terug  begin  verderprepost
[p. 195]

[Hoofdstuk 13]

Nu leef ik in een oord, waar vreugde is uitgeweken,
Mijn spijs is bittere gal, mijn zang: eilaas, eilaas.
O Holland, vreedzaam land, waarin de vrijheid leeft,
Wat zocht ik die vergeefs bij uwe nagebeuren,
Waar Fransch en Kastiljaan de rust en vrede scheuren,
Waar het hoofd der burgerij voor vreemde heeren beeft.
Michiel De Swaen
.

MIJN stambewustzijn, dat opeens alle atavistische opwerpingen die met de zegepraal waren heropgestaan wegvaagde, kwam mij van Fransch-Vlaanderen. Dank zij de pastoor van Wingene die destijds een geheele tak onzer familie om liberalisme kon verdacht maken, zoodat ze werkloos werden en de streek verlaten moesten, hadden wij heel wat verwanten in Frankrijk wonen. Ze waren naar het Noorderdepartement toegetrokken als naar een geestelijk vrijer gebied van eigen volk; en dit stelde mij in de gelegenheid heel wat dagen door te brengen in het hart van Fransch-Vlaanderen.

De stammoeder van die uitgeweken tak kende na al die jaren verblijf nog geen Fransch, en wanneer wij haar gingen bezoeken, mochten wij haar gaan opdiepen uit een achterbuurt waar zij genoeglijk te keuvelen zat met de visschersvrouwen die zij nog immer in haar puurste Wingensch te woord stond.

Met die verwanten hebben we daar de hoeven en herbergen tot in Artesië afgeloopen, en met die menschen gesproken, die zich immer eerst schaamden om met ons, vreemdelingen, in het Vlaamsch te beginnen, omdat men hen had wijs gemaakt - O Gezelle - dat zij een ‘vilain patois’ spraken. Wij hoorden tijdens de Zondagmissen

[p. 196]

de pastoor vanaf de kansel zijn ‘zielemessen’ aflezen, en op de markten de marktvrouwen hun ‘princesseboontjes’ aanbevelen.

We kwamen er in de klas waar een aanverwante onderwijzeres voor drie en twintig kleuters die van huis niets dan hun moedertaal meehadden, in het Fransch stond les te geven. Toen hadden wij ons reeds naar behooren laten beroeren door ‘La Dernière Classe’ van A. Daudet, en later lazen wij met evenveel ontroering de rethorieke dingen die ‘le fils de son père’ weet te wijden aan de tragiek van een vreemde taal op school, wat echter alleen voor de Elzassers tragiek blijkt te zijn.

En tientallen keeren stonden wij boven op de Kasselberg en staarden over die schoone Vlaamsche vlakte, dit heerlijk trofee dat door de klassieke trouweloosheid van Engeland, de even klassieke provinciale zelfzucht van Holland en de onvolkschheid van het eigen Oostenrijksch bestuur, aan Frankrijk te beurt viel. Van op deze ‘bezielde heuvel’ waar de Fries wilde begraven worden, omdat hij over de bloedigste mark van Europa tegenover de hebzuchtigste gier der wereld als een wachter staat, heb ik zoo vaak die Pagus Menpiscus overschouwd die zich voor onze voeten vanaf het donkere Rijsel - uiterste toevlucht voor de zwermen die de honger uit Vlaanderen joeg maar die toch geen ballingen wilden worden - tot aan de grauwe zee waaruit hij geboren werd, openrolde. O God, wij volk zonder heldendichten, wat hebben wij hier sedert de groote Fries een eindelooze reeks heldendichten geschreven omheen deze heuvel, op de roemloos vergeten bladzijden onzer geschiedenis. En hoe vaak heb ik mij 's avonds met ontroering gebogen over die duizenden lichtjes in die duizenden Vlaamsche gezinnen waar men nog immer het helle Vlaamsch spreekt waarvoor Gezelle van vreugde huiverde.

Hoe heb ik mij onwillekeurig verteederd over dit arme

[p. 197]

gebied waar die ‘boches du Nord’, in een Frankrijk dat tot eigen ondergang meer en meer zijn Nordische traditiën opgeeft voor een onbeduidend meridionalisme van Sudéens en Negroïden, zich met schamele middelen van volksalmanakken en kansel aan hun taal vastklampen; over die beste kinderen van onzen stam: de Vlamingen van de voorhoede die misdadig aan hun lot werden overgelaten, toen wij zelf groote nood hadden en men over de Moerdijk vreesde dat er winst ging moeten gedeeld worden en dat die hier ook konden koffie veilen.

