeld
de mening van
Kalff in 1907: ‘Zijn neiging tot redeneeren en
betoogen kon
Coornhert den teugel vieren in zijn zinnespelen.
[…] Al deze stukken zijn, als zoovele der zestiende eeuw, bijna
kinderlijk van opzet, arm aan handeling en verwikkeling, vol allegorie.’
21 Het moge duidelijk zijn: Coornherts visie en die
van zijn tijdgenoten op toneel verschilt wezenlijk van de sedert de zeventiende
eeuw gangbaar geworden opvatting van toneel als gedragen door handeling tussen
individuen. Voor hen wordt daarentegen een toneelstuk opgebouwd op basis van
argumentatie tussen abstracties. Soms refereren personages in Coornherts spelen
aan deze opzet. Nadat bij voorbeeld Veel Behoeven in
T'Roerspel met kracht van argumenten heeft
aangetoond hoe groot haar nut op aarde is, antwoordt haar opponent Al De Werelt
(vs. 677-678):
‘Ghy hebt ghelyke, al scheent my eerst onmoghelijck.
'T bewijs versta ick, het docht my onbetoghelijck.’
Uit het citaat van Kalff valt op te maken dat hij de toneelstukken
van Coornhert beschouwt als een samenraapsel van gesprekken zonder veel
samenhang. Het tegendeel is echter waar. Alle toneelstukken van Coornhert
blijken een bepaald algemeen vraagstuk aan de orde te stellen, waarvan
systematisch via pro- en contra-betogen verschillende aspecten behandeld
worden. Hoe ging Coornhert daarbij te werk?
Coornherts toneelstukken kennen in feite twee verschillende
beginsituaties. Het uitgangspunt kan een concrete vraagstelling zijn, zoals in
het geval van Mensche in
Lief en Leedt die niet weet waarop hij zijn
liefde moet richten. In deze situatie geeft Coornhert er de voorkeur aan
één mens te confronteren met opvattingen pro en contra inzake de
oplossing van het vraagstuk, om hem daarop te laten reageren. In het andere
geval is de kwestie niet gelegen in de uitgangsstelling als zodanig, maar in de
ontvankelijkheid van de mensen voor die stelling. Een voorbeeld is
Maeghdekens schole. Niet de leer van
leermeesteres Christiana Philosophia staat ter discussie, maar de bereidheid
van haar leerlingen om deze leer na te volgen. In dit geval laat Coornhert bij
voorkeur een goede en een slechte partij op de uitgangspositie reageren, die
daarin worden bijgestaan door de bij hen passende allegorische
hoedanigheden.
Als voorbeeld beschrijf ik in het kort de argumentele opbouw van
Abrahams uytgangh. In de openingsmonoloog schetst
Abraham zich als een godvruchtig mens, die van God opdracht
heeft gekregen zijn land te verlaten. Hij heeft zelf geen enkele twijfel om aan
die opdracht gehoor te geven maar vraagt zich af of zijn vrouw hem hierin zal
willen volgen. In de ontmoeting met Sara blijkt dat zij,
voorbeeldige | | | | echtgenote en gelovige als ze is, geen enkel
voorbehoud koestert ten aanzien van deze opdracht. Op dit moment is in feite
Abrahams probleem opgelost.
De stemmen die zich keren tegen een dergelijke volgzame houding
jegens Gods gebod laten zich in het tweede bedrijf horen. In onderling overleg
formuleren Communis Opinio [=Gemeen Gevoelen], Cognatio [=Creatuerlicke Liefde
(= de liefde voor vrienden en verwanten)] en Affectus [= Verstooringe Des
Herten] vanuit hun eigen hoedanigheid hun bezwaren tegen deze volgzaamheid. Men
besluit te proberen Abraham en Sara van hun
voornemen af te brengen. Als eerste zullen ze Sara benaderen, want ‘Daer
't wijf ghevelt is, leyt die man al ondere’ (vs. 405).
