WIE meent van mij hierin te vinden valt bedrogen uit. Hij heeft alleen mijn conterfeitsel! Een conterfeitsel dat daarenboven, zooals hoedenveeren en hooge laarsjes, erg dateert! Schrijf er liever onder: ‘Portret van den auteur op jeugdigen leeftijd!’
‘o! Het is erg gelijkend!’
‘Hij is nog voor niets veranderd!’
‘Alleen wat ouder!’
‘Wat sterker afgelijnd!’
‘Wat verschoten!’
Ge hebt allemaal gelijk! Ge kunt er mij nog best in erkennen! Alles wat nu mijn geweten bezwaart vind ik van ouds in mij aanwezig! Ik had immer mijn onverschilligheid, mijn leedvermaak, mijn nijd, mijn zinnelijkheid, en zoover mijn bewustzijn reikt vind ik mij krampachtig over mij zelf zitten! Als kind was ik wellicht eens onwetend maar zelden onschuldig. Ik was een angstig kind, en had dus ook veel medelijden. Het is het eerste mijner introspectieve ontdekkingen dat het medelijden het meest zelfzuchtige onder onze gevoelens is, dat alleen van ons zelf uitgaat en om ons zelf bestaat; een verteedering over het eigen lot dat we opeens in de deerniswekkende plaats van het ontroerend voorwerp zien. Alles wat me nu vernedert en
verwart, mijn angsten en mijn beschamende onhandigheden, mijn vrees en mijn vervolgingen hebben voor vijf en twintig jaar hun jacht ingezet.
Maar ook alles wat me nu eenzaam verheugt, alles wat mijn intiemste genot uitmaakt, bezat ik toen, en even wijd als heden stond mijn hart voor de goedheid der dingen open.
Tot mijn wil toe zie ik al die vijf en twintig jaar reeds scherp rechtopstaan, eenzijdig en taai; alleen leerde ik sindsdien de waarde van een tijdig compensatietje om zijn rendement te verhoogen.
Sedert die kinderjaren ben ik niet veranderd, ik ben alleen wat verder uit mijn schelp gekropen, en ik vind dat de instellingen waar ik doorheen ging, aan dit van ouds ontworpen menschenschema luttel wijzigingen hebben kunnen aanbrengen.
Ik begrijp niets van de extatische verteedering over het kind! Die heeft me, dewijl ik niets zoo uitzonderlijks in mijzelf ontdekte, langen tijd het vernederende vermoeden bezorgd, dat ik in mijn prille jeugd wel een minderwaardige tusschen een legio van engelen moet geweest zijn.
Dit had ik voor mijzelf recht te zetten.