Langs deze verloren uithoek van mijn Vlaanderen is de liefde tot mijn volk in mijn hart getreden; langs dit smartelijkste deel heb ik heel het smartelijk wezen van mijn volk leeren inzien. Ik had me toen immers reeds een behoorlijk aantal keeren verteederd over het droevig lot van Polen dat over drie natiën verscheurd lag, en dit onverloste Vlaanderen heeft me het nauwst kunnen aan Vlaanderen verbinden. En vaak, o zoo vaak rakelt me die verminking van ons land schrijnend over het hart als een persoonlijke beleediging en heeft op den duur bij de onmisbare liefde een onmisbare en levengevende haat gevoegd.

 

Wij zijn ook de generatie die de traditie begraaft. Tusschen de huidige jeugd en het verleden waarvan wij de sleep dragen, ligt de breede spalt van de machine. Wij zijn nog kinderen van voor de machine, van voor de mekanisatie, van voor de vervlakking der alles beheerschende serie. De oorlog dien men weer die breuk aanwrijft was hiervan alleen een soort incubatietijd die op het ontbindingsproces een woesten versneller zette.

De mekaniek was nog onze kweekzuster. De auto was en wondertuig waarvoor wij straten ver liepen om het van dichtbij te bezien; het vliegtuig is jonger dan wij, en de machine was nog zoo onderworpen dat trams en treinen

[p. 198]

een heele romantiek hadden aangewonnen, en in het landschap een vertrouwde zaak geworden waren.

Om ons heen waren er nog de oudere menschen als zoovele getuigen die met bloedrijke woorden een heele brok verleden konden dichtbij brengen, en in hun verhalen vonden we bladzijden boekengeschiedenis springlevend terug. Amper een paar menschenlevens scheidden ons van de rampzalige revolutie, zoodat haar verdorvenheid nog niet volledig den buiten had kunnen aanrotten.

Reikten zelfs de middeleeuwen niet tot aan onze omgeving? Twee, drie grootooms van mij waren lid van de luttele overlevende stadsgilden. De binnenhuizen waren nog niet door rammeljoden en prondelaars afgeschuimd zoodat we ons in sommige konden voelen terugleven tot midden in de zeventiende eeuw. De kwakzalver kwam nog om het jaar met groot misbaar van trommel en trompet op een gekke hooge wagen zijn wonderbalsem aanbieden. God en duivel waren een realiteit. Nu leven wij in zoo'n vervaarlijke verwaarloozing vanwege de duivel dat het nadenkend hart er om gruwt. Is hij zoo zeker ons eenmaal te bezitten, dat hij het onnoodig acht nog langer zijn knepen uit de bagge te halen? Of waren onze voorouders groote kinderen? Maar die dan tevens in de meeste andere zaken ons ver de baas waren. Ons lokaal spook, een soort Blauwbaard die onder een beekduiker huisde, stierf met de oorlog een roemlooze dood. Ten andere wie zou hem nog levend hebben gehouden op een dorp waar niet langer verteld wordt. Nu zijn de zomervelden doodsch en stil geworden waar vroeger vanuit elk vlasveld of vanop iedere raapakker een lied of een jodelkreet opging. En onze kinderen vertikken het, om zooals wij te ringelreien, maar die zullen ook nooit die schoone heerlijkheid kennen, hun stemmetjes te hooren verwijlen tusschen de goudbedreste avondgevels.

[p. 199]

Och, was toenmaals de taal der menschen zelfs niet tienmaal rijker dan heden? Onze ouders hadden nog een levende taal met een nuance voor ieder detail, en een weelde die zich loutere sieraden als spreuk en zegswijze veroorloofde; nu hangt de taal der jongelui zakelijk aan de practische dingen geklist. Onze ouderen waren trouwens meestal van de kalamiteit van het onderwijs gespaard gebleven. Dat onze taal verarmde en vervlakte en dat ze in gemeenplaatsen vergaat, daarom werden wij onderwezen.

Ons werd reeds veel ontnomen, hoewel wij nog veel vernamen waarvan onze kinderen nooit meer hooren. Wij hadden nog de getuigen van een oudere wereld, de moderne tijd is leeggeschud. Wat zal er over een paar decenniën aan eigen volksaard en volkszeden overblijven?

Wij zijn het laatste gelukkig geslacht. Onze voorouders hadden nog alles voor oogen, onze kinderen niets meer dan een arme en vervlakte wereld. Wij zitten schrijlings over de reusachtigste breuk uit een duizendjarige traditie. Wij groeiden op de grens en zamelden scherven. Onze kinderen steken hulpeloos in een gemekaniseerd leven van getallen: getallen kilometers, getallen C.V. en getallen stemmen. Wij erfden van ons voorgeslacht; zij, voor de helft uit een bedvergissing geboren, zijn de rijke erfgenamen van 1789: doodarm aan de schoone dingen die in dit idiote avontuur werden meegenomen en rijk aan onrust, armoede en oorlog. Waaraan moeten die armen nu groot groeien in deze nieuwe wereld van zakelijkheid en mierenleven, werkhaat en geldvereering? Men groeit enkel aan de traditie groot!

prepostterug  begin  verder