|
|
|
| |
| | | |
Iets over de Nederlandse renaissancelyriek vóór Heinsius en Hooft
| |
De definitie van het begrip ‘renaissancelyriek’ waar
ik me voorstel mee te werken is een eenvoudige en pragmatische. In de zestiende
eeuw onderscheidde men duidelijk tussen lyriek in de oude en lyriek in de
nieuwe stijl: de ene was ‘Rhetorica’, de andere was
‘Poësie’. De maatstaven die men aanlegde waren uitwendig;
‘Rhetorica’ werd geschreven in het ‘rederijkersvers’
met een vrij, grotendeels dactylisch of anapaestisch ritme; het materiaal
bestond uit refereinen en soortgelijke genres. ‘Poësie’ werd
geschreven in de nieuwe metra overgenomen vanuit Frankrijk, de alexandrijn en
het ‘vers commun’, die sterk neigden naar een jambisch ritme; het
materiaal bestond uit epigrammen, sonnetten, oden en elegieën, en de
inhoud was meestal humanistisch of petrarcistisch. Het is van belang in
gedachten te houden dat de kunst van het humanistische Latijnse vers algemeen
beoefend werd. Velen konden aanvaardbare, zelfs elegante, Latijnse verzen
schrijven, terwijl zij niet in staat, of niet bereid, waren hun krachten te
beproeven op de nieuwe stijl in de landstaal. Dit is geen specifieke eigenschap
van de Nederlandse literatuur: het is een Europees verschijnsel van die tijd.
In de poëzie in de landstaal was het onderscheid niettemin duidelijk, een
onderscheid dat heden ten dage nog van betekenis en nuttig is. Wat volgt zal
uitsluitend handelen over ‘Poësie’ in deze zin van het
woord.
In de vroegste periode van de ‘Poësie’ in de Lage
Landen schijnen de dichters op het eerste gezicht in twee geografische groepen
verdeeld te zijn. In het Zuiden
Marnix,
Lucas de Heere,
Van der Noot; in het Noorden de
Dousa's,
Jan van Hout, en later
Daniel Heinsius en de dichters van de
Nederduytschen Helicon. De rampzalige gebeurtenissen in
Vlaanderen en Brabant, de vervolgingen onder de
Hertog van Alva, schenen het
veelbelovende begin van een renaissancepoëzie in Zuid-nederland te hebben
verwoest; het werk van de Leidse School stond op zichzelf, zonder organische
verbinding met wat elders was voorafgegaan. De meest vooraanstaande
vertegenwoordiger van de zuidelijke | | | | groep,
Jan van der Noot, had geen navolgers in
het Noorden en heel weinig in het Zuiden. Dit veelbelovende begin verzandt,
terwijl onder de aandrang van een grote patriotische beweging in het Noorden
een onafhankelijke school van dichters ontstaat, die bestemd is de basis te
leggen voor de latere ontwikkeling van de Nederlandse literatuur in de Gouden
Eeuw. Het is de bedoeling van dit artikel te suggereren dat de situatie niet zo
eenvoudig is. Veel van wat ik ga zeggen zal bestaan uit vragen, waar, bij de
huidige stand van onze kennis, geen zeker antwoord op gegeven kan worden. Maar
het komt me voor dat het belangrijk is dat deze vragen gesteld worden.
De Zuidnederlandse dichters zijn tweetalig.
Marnix was even goed thuis in het Frans
als in het Nederlands, en was blijkbaar werkelijk tweetalig. Voor
Lucas de Heere en
Jan van der Noot was het Frans
waarschijnlijk een later geleerde taal, maar een taal die ze met gemak
hanteerden en waarin ze acceptabele verzen konden schrijven. Zij hadden zich
allen dezelfde taak gesteld: de Franse techniek aan het Nederlandse vers aan te
passen. Het sonnet verschaft het beste studiemateriaal.
Het sonnet is een bruikbare toetssteen, omdat het de lyrische vorm
bij uitstek van de renaissance was. Het was met Petrarca en zijn navolgers in
Italië en Frankrijk klassiek geworden, en in Engeland hadden Wyatt en
Surrey er al mee gewerkt. Het was moeilijk, omdat het niet alleen de beheersing
van een ingewikkeld rijmschema vergde, maar ook het meesterschap over een ritme
dat geheel verschillend was van het laat-middeleeuwse vers in de Germaanse
talen. In Engeland, en vooral ook in de Lage Landen, was het traditionele ritme
dactylisch of anapaestisch geworden. Het sonnet, meestal geschreven in
alexandrijnen of ‘vers communs’, vereiste een jambisch ritme, dat
de zestiende-eeuwse dichters in het begin uiterst moeilijk viel. Het vers van
hun Franse modellen wordt niet op het accent geskandeerd, zoals het Nederlandse
en Engelse vers, en er moest veel geëxperimenteerd en geoefend worden
vóór het duidelijk werd dat een dergelijk effekt van ongedwongen
ritmiek bereikt kon worden door het gebruik van jamben. In de vroege pogingen
zien we hoe de dichters proberen hun Neder- | | | | landse verzen te
skanderen volgens het Franse model, dat een veelvuldig gebruik van het
‘niveau-accent’ meebrengt.
De eerste Nederlandse sonnetten werden gepubliceerd door de
schilder en dichter
Lucas de Heere in Den Hof en
Boomgaerd der Poësien in 1565. Men neemt aan dat hij kennis
maakte met de sonnetvorm en met de poëzie van
Marot en
Ronsard toen hij in opdracht van het Franse
hof werkte. De preciese tijd en de duur van zijn bezoek aan Parijs zijn
onbekend, maar het schijnt dat hij er in 1560 geweest is.
Werner Waterschoot heeft erop gewezen dat
tenminste één sonnet - gericht aan de gebroeders
Borluut - vóór 1557 geschreven
moet zijn.
Rudelsheim had al eerder aangetoond dat een
ander sonnet - op de doop van een kind van de Gentse drukker
Hendrik van den Keere - geschreven moet zijn
in 1556
1. Tot vroeg in het jaar 1556 had
De Heere gewerkt in het atelier van de schilder
Frans Floris te Antwerpen. Hij
was nog maar 23 toen hij het sonnet voor de gebroeders Borluut schreef, en hij
moet in Antwerpen sonnetten hebben leren schrijven. Frans Floris was een
voorvechter van de renaissanceschilderkunst en een ontwikkeld man - we bezitten
een Latijnse brief van zijn hand - en het hoeft geen verrassing te wekken dat
hij en zijn vrienden belangstelling zouden hebben gekoesterd voor de
renaissancepoëzie. Hij verkeerde op vertrouwelijke voet met vooraanstaande
personen.
Van Mander vertelt dat Floris was ‘in
groot achten en heerlijck aensien bij den meesten des Landts, te weten de edel
gulde Vliesheeren, den
Prince van Orangien, Graven
Egmont en
Hoorn, en ander; was met hen heel
gemeensaem, en quamen dickwijls t'zijnen huyse den wijn drincken en
bancketten’
2. Dit
was de groep waartoe
Marnix later behoorde, maar het is niet
waarschijnlijk dat hij er al zo vroeg deel van uitmaakte, want hij liet zich
pas in 1559 in Genève inschrijven. In ieder geval werd Franse
poëzie gelezen door de ontwikkelde adel, en dit verklaart misschien hoe
Lucas de Heere er kennis mee maakte.
| | | |
Antwerpen was ook de geboortestad van
Jan van der Noot, zeven jaar jonger dan
de Heere, die de neiging om Franse
versvormen te imiteren in zijn eigen omgeving schijnt te hebben opgedaan. Het
schijnt dat Van der Noot en De Heere elkaar pas ontmoet hebben toen ze beiden
als ballingen in Londen vertoefden. Intussen had Van der Noot heel wat
experimentele verzen geproduceerd, ongetwijfeld in eerste instantie bedoeld
voor de ontwikkelde kringen in Antwerpen, - verzen die hij pas in
ballingschap kon publiceren. Het is jammer dat er niet meer bekend is over het
literaire leven in Antwerpen in deze periode, en over de mate waarin de
eigentijdse Franse poëzie daar gelezen werd. De bewering van
Floris Prims aangaande de geringe kennis van
het Frans onder de inwoners van Antwerpen moet wellicht in twijfel getrokken
worden
3. Antwerpen was tenslotte
een van de meest polyglotte steden van Europa; de omvangrijke kolonies van
Spaanse, Portugese, Italiaanse, Franse, Engelse, Neurenbergse en Hanseatische
kooplieden verschaften een vruchtbare grond voor kulturele uitwisseling. In
ieder geval schijnt het dat Lucas de Heere daar sonnetten heeft leren schrijven
in een tijd waarin hij ook refereinen schreef. Zijn epigram gericht tot
Frans Floris is in alexandrijnen
4, zodat we mogen aannemen
dat Floris zelf niet afkerig was van de nieuwe versvormen. Men is het er in het
algemeen over eens dat De Heere, als schilder en ook als dichter, niet bepaald
een man van grote originaliteit was. Het is niet aannemelijk dat hij helemaal
uit zichzelf experimentele, avantgarde-poëzie van dit soort zou hebben
geschreven. De vraag blijft dus: wie heeft hem in Antwerpen de kunst geleerd?