Vervolgens benaderen ze Sara in het derde bedrijf met de bezwaren
die volgens hen tegen haar gehoorzaamheid zijn in te brengen door te wijzen op
de te verwachten nadelige gevolgen. Echter, deze vrouw laat zich niet
‘vellen’ en verweert zich met argumenten die betrekking hebben op
haar vertrouwen in God en Abraham.
De opponenten richten zich in het vierde bedrijf op Abraham. Anders
dan in het vorige bedrijf wordt de aanval nu in twee fasen uitgevoerd. Als
eerste probeert Cognatio, bijgestaan door Affectus, Abraham te beïnvloeden
door hem de nadelige gevolgen, nu meer toegespitst op de consequenties voor de
man, voor ogen te houden. Abraham verweert zich met zijn godsvertrouwen. Na
deze mislukte poging brengt Communis Opinio het debat pro en contra op een
metafysisch niveau door de juistheid van de opdracht ter discussie te stellen.
Volgens haar is deze van de slang afkomstig. Abraham beargumenteert op zijn
beurt de juistheid van het geloof in God en zijn gebod.
In het laatste bedrijf gaat men over tot het uitvoeren van de
opdracht. De gevolgen blijken positief. Dit is voldoende aanleiding om zich
nogmaals uit te spreken vóór het besluit Gods wil te volgen en
tegen de mening van de opponenten. Het bewijs is geleverd dat het juist is Gods
wil te volgen en dat de mens daartoe in staat is.
Het is duidelijk dat de argumentatie gedurende het hele spel
verbonden is met de centrale kwestie: de juistheid van het volgen van Gods
gebod, èn met de concrete uitwerking van dat gebod in de door
Coornhert als voorbeeld gekozen stof: de opdracht aan
Abraham om zijn land te verlaten. In zijn andere spelen bouwt Coornhert op
dezelfde consciëntieuze wijze het betoog tussen de partijen op.
22
| |
Vrucht in plaats van bloesem
Nog steeds zijn slechts de middelen ter sprake gekomen waarmee de
man ‘die veel meer was gesindt / Tot vrucht dan tot bloeysel’
23 zijn doel, het overbrengen van deugd, wilde bereiken. Het wordt
tijd de vrucht van zijn schil te ontdoen en te kijken naar de substantie van de
vrucht zelf.
Alle spelen van Coornhert dragen ethisch-religieuze lering uit. De
basis waarop deze lering stoelt, blijkt steeds - soms minder, soms meer
expliciet geformuleerd - de voor Coornhert zo kenmerkende opvatting van de
volmaakbaarheid te zijn. In het kort geformuleerd houdt deze gedachte in dat de
mens op aarde, als hij dat wil, in vertrouwen op Gods genade in Christus en in
samenwerking met God geleidelijk aan in staat is de menselijke volmaaktheid te
bereiken in het onderhouden van | | | | Gods gebod.
24 Een
uitwerking van dit proces in toneelvorm geeft
Coornhert in
Lief en Leedt. Nadat Mensche door tegenslagen
- door God gezonden om hem tot inkeer te brengen - tot het inzicht is gekomen
dat hij in zijn leven verkeerde doelen najaagt, volgt de uitbeelding van de
fasen van zijn weg ten goede. Coornhert onderscheidt in dit proces drie stadia:
het verwerven van inzicht, gebaseerd op zelfkennis in combinatie met kennis van
waarheid, vervolgens op grond van het verworven inzicht het ontwikkelen van de
wil ten goede en ten slotte, gesteund door een zich voortdurend oefenen in
deugd, het verkrijgen van de macht om het goede daadwerkelijk ten uitvoer te
brengen. Al deze fasen maakt Mensche, duidelijk geadstrueerd door de goede
krachten die hem ter zijde staan, door. De moeizaamheid van zijn weg blijkt uit
de voortdurende tegenwerking van Quade Ghewoonte, die nog steeds invloed op hem
heeft. Het resultaat van zijn volharding is echter dat haar invloed steeds
minder wordt om ten slotte te verdwijnen. In
Israel wordt het zelfde proces eveneens
uitvoerig ten tonele gebracht. De filosofische invulling van deze levensweg is
uitgesproken Coornhertiaans van signatuur, maar als patroon voor een
ethisch-religieus instruerend, allegorisch toneelspel is het traditioneel en
verwant aan de zinnespelen van de rederijkers en aan de Franse
moralité.
