De puinhopen van acht jaar Paars


auteur: Pim Fortuyn


bron: Pim Fortuyn, De puinhopen van acht jaar Paars. Karakter, Uithoorn / Speakers Academy, Rotterdam 2002  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 7]

I Politiek

Als men westerse politici en de media zou moeten geloven, dan gaat de politiek hoofdzakelijk over de economie. Als het met de economie van een land of een handelsblok goed of slecht gaat, dan is dit te danken aan verstandig of onverstandig overheidsbeleid dat wordt bepaald door de leidende politieke elite van een land of handelsblok. Dit is echter niet eens de halve waarheid. Natuurlijk, een overheid kan voorwaarden scheppen voor een voorspoedige ontwikkeling van de economie. Dat kan door de verzorgingsstaat zo in te richten dat deze niet functioneert als een loden last, die particulier initiatief ontmoedigt. Door de lasten voor bedrijven en consumenten - zowel de administratieve lasten, als de belastingen en premies - binnen redelijke proporties te houden. Door goed te zorgen voor de infrastructuur en de nutsbedrijven en meer in het algemeen door de overheidsfinanciën op orde te hebben. Maar daarmee gaat de politiek nog niet over de economie. De economie wordt vormgegeven door ondernemende mensen, ondernemers en medewerkers, die hun werkkracht, inventiviteit, creativiteit en hun durf inzetten om voor de markt goederen en diensten te produceren. Als het met de economie goed of slecht gaat, dan is dat in de allereerste plaats aan hen te danken of te wijten. Zij dragen daarvoor de eerste verantwoordelijkheid en plukken daar de al dan niet zure vruchten van.

Waar gaat de politiek dan wel over en waar draagt zij de eerste verantwoordelijkheid? De politiek gaat niet over de markt maar over het publieke domein. Het publieke domein dat in immaterieel opzicht wordt bepaald door de inrichting van de rechtsstaat en in materieel opzicht wordt vormgegeven door de collectieve sector. Kort samengevat gaat de politiek over vrijwel alles wat niet de marktsector is. Daarin is zij niet alleen dominant, maar bepalend en als eerste aan zet. Dit ondanks het feit, zeker in Nederland met zijn Poldermodel,

[p. 8]

dat op deze gebieden ook voor het particulier initiatief - ook wel het maatschappelijk middenveld genoemd - wel degelijk een belangrijke rol is weggelegd. Dat neemt niet weg dat de leiding en de regie berusten bij de politiek op het niveau van de eu, het land, de provincie en de gemeenten. Het is de wetgever, regering en Staten-Generaal, die bepaalt hoe het publieke domein er in materieel en immaterieel opzicht uitziet en die bepaalt in hoeverre daarin ruimte is voor de ontplooiing van tal van vormen van particulier initiatief en het overleg daarover met het maatschappelijk middenveld. Dit is niet alleen een legalistisch standpunt, maar weerspiegelt ook de werkelijkheid. Als de politiek ergens op aangesproken en afgerekend mag worden, dan is het op de inrichting en het functioneren van het publieke domein en de collectieve sector. Daar is geen marktmechanisme dat corrigerend optreedt. Daar gaat het om politieke wils- en machtsvorming. Die politieke wils- en machtsvorming bepalen hoe het publieke domein en de collectieve sector eruitzien en hoe beide functioneren.

Een onderneming kan slecht beleid voeren, maar wordt dan direct of op termijn afgestraft door de markt. In het ergste geval gaat de onderneming failliet, in het beste geval wordt het beleid als de wiedeweerga bijgesteld en afgestemd op marktontwikkelingen. Zo was het ten tijde van de industriële economie en zo is het, in weerwil van alle beweringen over een nieuwe economie met nieuwe wetten, ten tijde van de ict-economie. De ict-economie gaat daarin zelfs nog een stap verder dan de industriële economie. In de industriële economie kan de consument c.q. eindgebruiker niet veel meer doen dan stemmen met de voeten. Hij koopt of hij koopt niet. Het is de producent van goederen en diensten die het design van het productieproces vaststelt en daarmee het eindproduct. Uiteraard moet de producent rekening houden met marktontwikkelingen, maar dat is in het licht van de huidige ontwikkelingen slechts een rekening houden met eindgebruiker-consument op afstand. In de ict-economie zal de afstand tussen de producenten van goederen en diensten en de eindgebruiker-consument in beginsel vrijwel verdwijnen. De eindgebruiker-consument zal, indien hij over het kapitaal en de deskundigheid beschikt, direct kunnen interveniëren in het design van het productieproces van goederen en diensten en wel interactief. Daardoor bepaalt hij in hoge mate mede het eindproduct. Dit is een giganti-

[p. 9]

sche stap in de democratisering en individualisering van het materiële leven.