Was het Floris zelf, van wie
Van Mander vermeldt dat hij ‘groot
verstandt en oordeel’ toonde o.a. in ‘Poeterie’? Of was het
iemand uit de omgeving van Floris? En zo ja, wie was dat dan?
Er was nog een Gentenaar die in ongeveer dezelfde tijd met deze
vormen experimenteerde, -ook buiten Gent. Dit was
Carel Utenhove, die in Parijs woonde en in
nauw en vriendschappelijk contact stond | | | | met
Ronsard en andere leden van de
Pléiade. Slechts één voorbeeld van zijn werk is bewaard
gebleven.
In 1560 gaf hij een bundel gedichten uit over de dood van Hendrik II
van Frankrijk, in niet minder dan twaalf talen, grotendeels door hemzelf
geschreven
5. Er zijn
twee gedichten in het Nederlands bij, één van Utenhove, het
andere van een anoniem auteur. Beide gedichten gaan over een gebed waarvan
wordt voorgesteld dat het door de koning op zijn doodsbed wordt uitgesproken.
De anonymus schrijft:
Ick gae den wech (fy weerelt wech)
Der Christenen goed die God wt den moet
Nauolgen slecht, en leuen recht.
Nu siet ick vaer, sonder gevaer
Van erderick in 't hemelryck.
O God mijn heer, heer om dijner
Bermerticheyt die in eewicheyt
Dat ick dijn goet tot alder spoet
(Vach erderick) vach besitten mach.
Dit is geschreven in kreupeldicht met binnenrijm; het rijm is overal
mannelijk, en er zijn regels met een duidelijk dactylisch ritme: ‘Der
Christenen goet die God wt den moet’. Het is niet zonder een zekere
waardigheid, maar als het verdiensten heeft dan liggen die in de Rhetorica,
niet in de Poësie. Het gedicht bevat geen enkele aanwijzing dat de auteur
(wie het ook geweest mag zijn) ooit van de Pléiade had gehoord.
Utenhove schrijft:
O heere God dijnen dienaer belast,
Van machten cranck van bouen tot beneden
Beroert van siele nu ter hellen vast,
| | | |
Ick gae in thuys der godvreesenden treden,
Ick gae den wech der gerechten in vreden,
Ick Henderick Coninck van Vranckenrick,
Die hier in ruste ligge en slape ouerleden.
Ick schee van d'eerde, en clemene int hemelrick,
Daer, die Got vreesen, leuen euwelick.
Maer ghy ô heere, mijnen God almachtig,
Om dein ghenade durende eeuwelick,
Om deine goetheit, ende liefde crachtig
Ma[eck]t mij dein knecht toch deines ricks deelachtig.
Dit zijn ‘vers communs’ met een zorgvuldig gehandhaafde
caesuur na de vierde lettergreep. Het rijm is afwisselend mannelijk en
vrouwelijk, hoewel af en toe nogal onhandig (bijvoorbeeld het twee maal
gebruikte ‘eeuwelick’, dat rijmt met ‘hemelrick’ en met
zichzelf). Vergeleken met het werk van de anonymus zijn dit volstrekt moderne
verzen waar de invloed van Utenhove's vriend Ronsard duidelijk uit blijkt. Het
zijn verzen zoals men ze in Parijs zou verwachten. Ze tonen een veel groter
begrip van de structuur van het Franse vers en van de problemen die gepaard
gaan met een overzetting in het Nederlands, dan Lucas de Heeres vroege sonnet
in alexandrijnen.
Het valt niet uit te maken of Utenhoves regels de eerste ‘vers
communs’ zijn die ooit in het Nederlands werden geschreven, maar ze zijn
in ieder geval de eerste die in het Nederlands zijn gepubliceerd - vijf jaar
vóór De Heeres Hof en Boomgaerd. Zoals wij
het gedicht kennen, staat het op zichzelf. Ofschoon het geenszins
voortreffelijk mag heten, vertoont het toch een zekere vaardigheid die doet
vermoeden dat het het enige bewaard gebleven voorbeeld is van een verzameling
van dergelijke verzen van Utenhoves hand. Zo komen wij vanzelf tot de vraag of
een man die zo vroeg zulke verzen kon schrijven niet meer van dit soort verzen
heeft geschreven, of ze de enige waren die hij schreef, en met name of ze de
eerste waren. Op deze vraag kunnen we niet met zekerheid antwoorden. Maar op
dit soort vragen stuit men steeds bij een onderzoek op dit gebied, en we
ontduiken de vraagtekens niet door ze te negeren.
Utenhoves gedicht verscheen in Parijs in 1560; er verscheen geen
Nederlandse renaissancepoëzie in druk vóór De Heeres Hof
en Boom-
| | | |
gaerd in 1565, onlangs bestudeerd door
Werner Waterschoot. Deze bundel bevat oud
en nieuw door elkaar -refereinen en sonnetten. De Heeres gebruik van de nieuwe
metra is nog aarzelend. Hij heeft het jambische ritme nog niet gevonden en is
nog onzeker over de plaats van de caesuur in de alexandrijn.
In 1567 vindt de grote exodus plaats uit Vlaanderen en
Brabant. In dit jaar ontsnapt
Van der Noot naar Engeland, en in de jaren
erna laat hij twee Nederlandse versbundels in Londen drukken: Het
Theatre in 1568 en Het Bosken in 1570.
Omstreeks dezelfde tijd is
Lucas de Heere ook in Londen aangekomen en
schrijft een ode als inleiding tot Het Theatre.
Utenhove blijft in Frankrijk. Zodoende
hebben de belangrijkste figuren van de renaissancepoëzie het Nederlandse
literaire toneel verlaten, en men zou denken dat dergelijke verzen voorlopig
niet meer geschreven zouden worden. Toch vinden we een sonnet in alexandrijnen
dat in 1569 in Brugge verschijnt, en dat bovendien vrij sterk
afwijkt van alles wat tot dusver in het Nederlands is verschenen. Het is alleen
bewaard gebleven omdat de drukker het gebruikte om de laatste pagina van een
bekend satirisch werk te vullen, de Historie van Broeder Cornelis
Adriaensen van Dordrecht, dat onder het auteurschap van een zekere
Christianus Neuter gedrukt staat. De
identiteit van de man die achter dit pseudoniem schuilging is nooit ontdekt, en
de auteur van het sonnet wordt niet genoemd. Het werk zelf houdt zich bezig met
de antiprotestantse preken van
Broeder Cornelis, een franciscaan in
Brugge. Deze man, die beschouwd werd als een gevaarlijk
tegenstander, werd hier op zijn zwakste punt aangevallen. Want Broeder Cornelis
heette een gemeenschap van vrome vrouwen te hebben gesticht, die onder zijn
persoonlijke en geheime leiding het vlees verzaakten. Geseling was de
boetedoening die hij oplegde
6. Het anonieme
schimpsonnet luidt als volgt:
Pater, siende hier ghebeelt, en deur de Printe lichten
V legende, heylicheyt, de const van uwen beck,
Beter dan noyt en was het selsaem vuyl ghebreck
| | | |
Van Bupalo, veruaet in Hipponacti dichten.
So vreese ick dat ghy sulck een Mausol[e]um stichten
Als Bupalus hem maecte: Och nee, sijt niet so geck,
Want v blyuen dient ons beter dan v vertreck,
Menich maect sijn profijt van v schoon
onderrichtê.
Niet te min sterfdy oock (twelck menich Vrou waer leet)
V sermoenen, God danck, die blyuen ons geteet:
Ende men sal altijt ghedencken Broer Cornelis,
Die geerne van stront preecte, ende van teuen heet:
Die de Vroukês geesselde, ooc beschimpte en
beet
En sulck een fijn man was, daer af datter noch veel
is.
(Historie van B. Cornelis Adriaensen vã Dordrecht
… [Brugge] 1569)
De sonnetvorm werd in Frankrijk traditioneel gebruikt voor lofzangen
op beschermheren en mogelijke beschermheren, de viering van geboorten, dood en
huwelijken van aanzienlijke personen, filosofische en religieuze overpeinzing,
en, vooral, voor liefdespoëzie. Als hekeldicht was het sonnet in die tijd
zeer in zwang in Italië, maar weinig daarbuiten. Dit sonnet is geschreven
in alexandrijnen, zodat het model, wat de techniek betreft, eerder Frans dan
Italiaans is. Het volgt een conventioneel patroon: eerst een klassiek voorbeeld
(hier de geschiedenis van Bupalus); dan het (ironisch) gebruik van het
‘roem’-motief - het mausoleum ‘aere perennius’ in 's
dichters vers; de ironische uitwerking van hetzelfde motief in de bewering dat
de preken van Broeder Cornelis na zijn dood zullen voortleven; en van het
‘prodesse et delectare’-motief in de regel: ‘Menich maect
sijn profijt van u schoon onderrichten’.