De essentie van het navolgen van Gods gebod door de mens bestaat
voor Coornhert uit het daadwerkelijk beoefenen van de naastenliefde. Als norm
voor de hantering van de naastenliefde gebruikt hij het begrip
‘nooddruft’: datgene wat de mens nodig heeft om zijn lichaam in
stand te houden, eten en drinken, en om zijn lichaam tegen kou te beschermen,
kleding en onderdak. Wanneer men in eigen nooddruft heeft voorzien, kan men
vervolgens zorgen voor de nooddruft van de behoeftige naaste. De naastenliefde,
en in het verlengde daarvan de wijze van omgaan met bezit, komt met
verschillende accentueringen in zijn spelen herhaaldelijk aan de orde.
Rijckeman opent met de constatering dat er op de
wereld gebrek aan naastenliefde heerst. Dit gebrek bepaalt de houding van
Rijckeman die, gesteld op zijn overvloed, weigert Lazarus te
helpen. Een cruciale rol in de houding ten opzichte van overvloed en
naastenliefde wordt in dit spel toegekend aan het geweten, Conscientie. Aard en
werking ervan komen uitgebreid aan de orde. In de persoon van Lazarus blijkt
een juiste houding ten opzichte van overvloed en naastenliefde aanwezig. In
1551 - dezelfde periode als waarin hij Rijckeman schrijft - graveert
Coornhert naar ontwerp van
Maarten van Heemskerck een serie prenten over deze parabel
(voor de eerste en laatste prent uit de serie zie afb. 14 en 15). De weergave
van de omkeer in de omstandigheden van de rijke man en de arme Lazarus tijdens
het leven op aarde en na de dood laat, net als in de parabel en in Coornherts
spel, aan duidelijkheid niets te wensen over.
In
T'Roerspel wordt de thematiek van de
naastenliefde veel meer toegespitst op laakbare praktijken bij de verwerving
van bezit en de besteding ervan, waarbij ook gerefereerd wordt aan
contemporaine gewoonten. Als slechte methoden om geld te verwerven worden
genoemd bedrog, diefstal, woeker en roof. De nadruk ligt op bedrog met ter
verduidelijking een exposé over gangbare koopmanstrucs. Wat de besteding
betreft richt de kritiek zich vooral op de aanschaf van luxe goederen.
In Lief en Leedt richt de kritiek zich meer in het algemeen
op de voorkeur van | | | |

14 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
rijke man en de arme Lazarus’ (1551). Lazarus bedelt bij de rijke
man.
| | | |

15 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
rijke man en de arme Lazarus’ (1551). Lazarus vertoeft in de hemel bij
Abraham, de rijke man in de hel.
| | | | mensen voor aardse zaken en voor lichamelijk
genot. Het thema bedrog komt minder uitgebreid dan in
T'Roerspel aan de orde. Heel mooi stelt
Coornhert in dit spel de werking van hoop en vrees aan
de orde. Hij beschouwt deze als middelbare zaken, dat wil zeggen zaken die van
zich zelf goed noch kwaad zijn maar die een van beide kunnen worden afhankelijk
van de intentie waarmee de mens ze gebruikt. In de slechte fase van Mensche
zijn Hope en Vreese duidelijk slechte krachten, in de goede fase daarentegen
goede.
Bruijt Christi geeft in eerste instantie in een
traditioneel debat tussen hemelbewoners de argumentatie betreffende de vraag of
God de zondige wereld tot de eeuwige zaligheid moet toelaten. Coornhert
verwoordt hier zijn visie op de kruisdood van Christus. De
positieve afloop van het debat leidt tot de uitnodiging aan Unica om Christus'
bruid te worden. Bij het al dan niet aanvaarden van deze uitnodiging wordt
zware nadruk gelegd op de vrije wil van Unica, van de mens derhalve.