Voor het publieke domein en de collectieve sector geldt dit alles (nog) niet. Er is geen corrigerend marktmechanisme dat de producenten van goederen en diensten dwingt om met de consumenteindgebruiker rekening te houden, laat staan dat de producenten hem toestaan interactief te interveniëren in het design van het productieproces van goederen en diensten. Het is niet de consumenteindgebruiker die bepaalt welke producten hem worden aangeboden, het is de producent die dat in zijn alwetendheid bepaalt. De enige correctiefactor op de macht van de producenten is de politiek. De politiek nu laat het volledig afweten. Het gevolg is dat het publieke domein en de collectieve sector volledig door het aanbod en dus de aanbieders worden bepaald. Aan de consument-burger wordt slechts lippendienst bewezen. Van democratie is geen sprake, of men zou het eens in de vier jaar een hokje rood maken democratie moeten noemen. In Nederland is die geringe democratie nog verder uitgehold doordat de macht over de inrichting van het publieke domein en de collectieve sector wordt gedeeld met het maatschappelijk middenveld, een geheel van organisaties dat optreedt als zaakwaarnemer van de burger-consument. Met het democratisch gehalte van deze zaakwaarnemers is van alles mis. Zij worden niet gekozen, maar benoemd via coöptatie. Ook hun representativiteit staat al gedurende enige decennia onder grote druk. Het land is sedert de jaren zestig van de vorige eeuw in hoog tempo ontzuild, maar het verzuilde middenveld doet nog steeds alsof dat niet zo is en vertegenwoordigt ons zonder zich daadwerkelijk om ons te bekommeren. De professionalisering van de verzuilde organisaties heeft de afstand tot degenen die zij zeggen te vertegenwoordigen alleen maar vergroot.

Een nieuw maatschappelijk middenveld heeft zich inmiddels naast de organisaties en instituties van de verzuiling kunnen nestelen. In internarionaal perspectief worden zij ngo's (non governmental organizations) genoemd, met name op de terreinen van milieu, natuur en ontwikkelingshulp. Organisaties dikwijls met leden, maar dan wel leden die over beleid en standpunten van de ngo's en de samenstelling van het bestuur werkelijk helemaal niets te zeggen hebben. Overheden onderhandelen ondertussen graag met hen en sluiten het

[p. 10]

ene na het andere convenant met hen af. Over bijvoorbeeld de Tweede Maasvlakte en de uitbreiding van Schiphol wordt met hen onderhandeld. In mijn naïviteit dacht ik dat gemeenteraden voor zoiets zijn geëquipeerd en ingesteld, zoals dat voor nationale kwesties het parlement is. ngo's dienen daar te lobbyen en niet bij onze bestuurders, die vervolgens deze voorgekookte beslissingen door de strot van gemeenteraad en of parlement wringen onder het motto: Take it or leave it. Op dezelfde manier als waarop de besluiten op eu-niveau de Kamer worden opgedrongen, het is slikken of stikken. Van enige serieuze gedachtewisseling, waarin ook alternatieven aan de orde komen, kan geen sprake zijn. De ngo's tenslotte, zouden ons, de burgers, representeren! Zieker en hypocrieter kan het niet.

