Focquenbroch. Bloemlezing uit zijn lyriek (ed. Willem Frederik Hermans)


auteur: Willem G. van Focquenbroch en Willem Frederik Hermans


bron: Willem G. van Focquenbroch, Bloemlezing uit zijn lyriek (ed. Willem Frederik Hermans). Amsterdam 1946  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 53]

Aan den heer K. Huigens

 
Hollandsche Maro, en Apolloos grootste zoon,
 
By die ooit zongen op een Nederlandsche toon,
 
Heb ik uw barsch gedicht zo menigmaal gelezen,
 
En voor zo grooten gunst nooit dankbaarheid bewezen?
 
Zo gun my, dat ik nu myn schult eens af kom doen,
 
Niet om uw schrander brein met jeugdig lauwergroen,
 
Of met een klimkrans naer uw waarde te vercieren,
 
Ue eige kunst verschaft u palmen, en laurieren;
 
Maar om te toonen, waar uw hooggeachte luit
 
My vaak te byster klinkt met een vervalst geluid;
 
Ontschuldig my, zo ik wat rond ga in myn spreken:
 
De beste vrienden zyn aanwijzers van gebreken,
 
Twee zwarte wolken zyn 't, waardoor uw zwaar gedicht
 
By my verdooft werd van zyn luister en zyn licht;
 
Dat 's duisterheid van zin; en hardigheid van toonen.
 
Twe feilen, die in geen Poëet zyn te verschoonen,
 
Die zelf zyn vader noemt de vader van het licht.
 
Daar alle hardigheid, en duisterheid voor zwicht.
 
Wat is het eind daar toe een Dichter trekt aan 't zingen.
 
Is 't niet om ieder een met zyn gezang te dwingen,
 
Gelyk eer Orfeus met zyn lieffelyke lier,
 
Door welkers zoet geluid het alderwildste dier,
 
Ja zelfs en bosch en velt, en rotssteen wiert bewogen,
 
En zult gy zelfs uw zang ontroven dit vermogen,
 
O barse Zanger! door uw wrange duisterheid?
 
Het schynt, of gy, en Hooft u staag verpynt en stryd
 
Om van geen mensch, als van u zelf, verstaan te wezen;
 
Was 't dan niet best, dat gy uw vaarzen nooit liet lezen?
 
Want dus is 't zeker, dat ze niemant vatten zal.
 
Hoe droevig komt het, hoe onnozel, en hoe mal,
 
Als men de gaaf niet heeft van iets in dicht te zeggen,
 
Ten zij men 't stadig weer met ondicht uit moet leggen?
[p. 54]
 
De zaak, man, spreekt van zelfs, dies zwyg ik hier meê stil,
 
Dat is eerst zingen, dat men zingt hetgeen men wil
 
Voorts klinkt uw hardigheid my al te hart in d'ooren;
 
Een vers moet vloeien, of het heeft zyn aart verlooren,
 
Dat tuigt de vloeyentheid van Dichter Hypokreen.
 
De Dichtkunst is een vloed van klaare en gladde reen.
 
't Is waar dat men in 't Roomsch wel ‘Mannen groot’ mag zetten,
 
Dees taal die duld het in haar rymelooze wetten;
 
Maar in ons Neerduits mag 't in onrym niet geschien,
 
Diet dientmen in gezang dees styl voor al te vliên:
 
Mitsdien het rym noch meer als 't onrym dient te vloeijen.
 
Mei dan uw duisterheid zo zal uw luister groeijen;
 
Verlaat dees hardigheid zo wrang, zo wreed, zo zuur:
 
De grootste kunsten paalen 't naasten aan natuur.