In
Egypsche vroeyvrouwen wordt zeer in het algemeen
aan de hand van de bijbelse geschiedenis uit Exodus I deugd
versus ondeugd gesteld in de confrontatie tussen het volk van
Israel en Egypte. Deze geschiedenis is aanleiding voor
het aan de orde stellen van een zeer specifiek vraagstuk: namelijk of in
bepaalde omstandigheden het gebruik van de leugen gerechtvaardigd is. Deze
vraag wordt bevestigend beantwoord.
Het al dan niet volgen van de wil van God vormt, zoals reeds ter
sprake is gekomen, het uitgangspunt van
Abrahams uytgangh, uitgewerkt aan de hand van
aspecten als gehechtheid aan aardse zaken en aan vrienden en verwanten. De
godvruchtige mens moet afstand nemen van dergelijke aardse banden. Een ander
thema dat wordt behandeld zijn de onderlinge gehoorzaamheidsrelaties tussen
God, man, vrouw, jongeren en dienstpersoneel.
Twee spelen richten zich specifiek op het jonge meisje en hebben
vanwege hun omvattendheid het karakter van een ethica in het klein.
Maeghdekens schole zet zeven deugden en ondeugden
tegenover elkaar. De te mijden ondeugden verschijnen, op één na,
als personages op het toneel: Opinio Perversa [=verkeerd oordeel], Superbia
[=hoogmoed], Despectio [ =verachting van ouders], Desidia [ =ledigheid],
Curiositas [ =nutteloze weet- en bemoeizucht], Detractio [=kwaadsprekendheid]
en Voluptas [=wellust]. Despectio wordt niet gepersonifieerd maar
gehoorzaamheid tot de ouders komt als thema uitgebreid aan de orde. Het spel
geeft eveneens aan welke weg de juiste is bij de keuze van een huwelijkspartner
- gehoorzaamheid aan de keuze van de ouders - en hoe men op gepaste, dat wil
zeggen sobere, wijze bruiloft viert. De parabel van de vijf wijze en
dwaze maagden biedt in
Thien maeghden de mogelijkheid vijf deugden en
ondeugden met elkaar te confronteren. Superbia en Curiositas verschijnen weer
ten tonele maar nieuwe personificaties zijn Philautia [=eigenliefde],
Incredulitas [=ongeloof] en Inconstantia [=onstandvastigheid] met hun positieve
tegenhangers. Zij allen geven uitdrukking aan de tegenstelling deugd versus
schijndeugd. De deugd bestaat in vrouwelijke naarstigheid, spinnen en weven, in
bijbellezen en daadwerkelijke naastenliefde; de schijndeugd in het zich in
ledigheid overgeven aan aardse genoegens onder een mom van deugdzaamheid. Bij
het aannemen van de schijndeugd door de dwaze maagden speelt Hy- | | | | pochrisie

16 Coornhert naar Adriaan de Weert, ‘Allegorie van
deugden en ondeugden’, nr. 6: ‘Hipocrisis’. Nederlands
onderschrift: ‘In doechts plaets comt scijn-doecht (verchierde vuijlheit)
voort’.
| | | |

17 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De lof
der degelijke huisvrouw’ (1555), nr. 1: de nijverheid. Duits onderschrift
naar ‘Spreuken’ van Salomo 31:13 en 19.
| | | |

18 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De lof
der degelijke huisvrouw’ (1555), nr. 5: de naastenliefde. Duits
onderschrift naar ‘Spreuken’ van Salomo 31:20.
| | | | een doorslaggevende rol (r. 691-855). In een door
Coornhert uitgevoerde prent naar ontwerp van
Adriaen de Weert wordt de hypocrisie eveneens in verband
gebracht met de schijndeugd (zie afb. 16). De vrouwelijke deugden worden door
Coornhert verbeeld in een andere serie prenten, gebaseerd op de door
Salomo bezongen lof op de degelijke huisvrouw, Spreuken
31, en ontworpen door
Van Heemskerck. De serie toont onder andere de nijvere
vrouw, bezig met spinnen en verwante handwerken, en de vrouw die uit
naastenliefde aalmoezen uitdeelt (afb. 17 en 18).