Het publieke domein en de collectieve sector worden in belangrijke mate geregeerd door, ambtelijke en semi-ambtelijke, professionals. Het is verworden tot een meritocratie, waar de democratie ver te zoeken is. Doordat we leven in een klein land en de meritocratische elite zichzelf vernieuwt en aanvult door coöptatie, zelfs in politieke partijen, is er sprake van een sfeer van incest. Wie niet beantwoordt aan de door hen bepaalde codes en gedragsregels telt niet mee. Of, zoals men in de politiek zo graag zegt: plaatst zich buiten de orde. De voormalige voorzitter van de Eerste Kamer, Frits Korthals Altes (vvd), verwoordde het treffend toen hij het wetsontwerp van een burgemeestersreferendum van commentaar voorzag. Een wetsvoorstel waarin de burger van een gemeente enige inspraak krijgt in de procedure van de kroonbenoeming van een burgemeester. Via een referendum mag hij zijn voorkeur uitspreken over twee door de gemeenteraad voor te dragen kandidaten. Daarbij houdt de minister van Binnenlandse Zaken het recht om dit burgeradvies naast zich neer te leggen en de niet gekozen kandidaat te benoemen. Democratie op zijn polders, zal ik maar zeggen. Korthals Altes nu, de meest autoritaire en repressieve minister van Justitie van na de oorlog, meent dat dit zelfs niet door de beugel kan. Naar zijn oordeel kan het toch niet zo zijn dat bijvoorbeeld een populist als Henk Westbroek van Leefbaar Nederland, als hij door de bevolking van Utrecht per referendum wordt verkozen, door de minister van Binnenlandse Zaken tot burgemeester wordt benoemd.

Zeldzaam heldere en eerlijke regententaal. Wij, de burgers, zijn te dom en te wispelturig om op de invulling van belangrijke bestuur-

[p. 11]

lijke ambten enige getrapte invloed te hebben. In elk normaal land, met de vs als absolute koploper, kan dat kennelijk wel, in de polder niet. Alle posities in de collectieve sector van enig gewicht worden zorgvuldig verdeeld over lidmaten van de meritocratische bestuurlijke en politieke elite, waarbij de partijachtergrond nauwlettend in het oog wordt gehouden; dat geldt tot aan de voormalige Ziekenfondsraad aan toe. Wie geen lid is van een politieke partij, liefst van een van de grote drie (pvda, vvd en cda), komt niet in aanmerking voor de vervulling van een bestuurlijke positie van enig gewicht in het publieke domein en de collectieve sector. Zo gaat dat in de polder en dan te bedenken dat dit gebeurt bij een bevolking op weg naar de 17 miljoen mensen, van wie er nog geen 300.000 überhaupt lid zijn van een politieke partij. Niet alleen een enorme verspilling van talent, waarmee het publieke domein en de collectieve sector schromelijk te kort worden gedaan, maar ook een uiting van minachting voor de democratie. Dit klemt des te meer daar de interne partijdemocratie in de meeste politieke partijen gewoon, bij gebrek aan belangstelling daarvoor, is afgeschaft. Daardoor ruim baan voor technocraten, meritocraten en meer in het algemeen voor hen die het spel der elitedemocratie behendig weten te spelen. Een elitedemocratie die zich slechts zeer ten dele afspeelt in de openbaarheid, doch die grotendeels verloopt via voorgekookt beraad in achterkamertjes zoals bijvoorbeeld het Torentje van de minister-president. De Nederlandse politieke en bestuurlijke elite heeft lak aan de democratie, lak aan de burger en dat geldt zowel voor de politiek in engere zin als voor het gehele maatschappelijke middenveld. Lodewijk de Waal, de voorzitter van de fnv, is tenslotte net zo'n regent als Korthals Altes, al verkoopt de eerste dat feit wat populistischer en daardoor heel wat sympathieker.

Nederland kent van oudsher een regentencultuur, een cultuur die zich zet in de begindagen van de Republiek in de zeventiende eeuw en die sedertdien het land heeft geteisterd, maar ook grote voordelen heeft gebracht. Het is een cultuur van elite-overleg, van plooien en gladstrijken en bovenal van gedogen. Door deze cultuur kunnen wij, de burgers, in een grote mate van vrijheid onze gang gaan. Onze overheden en besturen zijn zelden repressief of intolerant. Als wij hen erkennen laten zij ons met rust. Daardoor kan Nederland een baken van licht en beschaving zijn in een wereld van onderdrukking