Bupalus was een Griekse beeldhouwer die zo
onvoorzichtig was een karikatuur te maken van de satirist
Hipponax. Hipponax' antwoord was een
gedicht zo bijtend dat Bupalus zich ophing. Het gedicht was aldus het mausoleum
van Bupalus. De vergelijking is enigszins gewrongen, maar de gedachtengang is
dat
Broeder Cornelis geneigd zou zijn dezelfde
uitweg te zoeken. Hij komt beter te voorschijn uit dit boek dan Bupalus uit
Hipponax' gedicht, omdat het boek voor een groot deel bestaat uit een
woordelijke weergave van zijn eigen preken, met hier en daar kritisch
kommentaar en verzen van de auteur | | | | van het boek
7. Broeder Cornelis wordt daarom niet gecaricaturiseerd; wel toont
hij zich in zijn ware vorm, als een afschrikwekkend voorbeeld. Als zodanig zou
het jammer zijn als hij stierf, want levend is hij nuttiger voor de
protestantse zaak dan dood.
Het sonnet is klaarblijkelijk het werk van iemand die goed op de
hoogte was van de klassieken (het verhaal van Bupalus staat vermeld in het
zesendertigste boek van
Plinius' Historia
Naturalis), en ook van de sonnetvorm. Hij houdt zich aan de
afwisseling van mannelijk en vrouwelijk rijm. Het rijmschema abba abba ccd
ccd is regelmatig, en er is de verplichte omslag bij het sextet. De auteur
maakt gebruik van elisie van onbeklemtoonde lettergrepen in hiaat, zelfs over
de caesuur heen (Als Bupalus hem maecte: Och nee, sijt niet so geck; Die
geerne van stront preecte, ende van teeven heet); en de caesuren vallen
gewoonlijk op de juiste plaats. Het ritme is in wezen jambisch en omgekeerde
voeten worden knap gebruikt om de klemtoon te leggen: Want u
blíjvèn dient óns; - U sérmoènen
Goddánck; - Die géerne van strónt préecte.
Het is geen groot sonnet, maar voor zijn tijd met opmerkelijke
vaardigheid geschreven. De auteur toont originaliteit als hij deze vorm
gebruikt voor dit ongebruikelijke doel, en de keurige manier waarop de
traditionele topoi van lofprijzing worden omgekeerd of geïroniseerd toont
een hoge mate van kundigheid.
Ook hier hebben we een produkt dat geheel op zichzelf staat en niet
met zekerheid kan worden toegeschreven aan de een of andere bekende auteur of
zelfs aan een bepaalde groep van literatoren. We mogen niet zonder meer
aannemen dat de auteur van het sonnet dezelfde is als de pseudonieme
Christianus Neuter die het boek verzorgde
(aangenomen dat we zouden weten wie hij was)
8. De technische bedrevenheid van het sonnet doet alweer vermoeden
dat dit niet het enige gedicht van z'n soort is dat door deze auteur werd
geschreven. Wie was hij, en waar zijn de andere sonnetten van zijn hand?
| | | |
Hoeveel beheersing vereist was om dit soort verzen te
schrijven kan worden geapprecieerd door dit sonnet te vergelijken met een ander
dat in hetzelfde jaar 1569 werd geschreven door de schilder
Joris Hoefnagel. Tijdens zijn ballingschap
in Londen maakte hij een serie emblematische tekeningen, die hij
Patientia noemde, en liet ze vergezeld gaan van verzen in
het Nederlands, Frans en Spaans, opgedragen aan z'n Londense vriend
Johannes Radermacher. De tekeningen zijn
voortreffelijk, maar de verzen zijn onbeduidend. De Nederlandse zijn, hoewel
soms levendig, gewoonlijk nogal onhandig in de refereinen-stijl, en Hoefnagel
had blijkbaar het dactylische ritme en het binnenrijm bij de caesuur,
kenmerkend voor de vorm in het Nederlands, zo vast in z'n hoofd dat hij ze in
z'n Franse en Spaanse verzen ook toepaste. Het is daarom zo verrassend te zien
dat het hele werk wordt ingeleid door een sonnet in het Nederlands, dat de
opdracht bevat; minder verrassend is het dat dit sonnet dezelfde kenmerken
vertoont:
Sonnet. Aen Jan Radermaecker
Den gheest sijnde beroert, doer tlichaems arresteren /
Mistroestich en benaut, doer dapprehencie groot. /
Heeft god den gheest verweckt, wel haest al wijt den noot. /
Gheen lijden toch zoe groot, den tijt die candt mineren.
Ghij als sijn instrument, die quaempt mij visiteren /
Vrindelijck inviteren, tot d'edele conste bloot /
Die Godt mij heeft ghegheuen, ick spranck als van die doot. /
Des gheest vol fantasijen, en ghinck hem imploijeren.
Den loop present aensiende van wonderlijcke tijden /
T'verdrach en patiencia, van nood' aen alle sijden /
Sijnd' oock int selue lijden, nam t'selue voer mijn subject. /
Nu dan mijn werck volmaeckt, maer rou, en cleyn van machten
Naer Radermaecker gaet, hij sal u nijet verachten /
Want hij heeft vriendtz ghedachten, toendt hem mijn hert
ontdeckt.
Voorbij het eerste kwatrijn, kan Hoefnagel het jambische ritme niet
volhouden; daarna valt hij in het vrije ritme van het referein, werkt met
binnenrijm op de caesuur en gebruikt dan natuurlijk een nieuw Auftakt daarna.
Als een goede rederijker heeft hij geen moeilijkheden met het rijm, en houdt
zich zonder moeite aan de afwisseling van | | | | mannelijk en
vrouwelijk; zijn rijmschema abba abba ccd eed is niet ongewoon in andere
sonnetten. Maar als een goed rederijker gebruikt hij graag vreemde woorden in
het rijm: arresteren, visiteren, imploijeren.
Hoefnagel had een aantal jaren in
Frankrijk en Spanje doorgebracht; hij was een ontwikkeld man met gevoel voor
kunst maar het is duidelijk dat hij met moeilijkheden te kampen had
9.
Hoefnagel was een vriend van de historicus
Emanuel van Meteren en peetvader van een
van diens kinderen
10. Van Meteren had vanaf 1550 in Engeland
gewoond, maar bezocht de Lage Landen vele malen. Hij begon een nieuw album
amicorum in 1576; een vroeger album was hem ontnomen tijdens een bezoek aan
Antwerpen
11. Op de
eerste bladzijden van zijn nieuwe album (nu in de Bodleian Library te Oxford)
schreef hij twee sonnetten. Zij staan daar als een normale inleiding: het ene
is een sonnet ‘op mijn deuijse’, het andere is een uitnodiging aan
zijn vrienden om in het album te schrijven.
Emanuel Demetrius tot sijn vrienden
Ghy liefhebbers der Deught, const, end' Godsalich leuen,
Ick nood' end' bidde v hier te maken met v hant
Eenighe schoon deuijs, die van U goet verstant
Ende constich Ingien, rechte getuych mach gheuen.
Op dat het zelfde zij voor eeuwich hier beneuen
Als een vest seghel merck van desen schoonen bandt
Onzer groote senicheit ende liefde abundant
In dit bouck, alsoo ook in ons herten gheschreuen.
Ende dat ons gheslacht zij vierich veroorsaect
Duer dees teekenen hier zoo schoon en wel ghemaect
Te dencken op haer leere en lofuelicke daden,
Die vierich volghen nae en binden haer in een
Met ons door desen bant die nemermeer zal scheen,
Want, GOD ZIJNDE MET ONS NIET EN MACH ONS SCHADEN.
(Bodleian Library Oxford, Douce 68. H.C. Rogge, Oud-Holland
XV, blz. 163).
| | | |
Dit moest het album dat hem ontnomen was vervangen,
over de inhoud waarvan ons zo goed als niets bekend is. Maar als hij het nieuwe
album met twee sonnetten inleidt, ligt het voor de hand dat er ook sonnetten in
het oude album stonden.
Lucas de Heere, de pionier van het
Nederlandse sonnet, droeg ook een sonnet bij aan het album van zijn vriend.
De sonde heeft wel in het aensien wat schyn
Van welde en vreught, daer sy swaerelts dienaeren
listigh by loct, als met ghesang en snaren:
Maer onder tsoet leyt schadelick vernyn.
Wat grooter grief comt wt tmisbruyck van wyn?
Is vreckheit niet den buel van die goet garen?
Gheeft hoerdom niet menigh schendigh beswaren?
Wat sondaer doch kander weildigh ghesyn?