Concrete referenties naar contemporaine politieke omstandigheden
vinden we in
Israel wat betreft de relatie met Spanje en de
Beeldenstorm, die in de vorm waarin hij heeft plaatsgevonden wordt afgewezen.
De juiste wijze van bestuur komt in een raadsdebat (vs. 915-1160) uitgebreid
aan de orde. Eubulus [=de ‘Welradende’] verdedigt het goede
standpunt, dat eveneens te beluisteren valt in het
Plakkaat van Verlatinge uit 1581, waarbij
Filips II als Heer der Nederlanden werd afgezet: de vorst
is gehouden zich in te zetten voor het welzijn van het volk. De positie van de
vorst vindt zijn legitimatie in het volk en in het contract van het volk met de
vorst. In de woorden van Eubulus (vs. 1120-1121):
‘Zonder onderzaten zijn Koninghen gheen Heren.
'T volck blijft zonder Heer volck, dat maackt en breeckt een
Koning.’
Eubulus' tegenstander Achazib [= ‘Loghen’] hangt
machiavellistische ideeën aan.
25
Hoewel alle spelen, gebaseerd op de volmaakbaarheid als ze zijn,
stelling nemen tegen calvinistische opvattingen ter zake, gaat Coornhert alleen
in
Blinde voor Jericho rechtstreeks in debat met hem
onwelgevallige geloofsopvattingen. Hij komt tot een duidelijke afwijzing, zelfs
bij monde van Christus, van Meritum [=de katholieke leer van de goede werken]
en van Iustitia Imputativa [=de calvinistische leer van de toerekenende
rechtvaardiging]. De laatste wordt nadrukkelijk aangemerkt als de zwaarste
dwaling.
Wat betreft het ‘bloeysel’, de uiterlijke vormgeving van
zijn toneelstukken, heeft Coornhert wat de grote lijn betreft gebruik gemaakt
van vormen waarmee zijn publiek vertrouwd was. De ‘vrucht’
daarentegen, de door hem zo wezenlijk geachte inhoudelijke belering tot deugd,
is typisch Coornhertiaans van samenstelling. In het toneel vond Coornhert een
medium, afwijkend van andere door hem gebruikte publikatievormen, met
specifieke eigen mogelijkheden om zijn opvattingen uit te dragen. Toch
beschikken we over weinig aanwijzingen dat die mogelijkheden ten volle zijn
benut. Voor zover we weten is slechts één keer een toneelstuk van
Coornhert opgevoerd. Tijdens de vastenavond van 1584 speelden scholieren te
Deventer Blinde voor Jericho.
26 Gezien de verwijzingen in sommige toneelspelen naar een
mogelijke opvoeringssituatie en de voorkomende toneelaanwijzingen lijkt het
aannemelijk dat Coornhert bij het schrijven van zijn toneelspelen aan de
mogelijkheid van opvoering gedacht heeft.
27 Daar immers lag de mogelijkheid om zijn
dramatische ‘bloeysel’ en ‘vrucht’ tot volle wasdom te
laten komen.
| | | | | |
Lijst van citeertitels
| Abrahams uytgangh |
Abrahams uytgangh |
| Blinde voor Jericho |
Comedie vande blinde voor Jericho |
| Bruijt Christi |
Comedie vanden bruijt Christi |
| Egypsche vroeyvrouwen |
Comedie vande Egypsche vroeyvrouwen |
| Israel |
Comedie van Israel |
| Lief en Leedt |
Comedie van Lief en Leedt |
| Maeghdekens schole |
Der maeghdekens schole, comedia |
| Rijckeman |
Comedie vande Rijckeman |
| Thien maeghden |
Vanden thien maeghden, tragica-comedia |
| T'Roerspel |
T'Roerspel vande kettersche werelt |
| Tweeling |
Tweeling |
|
*Deze bijdrage kwam tot stand binnen het kader
van mijn promotieonderzoek naar de toneelstukken van Coornhert, gesubsidieerd
door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Ik dank drs
A.-J. Gelderblom, mevr. dr M.B. Smits-Veldt en mevr. dr M. Spies voor hun
bereidwilligheid deze bijdrage in de voorbereidende fase van commentaar te
voorzien.