[p. 12]

en wreedheid. De democratische gezindbeid en de democratische cultuur van ons volk staan buiten kijf. Er zijn weinig landen in de wereld waar het wat dat betreft zo goed toeven is als in Nederland. Onze vrijheid om te gaan en te staan waar wij willen, om te ondernemen en ons te uiten in woord en geschrift is nu al gedurende een reeks van eeuwen ongekend in de wereld. Met het democratisch gehalte van ons samenleven is weinig mis, met dat van ons bestuur en de inrichting van de collectieve sector is het op dat punt evenwel droevig gesteld. Een opmerkelijke paradox, wereldwijd bekend onder de noemer ‘Poldermodel’, naast het begrip ‘Apartheid’ het enige begrip dat wij bij mijn weten aan het internationale taalgebruik hebben toegevoegd. Een paradox die bovendien nog wordt verdiept doordat veel van onze regenten in het publieke domein zich in hun persoonlijk leven dikwijls net zo gedragen als de doorsnee burger en dito opvattingen hebben. Zo gauw zij zich echter binnen hun eigen politieke sfeer en instituties begeven veranderen zij op slag. Het is een gesloten wereld met autistische trekjes, met een geheel eigen kijk op de wereld en de werkelijkheid en zelfs met een geheel eigen jargon dat voor buitenstaanders nauwelijks is te volgen. Beeldend samenvattend wordt dit verschijnsel ook wel de ‘Haagsche Kaasstolp’ genoemd.

Door dit gebrek aan democratisch gehalte zitten wij, de burgers, nu opgescheept met een collectieve sector die steeds minder beantwoordt aan zijn bedoeling, namelijk het leveren van diensten aan burgers en bedrijven die naadloos aansluiten bij hun behoeften. Integendeel, de geleverde diensten zijn dikwijls van een soort waaraan geen behoefte bestaat of ze zijn van een matige en zelfs een erbarmelijke kwaliteit.

Paars ii denkt dit probleem op te lossen door meer geld beschikbaar te stellen. Acht miljard gulden is daarvoor uitgetrokken, een bedrag dat reeds voor 70 procent is verjubeld aan generieke salarisverhogingen voor iedereen die werkzaam is in de collectieve sector en die daarmee structureel van karakter zijn. Dus ook voor de bureaucraten en managers en voor al die deskundigen, ‘-gogen’ in alle soorten en maten, die de uitvoerenden van hun werk houden en tot in detail voorschrijven hoe zij hebben te werken en bovenal hoe ze de zogenaamde resultaten van dit werken dienen te administreren. De arbeidsproductiviteit in de collectieve sector is daardoor van een be-

[p. 13]

droevend laag niveau, zoals het ziekteverzuim en de toestroom tot de wao in deze sector van een bedroevend hoog niveau is. De randstedelijke politie kampt op uitvoerende onderdelen gerust met een ziekteverzuim van 20 procent, zoals ook de ns dat doet met conducteurs en machinisten met bijvoorbeeld standplaats Rotterdam. Dan is er maar één conclusie mogelijk: de betreffende arbeidsorganisatie is doodziek en zo rot als een mispel.

Het is niet in de eerste plaats een kwestie van geld. Was het maar zo eenvoudig. Sterker nog, we weten niet eens of er extra geld nodig is en zo ja, hoeveel dan wel. De zaakwaarnemers en managers van de sector zeggen het echter wel te weten. Voor elke nieuwe wens houden zij hun hand op en afgerekend op het resultaat worden zij nooit. De politiek wordt door hen in een wurggreep gehouden, beter gezegd: laat zich door hen in een wurggreep houden. Nooit wordt hen eens toegevoegd: zorg eerst maar eens dat je je eigen zaakjes op orde hebt en tenminste enkele goede en uitmuntende diensten aflevert, alvorens wij over meer geld gaan praten. De politie levert daarvan het ene na het andere voorbeeld. De hoofdcommissarissen hebben zeldzaam grote bekken en kapittelen de politiek keer op keer door het behendig bespelen van de publieke opinie. De uitkomst daarvan is immer meer geld. De vvd-er Ivo Opstelten, burgemeester van Rotterdam en voorzitter van het College van Korpsbeheerders, eist pedant 1 miljard gulden voor een spiksplinternieuw automatiseringssysteem voor de Nederlandse politie. Het blijkt dat de honderden miljoenen die daar eerder aan zijn besteed weggegooid geld zijn. De korpsen hebben allemaal hun eigen systeem, 25 stuks, en kunnen daardoor niet met elkaar communiceren, hetgeen nogal lastig is voor de misdaadbestrijding, daar de rnisdadiger zich niet wenst te houden aan de regio-indeling van de Nederlandse politie. Geen politicus die het in zijn hoofd haalt Opstelten van repliek te dienen en op te dragen de verantwoordelijken te straffen. Overigens kan iedere automatiseerder je vertellen dat het beter is om de bestaande systemen zodanig aan te passen dat zij wel met elkaar kunnen communiceren, dan een geheel nieuw systeem te ontwerpen. Dat is goedkoper en de kans dat het werkt is vele malen groter. Je ziet het al voor je, een omvangrijke commissie met vertegenwoordigers van de korpsbeheerders en de hoofdcommissarissen die moet toezien op het ontwerp van een nieuw systeem. Een goudmijn voor auto-