Oock dat meer is naer dees bedroefde vreught
Volghet haeren loon, d'eeuwighe doot, dies meught
Ghy daerby sien of zy gheeft wat profyts.
Schuwt dan de sonde end' volght vast na de dueghdt,
Die ziele, gheest end' lichaem maect verheughdt.
SCHADE LEER V wys te werden in tyts.
Dno EMANUELI DEMETRIO in mutuae amicitiae tesseram statuit hoc
symbolum Nonis Junij 1576 Londini
LUCAS DHEERE pictor Gand.
(Bodley, MS. Douce 68, fo. 7. Rogge, Oud-Holland XV, p.
166).
Het opmerkelijke is dat de sonnetten van de hand van de oudere in
het buitenland woonachtige
Van Meteren beter zijn dan die van de
jonge Vlaamse pionier
De Heere. Waar had Van Meteren geleerd ze
te schrijven, wanneer, en van wie ? Evenals de sonnetten die we al eerder
hebben besproken, vertonen die van Van Meteren een hoge mate van geoefendheid.
Het is bijzonder jammer dat zijn eerste album verloren is gegaan. Als het
bewaard gebleven was, dan zouden we waarschijnlijk eerdere sonnetten van Van
Meteren en zijn vrienden aangetroffen hebben, sommige geschreven in de Lage
Landen, sommige in Engeland. De eerste bijdragen in Van Meterens nieuwe album
zijn acht jaar later geschreven dan Van der Noots
Theatre; het sonnet van Lucas de Heere vertoont
wel enige vooruitgang vergeleken met | | | | de Hof en
Boomgaerd van elf jaar tevoren, maar hij blijft nog altijd de
mindere van Van Meteren. Van hetzelfde jaar zijn er nog een paar sonnetten in
dit album, één van
Pieter Heyns, waarvan men niet zeker weet of
het in Londen of in Antwerpen geschreven is. Uit hetzelfde jaar
1576 dateert een boek met een aantal interessante gedichten geschreven in
Londen - geen sonnetten, maar wel in de nieuwe techniek van de alexandrijnse
coupletten. Het zijn epicedia op de dood van
Joris Wybo, een van de predikanten van de
Nederlandse Kerk te Londen. Twee zijn er van
Lucas de Heere, die een van de ouderlingen
van de kerk was; de andere vijf zijn vertalingen in Nederlandse verzen van
Latijnse gedichten geschreven door Wybo's collega's en medeleden. De
vertalingen zijn van
Johannes Cubus, ook een predikant van de
Londense Nederlandse Kerk. Over hem is erg weinig bekend, niet eens zijn
geboortedatum. Sinds 1550 was hij in Engeland woonachtig (hij wordt in 1550
vermeld als deken van de Nederlandse Kerk). In 1573 werd hij een van de
predikanten. Van daarvoor is niets over hem bekend, behalve dat hij in
Vlaanderen gepreekt had en in Londen hoofd van een school was. In
1578 keerde hij terug naar Antwerpen en stierf daar in het jaar
daarop
12. Het volgende is
een staaltje van zijn werk:
Die bi gods dieners was vermaert in eeren groot
Is nu, met veler druc genomen door de doot.
Ghelijck Godsalick was zijn leuen en zijn leere,
Is hij int recht gheloof ontslapen in den Heere.
Elc wenschte dat hy had geleeft noch vele Jaren,
Maer de doot diet al neemt, wild hem niet langer sparen.
Nv laet van weenen af: dat ghi wenscht hy nv heeft,
Dewijl zijn leven was Christus, met wien hi leeft.
Van inspiratie is hier nauwelijks sprake, maar het Latijn, waaruit
het vertaald is, was vermoedelijk evenmin bezield. Wat wel opmerkelijk
| | | | is, aan dit en andere gedichten van
Cubus, is het gemakkelijk vloeiende
jambische ritme. De caesuren zijn goed geplaatst, hiaten worden vermeden, en de
Franse alexandrijn is effectief aangepast aan het Nederlandse
intensiteitsaccent. Het enige punt waarin Cubus bij
Lucas de Heere achterblijft is dat hij
mannelijk en vrouwelijk rijm niet afwisselt. De accentverdeling met het oog op
nadruk in de regel ‘Nu laet van weenen af: dat ghi wenscht hy nv
heeft’ is zeer behendig, vooral met het oog op het contrast met de
voorafgaande regelmatige verzen. In zijn hantering van het jambische ritme
loopt hij vooruit, niet zo zeer op
Jan van Hout, als wel op
Daniel Heinsius, dertig jaar later.
Een van de gedichten is een chronogram. Chronogrammen zijn zelden
goede verzen, maar ze vereisen handigheid en vernuft, en ze bevatten hun eigen
datering, wat ze voor ons zeer nuttig maakt. Het chronogram van Cubus is een
alexandrijns couplet met de datum 1576.
Pieter Bor vermeldt in zijn
Oorsprongh, begin en vervolgh der Nederlantsche oorlogen
de chronogrammen die jaar voor jaar ter gelegenheid van belangrijke
gebeurtenissen in het Nederlands geschreven werden. Het eerste dat in
alexandrijnen werd geschreven is voor een gebeurtenis in 1600. Cubus was de
dichter daarvan vierentwintig jaar vooruit.
Een van de ouderlingen van de kerk, in de tijd dat deze gedichten
geschreven werden, was
Johannes Radermacher uit
Aken. Aan hem had
Hoefnagel de behoefte gevoeld juist een
sonnet te schrijven als opdracht van zijn Patientia.
Radermacher was een vriend van
Van Meteren,
Lucas de Heere en
Jacob Colius, die ook in Londen woonden
13. Radermacher, Colius en Van Meteren schijnen een Nederlandse
literaire groep te hebben gevormd. Stelt men wat Cubus betreft dezelfde vraag
die we al eerder over anderen gesteld hebben, en wel hoe heeft hij
alexandrijnen leren schrijven, dan moet het antwoord luiden: in Londen. De
kwaliteit van zijn werk wijst er op dat het experimenteren met Franse metra in
ballingschap was doorgegaan, en dat
Van der Noot en
De Heere niet de enigen in Londen waren die
| | | | zich daarmee bezig hielden. Het sonnet van Hoefnagel enerzijds,
de verzen van Cubus anderzijds, om maar niet te spreken van de sonnetten van
Van Meteren zelf, wijzen erop dat het in de kring rondom Radermacher, Colius en
Van Meteren was waar deze kunst verder werd beoefend
14. Dit blijkt ook nog uit
een werk van Colius zelf - Den staet van London in hare groote
peste - dat hij 1604-5 neerschreef. Het bestaat uit 450
alexandrijnse coupletten die technische vaardigheid bezitten; ‘de over
het algemeen gelukkige manier waarop hij zijn accenten en pauzes plaatst’
14a ligt voor de hand. De eerste regels van zijn gedicht mogen als
staaltje dienen:
Den seer benauden staet, daer dese stadt in stont
Doe t'haestich vier der Pest, hier out en ionck verslont,
Den rouwe daer sy doen bedruct was in gheseten,
En can tot gheender tijt, mijn herte niet vergheten.
Ick hebs soo veel ghesien, soo vol is my den moet,
Dat hy oock door mijn penn', zijn droefheyt vloyen doet;
End soo dit wit papier becleet met mijnen rouwe,
Dat ick hem, alst my lust, hier t'elcken weer aenschouwe.
(Jacob Cool, Den staet van London in hare groote
peste, met een inleiding en aantekeningen door J.A. van Dorsten en
K. Schaap, Leiden 1962, blz. 23).
Dat hij niet alleen stond bewijzen de verzen van zijn broer
Pieter Cools die aan het slot van het
boekje staan:
Soo hy die eenmael clept, oft eens begraeft een lijck
Bestelden loon ontfanght, wat loon hy doch verbeydet
Die voor veel lijcken clept, en graeft bey arm en rijck
End door zijn cloecke pen' daer bloemkens ouer spreydet:
End by die Londons staet, daer haer de Pest in
brocht
Als op een swert Tonneel, u constich gaet verthoonen,
Daer ghy veel steruen siet, nochtans gheen quade locht
Daer aen behalen cont, hoe salmen hem beloonen?
| | | |
O Musen President, ghy Lauwerboomen heer
Gheeft Iacob eenen Crans, wy sullen hem lof gheuen.
Dan t'is al tevergheefs, hy sch'ouwt bey prijs end eer.
Soo moetmen dan zijn werck, eerst croonen nae zijn leuen.
Juist de verskunst van Den staet van London
werd in Leiden geapprecieerd.
Franciscus Raphelengius de jongere
schreef in 1606 aan Colius
14b:
Sorori etiam arrident quamvis in materia tristi versus tui, ad
imitationem mensurae Aldegondinae conscripti. Eius generis jam multa hic
panguntur, sed amatoria pleraque, pura quantum fieri possit a barbaris
vocabulis. Excellit autem Heinsius.