1Zie de ‘Lijst van citeertitels’ op p.
97 voor de volledige titels van Coornherts spelen.
2Verwijzingen naar tekstregels en citaten uit
Coornherts toneelspelen zijn steeds gebaseerd op [D.V.] Coornhert,
Het Roerspel en de comedies van Coornhert. P.
van der Meulen ed. (Leiden 1955). De namen van de toneelpersonages worden
weergegeven volgens de spelling in de lijst van personages, voorafgaande aan
een spel; bij ontstentenis daarvan volgens de eerste vermelding in het spel
zelf. Omwille van de duidelijkheid worden alle samenstellende delen van
allegorische namen met een hoofdletter geschreven.
3In de ‘Lijst van citeertitels’ (p.
97) worden elf titels genoemd. De twee korte komedies
Bruijt Christi en
Egypsche vroeyvrouwen werden echter
gepubliceerd onder de verzameltitel
Tweeling, die in voorkomende gevallen ook zal
worden aangehaald.
4De opgegeven jaartallen zijn gebaseerd op
Paulus van der Meulen,
De comedies van Coornhert (Assen 1945)
15-21.
5Zie de tijdtabel in H. Bonger,
Leven en werk van D.V. Coornhert (Amsterdam
1978) 15 en het aan deze periode gewijde hoofdstuk (62-82).
6Coornhert, Het Roerspel, 267. Voor de
discussie naar aanleiding van de interpretatie van dit citaat en in samenhang
daarmee over de periode van ontstaan van
Abrahams uytgangh zie Bonger, Leven en
werk, 331. Bij zijn interpretatie van het aangehaalde citaat als ‘de
eerste vrucht van mijn gedwongen niets doen tijdens de ballingschap’
sluit ik mij aan.
7Coornhert, Het Roerspel, 222-224.
8Voor meer specifieke gegevens omtrent deze
relatie zie José Bouman - Paul Vriesema,
‘Harmen Janszoon Muller, printer and publisher in
Amsterdam, c. 1538-1617’, Quaerendo 8 (1978) 221-259,
aldaar 240-242.
9Voor een overzicht van alle Coornhert-drukken zie
Ferdinand van der Haeghen - Marie-Thérèse Lenger ed.,
Bibliotheca belgica. Bibliographie generale des
Pays-Bas I (Brussel 1964). De opgave van vindplaatsen van
exemplaren is niet uitputtend.
10Coornhert, Het Roerspel,
266.
11Tweeling moet na
Rijckeman zijn verschenen vanwege de opgenomen
verontschuldiging voor de uitval naar de rederijkers in Rijckeman;
Lief en Leedt bevat een theoretische
uiteenzeting over Coornherts visie op toneel, waarop hij in Tweeling en
Blinde voor Jericho niet meer terugkomt. Een
reden kan zijn dat hij bij publikatie van deze teksten zijn opvattingen ter
zake als bekend veronderstelde.
12Dieryck Volckertsz. Coornhert,
Wercken. […] I (t'Amsterdam, By Iacob
Aertsz. Colom, 1630).
Maeghdekens schole is opgenomen onder nummer
39,
Thien maeghden onder nummer 51. Voor een
uitgebreide beschrijving van de Wercken zie Van der Haeghen - Lenger,
Bibliotheca belgica I nr. C 148.
13Voor deze uitgeverij, die van 1561 tot 1564
heeft gefunctioneerd, zie Bonger,
Leven en werk, 28-32.