[p. 14]

matiseerders, zoals de politie in het recente verleden reeds heeft bewezen. Vooruit: uren schrijven maar, de klant is koning, iedere wens wordt gehonoreerd en of het daarna werkt is niet de zorg van de automatiseerder maar van de opdrachtgever. De rekening wordt letterlijk en figuurlijk gepresenteerd aan de burger: slechte diensten van zijn belastingcenten. De opdrachtgever is door zijn diffuse karakter niet echt verantwoordelijk, dat zijn zij immers ‘met z'n allen’, dus niemand.

Toen Paars i in 1994 aantrad, na Lubbers iii (cda, pvda: het kabinet van het was niks, het is niks en het wordt niks), leek het er even op dat er een andere wind zou gaan waaien en de collectieve sector op de schop zou gaan. Het is uitgedraaid op een diepe teleurstelling. De pvda heeft zich in rap tempo getransformeerd tot een arrogante regentenpartij, die in niets onderdoet voor het cda in haar gloriedagen, de dagen van ‘we run this country’. Lees voor de pvda het cda en voor Wim Kok (premier, pvda) Ruud Lubbers (premier, cda) en we verkeren nog steeds in het tijdperk-Lubbers. Het enige waarop Paars heeft gescoord, is op het punt van de overheidsfinanciën, door de introductie van de Zalmnorm (genoemd naar de uitmuntende vvd-minister van Financiën Gerrit Zalm), en op het punt van de zedelijkheidswetgeving (homohuwelijk, euthanasie en abortus). Voor het overige is het een droevige puinhoop van niet regeren geworden. Men heeft op de winkel gepast en dat is dan dat.

Als het aan Paars ii (vvd, pvda en d66) ligt wordt de coalitie geprolongeerd in Paars iii zonder het inmiddels overbodige d66. Voor de inrichting van de collectieve sector en dus voor de dienstverlening aan de burgers en de bedrijven zou dit een regelrechte ramp zijn. Paars heeft bewezen geen ideeën terzake te hebben, laat staan de regievoering op zich te kunnen en te willen nemen. Ze hebben het acht jaar mogen proberen en niets klaargemaakt, tijd dus voor een nieuwe ronde met nieuwe kansen.

Dit boek gaat over de politiek van 1994 tot heden, dus over de prestaties en het gebrek daaraan van Paars i en ii, ook wel de kabinetten Kok i en Kok ii (pvda,vvd en d66) genoemd. Gezien de doorslaggevende rol die de politiek speelt in het publieke domein en de collectieve sector, is dit een boek dat dit domein en deze sector tegen het licht houdt over een periode van acht jaar. Een analyse, maar ook hoe het anders en naar ik hoop beter zou kunnen. Een bijdrage dus

[p. 15]

aan de Kamerverkiezingen van 2002. Iets meer dan alleen maar een hokje rood maken. Noem het burgerplicht in de strijd tegen het Nederlandse regentendom. Het land verdient tenslotte beter! Het verdient, op basis van zijn voorbeeldige democratische gezindheid, democratisch bestuur en een op de behoeften van de burgers en de bedrijven ingericht publiek domein en collectieve sector. Niet meer, maar ook zeker niet minder.