Interessant is dat precies in dit verband de namen van
Marnix en
Heinsius genoemd worden.
In het volgend jaar 1577 zocht
Abraham Ortelius zelf voor enige tijd
onderdak in Londen bij zijn neef
Colius en zijn vriend
Van Meteren. Zijn album is uiteindelijk,
na een reeks vreemde lotgevallen, terechtgekomen in Pembroke College te
Cambridge
15. Het is een literair
document van groot belang, want het toont in welke mate de
renaissance-verskunst nog beoefend werd in de Lage Landen.
Veel namen die in Van Meterens album voorkomen, vinden wij terug in
het album van
Ortelius, te weten die van de beeldende
kunstenaars
Hoefnagel,
Gheeraerts,
Lucas de Heere. Er zijn ook verzen bij van
Vlamingen en Brabanders die niet naar Engeland emigreerden. Dit getuigt,
evenals het anonieme sonnet in het boek over
Broeder Cornelis, van een voortgaande
literaire traditie in de zuidelijke Nederlanden. Een belangwekkende naam in dit
verband is die van
Michiel van der Haeghen. Zijn bijdrage is
helaas niet gedateerd, maar is blijkbaar in Antwerpen geschreven
tussen de jaren 1570-1580. Zij bestaat uit zes elegische disticha in het Latijn
en een verdienstelijk sonnet in het Nederlands, beide als begeleiding bij een
emblematische tekening van een | | | | haag en de motto's ‘Scheydt
niet van der Hagen’ en ‘Durant connexa’:
Sonet
Ghelyck de haghe groen wel doorvlochten in eene
Doer eendrachtigen band beclyft en fray oploopt
Soo blyft lanckduerich oock, dat tsamen ik geknoopt
Want tweedracht tgroot vernielt, eendracht doet groeyen
t'cleene.
Hoe mennich ryck gedeylt is gecomen te gheene!
Hoe mennich stadt verheert in steenen opgehoopt
Doer scheeringen ende twist? daer den duyvel naer
loopt.
Eendracht gheeft cracht en macht. Dus niet door byeen blyfven.
Aen malcander geclist, en scheuringen verdryfuen
Oorspronck van alle quaet, van verderf ende
plaghen,
Die t'oude heeft gebracht nar landt eertyts zoo schoon
En dagelycx verwoust der edelfrawen croon
Soo heeft dan syn deuys recht SCHEYDT NIET VAN DER
HAGEN
(Pembroke College Cambridge, MS. 2. 113, fo. 24).
Michiel van der Haeghen is ook bekend
door zijn Nederlandse verzen geschreven voor
Jan van der Noot en bewaard in Van der
Noots Poëticsche Werken, waar ik nog op terug zal
komen. Ook vinden we
Marnix, die eveneens Nederlandse verzen in
de nieuwe stijl schrijft, hoewel geen sonnet, Het begin luidt:
Voowaer tis soo: De menschen altemaal
Sijn ijdelheit end' logentael.
Hij schreeft dit in Antwerpen in 1597. Ook op Marnix
zal ik later terugkomen.
Een bijdrage van bijzonder belang is van
Petrus Divaeus, of Van Dieve, de
historicus van Brabant
15a, geschreven in
Leuven in 1575. Het schijnt de eerste poging te zijn tot het
schrijven van sapfische verzen in het Nederlands, bijna twintig jaar
vóór Van Houts experimenten met klassieke metra in 1594. Hij kwam
niet verder dan twee strofen, en deze zijn duidelijk moeizaam:
| | | |
Ortel v const groot is in alle landen
Verre vermaert: d'aerdige Lants-betrecken
Heefut v bracht Hooger in achte dan den Griecksche bedecken
Sultge den naem van Ptolomeus bewolcken
Sultge dloff der geestige nijeuwelingen.
Eeuwigen prijs sultge van alle volck en Eere bedingen.
(Pembroke College, Cambridge, MS. 2. 118, f. 95).
Hij had het fundamentele ritme van de sapfische strofe te pakken, en
de noodzaak van enjambement, dat in het referein of het alexandrijnse couplet
niet in deze mate verdragen werd. Evenals het merendeel der zestiende-eeuwers
die klassieke metra probeerden, hield hij vast aan het rijm. Hij heeft geen
‘vers mesurés’ geschreven zoals de Pléiade, maar
werkte met het Nederlandse intensiteitsaccent, wat het voor hem moeilijk maakte
zich strikt aan het klassieke metrische schema te houden. Dat hij deze poging
toch gewaagd heeft is blijkbaar veroorzaakt door de Pléiade, want het
moet onwaarschijnlijk geacht worden dat hij iets wist van dergelijke
experimenten in Engeland in deze jaren van Gabriel Harvey en Sidney, of van de
sporadische pogingen in Duitsland van Kolross en Spangenberg, die verband
hielden met protestantse geestelijke liederen.
Het feit dat deze twee gedichten in dit album voorkomen wijst erop
dat
Ortelius zelf goedgunstig stond tegenover
de nieuwe richting die zij vertegenwoordigen. Deze twee gedichten onthullen dus
interessante banden: enerzijds met de niet erg grondig bestudeerde groep van
bewonderaars van
Van der Noot, anderzijds met een als
dichter praktisch onbekende figuur die met de klassieke metra experimenteerde.
Maar Ortelius' wetenschappelijk werk bracht hem in kontakt met geleerden in
heel Europa, en natuurlijk ook met Nederlanders boven de grote rivieren, die
ook meer belangstelling hadden voor Poësie dan voor Rheterica. Zijn werk
bracht niet alleen veel correspondentie, maar ook veel reizen met zich mee. In
1579 was hij in Leiden, waar niemand minder dan
Jan van Hout een sonnet in zijn album
schreef, waarin hij de ‘botheid’ van ‘onze Hollandsche
geest’ betreurde.
| | | |
Tot Abrahamum Ortelium C.M. Aerd-scriver zinnen vrund: -
Sonet
Een slecht dOR TELischsken, van geest en sap vercout
Hebt gi begeert, um hier in diner vrunden gaerde
T'ingriffelen, de stam, beneffens wel vermaerde,
Wiens bladerich geruisch slaet aen de blaeuwe vout.
Wat zalmen zeggen, als-men tgensken hier anschout,
Mit tgraeu-geveerde vel, (dat noit geen cunst en
baerde)
Bi zwanen wit besneeut? gus gens, wech, diner
vaerde!
T'geliefde'u doch; tzi zo; te pande dan behout
Van uwen vrund van Hout, dees verskens but van geest.
Mit recht, want tbutte' Holland zijn zoochamme' es
geweest
Daer Geest dORTE Land is vruchtloos dan deur verjaerden
mis
De mis nu missende, mist ooc de geesten vrucht
Dus bliven wi vast but gelooft nu tou gerucht
Dat unze' Hollandsche geest van geender gueder aerd en
is.
(Pembroke College, Cambridge, MS. 2. 113, f. 231)
Het sonnet zelf, in alexandrijnen en met een rijmschema abba abba
ccd eed, is een pronkstuk, ingewikkeld zowel van gedachte als van syntaxis,
met twee woordspelingen op de naam van
Ortelius, en de achterlijkheid van de
Noordnederlandse poëzie illustrerend door het ironische gebruik van een
driesyllabisch rederijkersrijm in het sextet: ‘Dat unze' Hollandsche
geest van geender gueden aerd en is’. Het contrast is beleefd en doet
afbreuk aan hem zelf:
Van Hout kan slechts een klein lootje
bijdragen, ‘Een slecht dor telichsken, van geest en sap vercout’
(‘dor telichsken’ bevat de naam Ortel), dat geënt moet worden
op de edele boom ‘wiens bladerich geruisch slaet aen de blaeuwen
vout’. De nederige loot bestaat uit ‘dees verskens but van
geest’. Aangenomen dat dit een conventioneel blijk van beleefdheid is,
dan schijnt er toch iets meer achter te zitten. Van Hout, in ere verplicht,
laat doorschemeren dat Ortelius een groter man is dan hij. Maar hij suggereert
ook dat op het gebied van de poëzie het Zuiden superieur is aan het
Noorden. Ortelius is geen dichter, zodat Van Hout niet uit beleefdheid hierop
hoeft te wijzen. Het soort produkt dat men van Hollandse bodem kan verwachten
is precies ‘verskens but van geest’. De implicatie is dat betere
verzen geschreven werden in, bij voorbeeld, Antwerpen. Hoe
complimenteus en beleefd dit ook is, het is onwaarschijnlijk dat Van
| | | | Hout zoiets zou zeggen zonder enige reden, hoe gering ook. Dit
zou betekenen dat hij kennis had gemaakt met de renaissancepoëzie die in
Brabant of Vlaanderen geschreven werd. Wat wist hij
daarvan? Hij had klaarblijkelijk de gedichten gelezen die al in het album
stonden en die een zekere indruk op hem zullen gemaakt hebben; maar wat wist
hij verder?