14Voor Coornherts nawoord, waaraan ik ook de
citaten ontleen, zie Colijn van Rijssele,
De spiegel der minnen. Margaretha Wilhelmina
Immink ed. (Utrecht 1913) 218-221. In de citaten heb ik de komma op moderne
wijze weergegeven.
15Coornhert,
Het Roerspel, 156-159, door Van der Meulen van
een aparte regelnummering voorzien.
16Voor een plaatsbepaling van Coornherts
toneelspelen binnen het corpus van het ernstige Nederlandse renaissancetoneel
op basis van als renaissancistisch beschouwde formele elementen zie: Lieven
Rens,
Genres in het ernstige Renaissancetoneel der
Nederlanden tot 1625. Verslag van een onderzoek. Met medewerking
van G. van Eemeren (Hasselt z.j. (1977)).
17Zie ook de annotaties van Van der Meulen in
Coornhert, Het Roerspel, 318 en 402-403. De op p. 403 genoemde
mogelijkheid tot interpretatie van Iohanna als ‘Mulier quae sequebatur
Christum’, vrouw die Christus volgde, lijkt voor Maeghdekens
schole de meest aangewezen mogelijkheid.
18Over Coornhert als graveur en zijn
samenwerking met Maarten van Heemskerck zie Ilja M. Veldman,
Maarten van Heemskerck and Dutch humanism in the
sixteenth century (Amsterdam 1977) 53-93. Bij de door Coornhert
naar ontwerp van Van Heemskerck en ook van anderen uitgevoerde prenten blijkt
voor een aantal inhoudelijke verwantschap met zijn literaire werk duidelijk
aantoonbaar. Bij de bespreking van de in de toneelspelen uitgedragen
opvattingen zal naar een aantal voorbeelden verwezen worden.
19Op afb. 15 houdt de duivel de rijke man, die
in de hel vertoeft, een spiegel voor. Op dat moment zal inzicht in eigen fouten
hem echter niet meer baten. De hel blijft zijn deel. Of moet de spiegel hier
toch eerder gezien worden als de duivelse vertekening van de waarheid, waaraan
de rijke man zich heeft overgegeven?
20Voor Coornherts wijze van aankleding in
Thien maeghden zie Anneke C.G. Fleurkens,
‘Coornherts tragica-comedia Vanden thien
maeghden: een oproep tot daadwerkelijke naastenliefde’,
Spektator 14 (1984-1985) 31-47, aldaar 40-41.
21Voor een overzicht van de mening van de
literatuurhistorici tot 1945 zie Van der Meulen,
De comedies van Coornhert, 9-12; het citaat
uit Kalff aldaar II.
22In mijn dissertatie hoop ik nader in te gaan
op de argumentele structuur van Coornherts komedies en op de eventuele
samenhang van de gehanteerde retorische technieken met ontwikkelingen op het
terrein van de retorica in de zestiende eeuw.
23Coornhert, Het Roerspel, 157, vs.
37-38.
24Voor een uiteenzetting over de
volmaakbaarheid zie Bonger, Leven en werk, 181-203.
25Henk Duits,
‘Een machiavellist bij Coornhert’, Voortgang
van het onderzoek in de subfaculteit Nederlands aan de Vrije Universiteit I
(1980) 125-130.
26Voor gegevens omtrent opvoeringen van
Coornherts toneelstukken zie W. van Hooff- Gualthérie van Weezel,
‘Zijn de spelen van Coornhert ooit opgevoerd?’,
Nederlandsch archief voor kerkgeschiedenis N.S. 22 (1929)
119-146.
27Voor de intentie tot opvoering van Thien
maeghden zie Jan Stroop,
‘Wijze en dwaze maagden bij Coornhert en De
Koning’, Jaarboek Koninklijke soevereine hoofdkamer van retorica
‘De Fonteine’ te Gent 18 (1968) 197-227, aldaar
198-203, en mijn reactie, Fleurkens, ‘Vanden thien
maeghden’, 32-33.
|
|