Marnix woonde in 1579 nog niet in
Leiden (we weten zelfs van zijn eigen bijdrage in het album dat
hij in dat jaar in Antwerpen was), al stond hij in nauw contact
met de Leidse groep. In 1578 had hij zijn motto in het album van Jan van Hout
geschreven
16. Het was
ongetwijfeld mede door zijn bemiddeling dat men in Leiden te weten kwam wat er
in het Zuiden gaande was. Maar hoeveel wist Marnix?
Eén ding is heel duidelijk: hij kende het werk van
Lucas de Heere, want hij schreef aan hem
twee Nederlandse sonnetten. Hij had De Heere in Londen ontmoet tijdens zijn
diplomatieke missie aldaar in 1575-76, en bij zijn terugkomst in de Nederlanden
zond hij hem twee sonnetten met een zilveren kom en een aantal berijmde psalmen
17. De psalmen waren een eerbewijs aan De Heere als vertaler van
psalmen (zijn Psalmen Davids waren in Gent
verschenen in 1565), de sonnetten een verfijnd compliment aan De Heere als de
pionier van het Nederlandse sonnet. De twee mannen waren het niet alleen in
literair opzicht eens; op aanbeveling van Marnix gaf Oranje De Heere bepaalde
diplomatieke taken in Engeland en nam hem in zijn dienst na zijn terugkeer in
de Nederlanden die volgde op de Pacificatie van Gent. De Heere moet geweten
hebben van het werk dat in de Nederlandse kolonie in Londen rond
Van Meteren en
Radermacher gedaan werd; hij kende zeker het
werk van
Van der Noot. In 1580 bezocht hij
Antwerpen en schreef verzen in het album van
Ortelius, zodat hij naar alle
waarschijnlijkheid wist welke gedichten er eerder in geschreven waren, zoals
die van
Van der Haeghen,
Divaeus en
Jan van Hout. Als zij hun kennis bij elkaar
legden, wisten
De Heere en
Marnix samen nagenoeg alles wat er te weten
viel over de renaissancepoëzie in Zuid-Nederland, en bovendien nog veel
meer waar we slechts naar kunnen gissen.
| | | |
Er waren echter ook nog andere mogelijke
informatiebronnen:
Dousa had in 1576 een week in
Brugge doorgebracht in een literaire groep die de Latijnse dichter
Janus Lernutius tot haar leden rekende
18; en de Engels-Nederlander
Daniel Rogers, bevriend met de Dousa's en
de Leidse groep in het algemeen, wiens belangstelling voor literaire zaken
bestudeerd is door Jan van Dorsten
19, en wiens moeder uit
Antwerpen kwam, had contacten in het noorden zowel als in het
zuiden.
Als dichter staat Marnix allereerst bekend als psalmvertaler. Maar
voor ons is hij vooral van belang als beoefenaar van het sonnet. Het eerste van
de twee sonnetten aan Lucas de Heere overtreft alle sonnetten die in het zuiden
geschreven zijn, met uitzondering van het werk van Van der Noot. Heijting heeft
terecht de ‘prachtig zware Miltonieke klank’ ervan geprezen
20.
Bij eenen zilveren beker gezonden aan Lucas de Heere
God houdt in syner handt den beker der gerichten,
Daeruut hy bitter oft soet een n'yegelycken schenckt,
Nadat sijn wijsheyt groot verordent end gehengt,
Maer gheensins by geval, also de dwaze dichten.
Nu moet sijn kerck (want hijs int cruys wil stichten)
Drincken den eersten dronck met bitterheyd vermengt;
Maer 't goddeloose volck dwelck vry te wesen denckt
Den droessem drincken uut, end'soo den bodem lichten.
Wat willen wy dan doen, Lucas, in tegenspoet?
Sullen wy truerich sijn end geven op den moet?
Neen, neen: maer wel getroost den beker met den dranck
Nemen van Godes handt gewilligh end in danck,
En met dees Psalmen soet sijn bitterheyt verrmenghen,
Die ick u t'samen wil met dezen beker brenghen.
(UB Gent, MS. 2465. Hier naar Ph. Blommaert, De Nederduitsche
Schryvers van Gent (Gent, 1861), blz. 157).
| | | |
Het jambische ritme in beide sonnetten is
gelijkmatiger dan in die van
Van der Noot. Ook hier is het moeilijk aan
te nemen dat het de enige sonnetten zijn die
Marnix ooit geschreven heeft: ze geven
blijk van een te geoefende hand.
Janus Gruterus herinnerde zich, toen hij
op hoge leeftijd terugkeek op zijn studentendagen in Leiden van
1580 tot 1584, dat hij als student een groot aantal sonnetten had geschreven,
die de goedkeuring wegdroegen van
Janus Dousa,
Jan van Hout en
Philips van Marnix, die in dit genre de
grootste experts waren (‘qui nasum et aures et dextram dexterrimam in hac
arte scribendi tunc habebant’)
21.
Dit schijnt in te houden dat Marnix meer dan twee sonnetten op zijn naam had
staan.
1578 was ook het jaar waarin Van der Noot naar
Antwerpen terugkeerde, en in 1580 publiceerde hij zijn
Lofsang van Braband. Hij was nu teruggekeerd tot de
Katholieke Kerk, hetgeen misschien het feit verklaart dat we geen enkel blijk
meer vinden van enig contact tussen hem en zijn vroegere geloofsgenoot Lucas de
Heere. De kwestie van het gebrek aan weerklank van Van der Noot's werk is
intrigerend. Zij kan niet eenvoudigweg opgelost worden door een verwijzing naar
zijn verandering van godsdienst, die hem persona non grata maakte in
protestantse kringen, vooral in het noorden. Het eigenaardige bibliografische
probleem opgeroepen door de verschillende exemplaren van de verschillende
uitgaven van zijn Poëticsche Werken wekte reeds lang
geleden het vermoeden dat elk exemplaar speciaal gemaakt werd voor een bepaalde
ontvanger, en wel van bladen die Van der Noot voor dit doel bewaarde. Dit wijst
op een groep mensen die graag exemplaren van zijn werk ontvingen en
ongetwijfeld bereid waren hem er goed voor te betalen. Met andere woorden, hij
had zijn publiek, maar dit wil niet direct zeggen dat zij bereid waren die
werken ook te lezen, of zelfs maar dat ze enige belangstelling hadden voor
literatuur. Hetzelfde geldt voor de mensen aan wie Van der Noot in deze werken
gedichten richtte. Ze voelden zich ongetwijfeld gevleid prijzende verzen te
ontvangen die aan hen gericht waren, en ze waren waarschijnlijk ook be- | | | | reid
daar een financiëel gebaar tegenover te stellen, maar ook
dit wil weer niet zeggen dat ze ook maar de minste belangstelling hadden voor
kwesties van stijl en metrum.
Maar als we in de tegenovergestelde richting kijken, naar de mensen
die verzen schreven aan
Van der Noot, dan staan we op vastere
bodem. Ze proberen allemaal, en sommigen bepaald met succes, in de stijl te
schrijven die de dichter tot de zijne had gemaakt. Geen van hen - met de
mogelijke uitzondering van
Michiel van der Haeghen - staat bekend als
iemand van literair belang. Men krijgt eerder de indruk van een groep van
onbelangrijke pluimstrijkers. Hieruit zou men twee conclusies kunnen trekken.
De ene is dat ze misschien toch niet zo onbelangrijk waren, en dat ze veel meer
geschreven hebben dan de paar verzen die in Van der Noots boeken bewaard zijn
gebleven. Deze conclusie zou analoog zijn aan het soort voorlopige conclusies
die we in andere gevallen al geïmpliceerd hebben. De andere mogelijkheid
is deze: voor ons is Van der Noot verreweg de aanzienlijkste literator van de
zuidelijke Nederlanden in zijn tijd. Zijn tijdgenoten schijnen hem niet in dit
licht gezien te hebben. Wij kennen hem omdat zijn werk in druk bewaard is
gebleven. We hebben al gezien dat we rekening moeten houden met een veel groter
corpus renaissance-poëzie dan waarover we nu beschikken in druk of
handschrift, en dat waarschijnlijk bekend was aan diegenen van zijn tijdgenoten
die van enig belang waren. Tegen deze achtergrond, nu weliswaar voor een groot
deel aan het oog onttrokken, maar die ik getracht heb te reconstrueren, leek
Van der Noots werk misschien niet zo uitzonderlijk. Als we evenveel sonnetten
van
Marnix hadden als van
Van der Noot, wat zou onze relatieve
waardering dán zijn? Eén ding is duidelijk uit de gedichten
gericht tot Van der Noot: er was een flink aantal mensen van geen literair
belang die in staat waren behoorlijk acceptabele verzen te schrijven in de
nieuwe stijl. Dit doet vermoeden dat in ieder geval omstreeks 1580, 1590, toen
de verschillende edities van de Poëticsche Werken
verschenen, dit een vrij algemene prestatie was. Alleen Van der Noot, met zijn
pathetisch geloof in zijn poëtische roeping en zijn overdreven idee van
zijn eigen belang, nam de moeite zijn verzen in druk te laten verschijnen. De
anderen lieten hun werk in eigen kring | | | | rondgaan, in handschrift.
Dit is een Europees verschijnsel. In kringen zoals deze, waar men verzen in het
Latijn zowel als in de landstaal schreef, liet men slechts de Latijnse verzen
drukken. Het publiek voor de Latijnse verzen was niet alleen maar plaatselijk;
theoretisch omvatte het de hele gemeenschap van de geleerde wereld, van
Aberdeen tot Palermo, en van Wilna tot Lissabon. De verzen in de landstaal,
eerst avantgardistisch werk van pioniers, waren maar van beperkt belang en
bleven in handschrift totdat de literaire beweging zo verspreid was dat ook een
breder publiek bereikt kon worden. Maar vóór die tijd gingen ze
van hand tot hand, van coterie tot coterie.
Er rest ons nog iets te zeggen over dit soort circulatie, en vooral
over de manier waarop de poëzie uit het zuiden het noorden bereikte. Een
voor de hand liggende manier was via het grote aantal Vlaamse en Brabantse
vluchtelingen die zich in Holland en Zeeland hadden
gevestigd. Maar de literaire bronnen geven hiervan weinig blijk. Bij hun
aankomst in Amsterdam, Leiden of Haarlem
stichtten de vluchtelingen rederijkerskamers
22. De nieuwe stijl was nog beperkt tot kleine selecte groepen.
Maar hoe onderhielden de leden van deze selecte groepen contact met elkaar?
Heel vaak schreven zij elkaar in het Latijn. Vóór de
tijd van kranten, tijdschriften en radio, was dit de manier waarop literair
nieuws werd doorgegeven. De brieven gingen van hand tot hand, werden met
graagte overgeschreven, verzameld, en soms, later, gepubliceerd. Maar er waren
ook andere wegen, waarvan sommige kunnen worden nagegaan in de albums uit die
tijd.
Men herinnert zich dat
Ortelius in 1579 in Leiden
was. In 1580 zond een Leidse goudsmid,
Cornelius Aquanus, hem een gegraveerd
portret met 50 Latijnse hexameters en een Nederlands sonnet, dat hij in zijn
album inbond.
Waer ist, dat ghy my voert duer d'ongebaende wegen
des woesten Oceans, duer t'blaugewulfde velt
O Typhis onuerwaecht? Duer v werd ick gestelt
| | | |
Opt hoochste des Olymps, ver bouen windt, en regen.
Al waert oock dat ick sou deur Magellanus stegen
De ronde moeten doch; zo lang ghy my verzelt,
En sal ic vruchten niet, hoe zeer myn schip oock
helt,
En dat mist, hagel, sneeu Neptuenum kompt bewegen.
Adieu Peruysche reys, laet varen Oost, en West,
Die wil. Wat ist van noij, dat ick het werme nest
Myns vaderlants verlaet, als ic duer uwen gauen
Mach reysen over al. Doch zonder mynen voet
Te zetten op de strandt, daer myn zaet leyt
begraven
O felle strandt voor my, o nydige Calkoet.
(Pembroke College, Cambridge, MS. 2. 113, f. 190).
Aquanus is zo goed als onbekend
23, maar zijn sonnet is zeer verdienstelijk, - even gaaf
als die van
Marnix en beter dan die van
De Heere. Hier krijgen we ook sterk de
indruk dat hij er meer geschreven moet hebben, en in het Leidenvan
de Dousa's en van Jan van Hout mogen we zelfs aannemen dat dit ook inderdaad
het geval geweest is. We weten er echter niets van en toevallig is dit ene
sonnet bewaard gebleven. Hetzelfde album bevat ook een sonnet van
Janus Gruterus. Gruterus, zo wordt ons
verteld door zijn leerling en biograaf
Balthasar Venator, schreef 500 sonnetten
in het Nederlands toen hij student in Leiden was. Ze zijn verloren
geraakt, afgezien van zeven sonnetten die toevallig op verschillende plaatsen
zijn bewaard, en waarvan dit er een is
24. Hij schreef het toen hij Antwerpen
bezocht tijdens zijn studie in Leiden. Deze twee bijdragen alleen al tonen aan
dat er meer contact was tussen Noord en Zuid dan gewoonlijk wordt
aangenomen.
Een album amicorum was, alhoewel het niet gepubliceerd werd in onze
moderne betekenis, toch niet geheel en al een privé document. Het was
een statussymbool voor de bezitter, dat hij maar al te graag liet zien. Het
bevatte de namen van beroemde personen met wie hij omging, - hun namen, hun
portretten, hun motto's, hun verzen. Iedereen die in een album schreef, keek
het natuurlijk door om te zien in welk gezelschap zijn bijdrage zou komen te
staan. Vaak maakte hij aan- | | | | tekeningen van wat anderen geschreven
hadden. (Johann Radermacher had een verzameling
afschriften van albumbijdragen van de beroemde geleerden
Lipsius en
Scaliger)
25. Op
deze manier kon een gedicht in een album van een beroemd man als
Ortelius, of een man van plaatselijk
belang als
Van Meteren, nogal wat invloed uitoefenen.
Op die manier kan b.v. Van Hout de strofen van Divaeus in Ortelius' album
gezien hebben en zo op het idee gekomen zijn zelf soortgelijke pogingen te
doen.
Het is opmerkelijk dat we geen enkele albumbijdrage hebben van Van
der Noot, hoewel hij er veel geschreven moet hebben. De mate waarin zijn werk
bekend was moet langs andere weg vastgesteld worden. Het resultaat is uiterst
pover.
In 1580 schreef Van der Noot een tweetalig epigram van 8 regels in
‘vers communs’ ‘op een
Lucrece van Roomen, seer kunstighlijck in
coper gesneden, met welcke plate
Abel van der Hoeuen, Frans sone, van Delft
den Poët vereerde’.
Epigramme
Wil yemand sien een Schoonheyd groot, med d'Eere
Soo vast verseld, dat noch cracht noch gheweld,
Diemen moet doen aen een Vroulijck beeldt teere,
D'Eere nochtans niet meer en word' gheueld:
Die coom besien dees' schoon Romeinsche vrouwe,
Soo kunstighlijck van Hans wirix ghemaect,
Dat men daer deur heur schoonheyd, eere en trouwe
Merckt, want noyt stuck beter en was gheraeckt.
(UB Gent, G. 11736 (3), gebonden met Poeticsche
Werken 1581).
In het vers vermeldt hij dat de gravure is gemaakt door
Hans Wiericx, en op die manier is het
mogelijk gebleken hem te identificeren
26. Alvins catalogus
27 van de werken van de gebroeders Wie- | | | | ricx bevat onder
nummer 1454 een gravure ‘cultrix castitatis Lucretia ro[mana] . . . Ex
expen. D.J. van der Noot’, met het jaar 1578.
Abel van der Hoeven was een Delftse
schilder die in Antwerpen bij
Frans Floris in de leer was geweest en die
Van der Noot daar kan hebben ontmoet. Hans
Wiericx werkte in deze tijd in Delft. De inscriptie op de gravure
geeft de indruk dat deze was besteld door Van der Noot, terwijl het
bovenschrift bij het vers doet denken dat er sprake was van een cadeau van Van
der Hoeven aan Van der Noot. Hoe dit ook zij, we hebben hier een schakel tussen
de dichter en belangstellende kringen in de noordelijke Nederlanden. Beide
genoemde personen hadden contacten met het Zuiden. Wiericx was een
Antwerpenaar, en Van der Hoeven had niet alleen in Antwerpen gewerkt, maar ook
in Fontainebleau
28. Zijn intellectuele vorming loopt verrassend
parallel aan die van
Lucas de Heere en kenmerkt hem als iemand
die naar alle waarschijnlijkheid belangstelling had voor de poëzie in de
nieuwe stijl. Tegen deze achtergrond moet men het feit bezien dat Van der Noot
genoemd wordt in de Refereynen, ghepronunchieert opte Intreden binnen
de Stad van Delft, door de rederijker
Pieter Jansz. Helleman in 1581
29. Het is vrij ironisch
dat de enige viering van Van der Noot in het Noorden tijdens zijn leven nu
juist gegoten moest zijn in de ouderwetse versvorm die hij wilde vervangen.
Maar dat het juist in Delft gebeurde is wel van belang.
Elders wordt Van der Noot vermeld door de Haarlemse groep die de
Nederduytschen Helicon uitgaf in 1610. Deze groep bestond grotendeels
uit ballingen uit het Zuiden; de belangrijkste onder hen was wel
Carel van Mander, de schilder en biograaf
van schilders. Als schilder was Van Mander een leerling van Lucas de Heere. In
de poëzie keken echter hij en zijn kring niet zuidwaarts naar De Heere en
Van der Noot maar naar
Jan van Hout in het vlakbij gelegen
Leiden. Ten minste één lid van deze kring, de
schilder
Cornelis Ketel, die een aantal
| | | | acceptabele alexandrijnen heeft nagelaten, was vroeger als
balling in Londen geweest, waar hij Lucas de Heere schijnt gekend te hebben, en
waarschijnlijk ook de kring rondom
Van Meteren. De invloed van Van Hout, die
het geweldige prestige van Leiden met zijn universiteit achter zich had, lag
voor de hand. Maar in latere jaren waren de schrijvers in de Nederduytschen
Helicon wel bereid zich Van der Noot te herinneren. Alleen noemen ze hem
pas na de eeuwwisseling, toen hij al dood was en zijn bekering tot het
katholicisme vermoedelijk vergeten.
De concrete feiten zijn uiterst schaars. Maar het doel van dit
artikel was aannemelijk te maken dat wat we hebben slechts een klein deel is
van wat er geweest is, en dat het overgrote deel van deze vroege
renaissancepoëzie en van de toenmalige gedachtenwisseling dienaangaande om
heel verklaarbare redenen niet is gedrukt. Maar zelfs onder deze omstandigheden
kan nog veel gedaan worden. De vragen die hier geopperd zijn, en de voorlopige
antwoorden die zij hebben opgeroepen, zijn gebaseerd op slechts heel weinig
materiaal: voornamelijk de albums van
Van Meeteren,
Ortelius en
Radermacher. Als ik in staat geweest was
om, bijvoorbeeld, de albums van
Dousa in Leiden, van
Vivianus in Utrecht, en vele
anderen elders, te raadplegen, dan waren misschien enkele witte vlekken in de
kaart opgevuld. Een andere mogelijkheid zou zijn een lijst te maken van alle
personen die gedichten voor Van der Noot hebben geschreven en hun personalia na
te gaan. Sommige onderzoekers hebben de indruk gehad dat enkele van de
gedichten ter ere van Van der Noot door de dichter zelf zijn geschreven onder
een schuilnaam. Deze indruk zou misschien bevestigd of ontkend kunnen worden
30. In een literatuur die
voornamelijk in manuscript circuleerde zijn persoonlijke verhoudingen een van
de sleutels ter opheldering van literaire vraagstukken.
Het fundamentele probleem dat ons hier bezig houdt is het probleem
van literaire continuïteit. We zien klaarblijkelijk alleen de toppen van
| | | | twee ijsbergen uitrijzen boven de zee van vergetelheid. Door
toepassing van de techniek van het echolood kunnen we misschien iets ontdekken
van wat onder de oppervlakte ligt, en in het bijzonder, uitmaken of er
werkelijk sprake is van twee ijsbergen of slechts van één.
Na dit resultaat van een voorlopige verkenning met zeer
ontoereikende en, naar ik vrees, zeer ouderwetse middelen, hoop ik dat anderen
een betere uitrusting zullen ontwerpen en meer positieve antwoorden zullen
vinden
31.
Selwyn College, Cambridge
LEONARD FORSTER
|
1Werner Waterschoot,
‘Lucas d'Heere en Den Hof en Boomgaard der
Poësien’, Jaarboek van de Kon. Soevereine Hoofdkamer van Retorica
De Fonteine te Gent, XIV-XV (1964-5), blz. 11; M. Rudelsheim,
Oud-Holland, XXI (1903), blz. 6.
2Carel van Mander,
Schilderboeck, Amsterdam 1617, fo. 159 va.
3Floris Prims, Antwerpiensia
XIII, Antwerpen 1939, blz. 175 vlg.
4Hof en Boomgaerd der
Poësien, 1565, blz. 45; Van Mander,
Schilderboeck, fo. 162 v.
5Epitaphium in mortem Herrici Gallorum
Regis Christianissimi eius nominis secundi, per C. Utenhovium . . . et alios
duodecim linguis. Parijs 1560; W. Janssens,
Charles Utenhove 1536-1600, diss. Nijmegen
1939. De Heere schreef een gedicht aan Utenhove, ‘Griecsch, Latijnsch en
François poëte’, Hof en Boomgaerd blz.
58. Hij wist blijkbaar niets van Utenhoves Nederlandse verzen.
6NNBW. IV., col. 452 vlg., waar aangetoond
wordt dat de gehele geschiedenis een verzinsel is.
7De sermoenen worden thans als vervalsingen
beschouwd; C. de Schrevel, Historisch Tijdschrift IV (1925) blz. 217
vlg.
8Algemeen wordt verondersteld dat
Hubert Goltzius het werk schreef. Dit
lijkt mij onwaarschijnlijk, omdat Goltzius zijn gehele leven katholiek
bleef.
9R. van Roosbroeck, Patientia: 24
politieke emblemata door Joris Hoefnaghel, Antwerpen 1935, blz.
9.
10J.L. Nevinson, ‘Emanuel van
Meteren’, Proceedings of the Huguenot Society of London
XIX (1952-1958) blz. 131.
11Nevinson, t.a.p., blz. 132-3.
12H. Q. Janssen, De kerkhervorming in
Vlaanderen, Arnhem 1868, I., blz. 65; dezelfde,
Bescheiden aangaande de kerkhervorming in Vlaanderen
( MVS III.iii), blz. 5, 7, 8, 28, 31; Symeon Ruytinck,
Gheschiedenissen en handelingen ( MVS III.i) blz.
87, 106, 121; niet vermeld in J.P. de Bie en J. Loosjes, Biographisch
woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, Den Haag
1919 vlg. Voor de gedichten vgl. Joris Wybo, Gheestelijcke
Liedekens, Gorcum 1596, fo. G 7 v en vlg.
13Vgl. de correspondentie in J.H. Hessels,
Ecclesiae Londino-Batavae Archivum, Cambridge 1887, deel
I. Voor Colius bovendien J.A. van Dorsten, ‘I.C.O.: het
terugvinden van een bescheiden Nederlander in Londen’,
Tijdschrift voor nederlandse taal- en letterkunde LXXVII (1960) blz. 17
vlg.
14Hierover verder in mijn werk Janus
Gruter's English Years: Studies in the Continuity of Dutch Literature in Exile
in Elizabethan England, Leiden 1967
14aVan Dorsten, ‘I.C.O. enz.’, blz.
25.
14bHessels I, blz. 796 vlg.
15Pembroke College Cambridge MS. 2. 113, in
bruikleen bij University Library, Cambridge.
16Leiden, Lakenhal Museum.
17Tijdschrift XVII (1898) blz. 106
vlg.
18H. van Crombruggen, Janus
Lernutius, Brussel 1955, blz. 24.
19J.A. van Dorsten, Poets Patrons and
Professors: Sir Philip Sidney. Daniel Rogers and the Leiden
Humanists, Leiden 1962.
20A.T.A. Heijting, Het Boek der
Sonetten, Amsterdam 1911, blz. 341.
21Balthasar Venator, Panegyricus Iano
Grutero scriptus, in Jani Gruteri Discursus
Politici, ed. C.F. Franckenstein, Leipzig 1679, blz. 22.
22Vgl. G.D.J. Schotel, Geschiedenis
der rederijkers in Nederland, 2e uitgave, Rotterdam 1871, dl. 2,
blz. 20.
23A. von Wurzbach,
Niederländisches Künstlerlexikon,
Weenen-Leipzig 1910, II., blz. 843; ook mijn Janus Gruter's English
Years.
24Hierover uitvoeriger in mijn Janus Gruter's
English Years.
25Zie mijn album, UB Gent MS 2485.
26Het blad is blijkbaar een unicum. De
Koninklijke Bibliotheek te Brussel bezit een exemplaar van de gravure, waarvan
echter de onderkant afgesneden is, zodat de naam van Van der Noot
ontbreekt.
27J.L. Alvin, Catalogue
raisonné de l'oevre des trois frères Wierix, Brussel
1866.
28Abel van der Hoeven is identiek met
Apert Francen van Delft; van Mander,
Schilderboeck fo. 162 ra; Dirck van Bleyswijck
Evertszoon, Beschrijvinge der Stadt Delft, Delft 1667,
blz. 845; inlichtingen van Dr. D. P. Oosterbaan, archivaris van het
Gemeentearchief Delft.
29F. Kossmann, Nederlandsch
Versrythme, Den Haag 1922, blz. 24.
30Zo heeft men bijv. verondersteld dat de
Winandus Catharinus die Latijnse verzen
voor Van der Noots Theatre schreef niemand anders dan Van
der Noot zelf is; de naam Catharinus (hoewel geen Winandus!) verschijnt echter
in de Leuvense matrikel in de jaren 1550-1565.
31Het Nederlands van dit artikel werd verzorgd
door Drs. P.A.M. Seuren.
|
|