‘...ad augmentum scientiae’1
‘In Noie Dmi. Anno 1602.2 Junij; aetatis anno 19 ingressus sum iter Gallicum’ - met deze aanhef leidt Ernst Brinck, toekomstig magistraat, geograaf en historicus, het relaas in van zijn eerste reis naar het buitenland.2
Nu is in het bestek van dit hoofdstuk wat in Brincks manuscript hierop volgt aan notities over die Franse reis van minder belang, dan hetgeen daar direct aan voorafgaat: een schematisch overzicht van al die wetenswaardigheden omtrent mens en maatschappij in den vreemde, die voor de tourist zo belangrijk geacht werden. Dit staatje, waarschijnlijk overgenomen uit de reisgids van Nathan Chytraeus, gepubliceerd in 1594, moest Brinck het nodige houvast geven in die zee van studieonderwerpen waarmede in zijn tijd aspirant-reizigers overspoeld werden.3
Als samenvatting van door ijverige Apodemiek-schrijvers uitgedachte studieopdrachten, was zo'n Tabula zeer nuttig.3 Maar wanneer Ernst Brinck zijn reisgids verder doorbladerde op zoek naar raadgevingen inzake een werkmethode, dan bleken de adviezen beduidend minder expliciet. Zeker, er werd de jongeman wel een richting aangeduid; het leergierigjongmens kon niet beter doen dan waar mogelijk in het buitenland een ‘wijs, geleert of deftig man’, ter stichting en lering aan te klampen.4 Deze dichterlijke raad van Vader Cats is niet anders dan een verre echo van het koor der humanisten, Lipsius voorop, dat eenstemmig het eminente nut van een gesprek met erudiete heren had bezongen.5 In principe was dit natuurlijk een kostelijk advies, maar niet alle wijze mannen waren er op gebrand om Jan en alleman te ontvangen en bij wijze van privatissimum voor hen te orakelen. Toch betoonden de homines docti zich doorgaans zeer welwillend tegenover een intelligent jongmens en ten aanzien van telgen uit vooraanstaande

9. Het zware studieprogramma overzichtelijk in schema gebracht. Een bruikbare studiemethode zou pas voor een volgende generatie touristen ter beschikking komen.
families. Maar dan wel op voorwaarde dat deze jongelieden zich presenteerden voorzien van passende introductiebrieven. Waren die paspoorten in den vreemde eenmaal op het bestemde adres aangeboden, dan ontsloot ook de vermaardste geleerde grif de deuren van studeervertrek, bibliotheek of rariteitenkabinet. En dan schreef hij ter plaatse met genoegen weer een briefje ter aanbeveling aan een volgende bevriende relatie. Tot deze categorie van bevoorrechten behoorde ook Ernst Brinck. Voor zijn Franse reis had hij een introductie op zak voor Isaac Casaubon, terwijl hij een paar jaar later van Pontanus een introductie meenam naar Engeland, bestemd voor William Camden.6
Toen ruim twintig jaar later een jongere landgenoot zich voorbereidde op zijn reis naar Frankrijk, had deze het veel gemakkelijker. Eén briefje naar Leiden aan het adres van zijn oud-hoogleraar Thomas van Erpen was voldoende om Johannes van de Nieuwpoort een reisadvies en studiemethode in handen te spelen, dat in plaats van het gebruikelijke ‘Tractatus’ eerder ‘Thesaurus’ als titel verdiende.7 Want de ‘Tractatus de peregrinatione Gallica’ die Van Erpen zijn jonge Utrechtse vriend toezond, was in zijn beknoptheid en zakelijkheid een voorbeeldige, namelijk uitermate praktische handleiding voor die gebruikers die Erpenius' devies, ‘augmentum scientiae’, wilden overnemen: het vergaren van kennis en wetenschap ‘qui unicus fere peregrinationis debet esse scopus’, zo schrijft hij beslist.8
De ideeën in dit tractaat ontwikkeld, waren Van Erpen ingegeven als remedie juist tegen de povere studieresultaten van velen der touristen.9 Voor broddelwerk bestond voortaan geen excuus! Van Erpen schreef zijn verhandeling met het gezag van een geleerde en de ervaring van een bereisd man. In zijn jonge jaren had hij een uitvoerige peregrinatio gemaakt langs verschillende universitaire centra in Frankrijk, Engeland en Italië.10 Later, toen hij in Leiden Oosterse talen doceerde, had hij op verzoek van curatoren verschillende dienstreizen naar Frankrijk gemaakt.11 En tenslotte kon hij ook nog bogen op enige ervaring als reisleider.
Want toen hij in het voorjaar van 1620 opnieuw naar Frankrijk werd gezonden (met de opdracht de beroemde Franse theoloog André Rivet naar Leiden te lokken), nam hij een groepje Leidenaren onder zijn hoede mee.12
Als uitgangspunt van zijn aanbevelingen en richtlijnen poneerde Van Erpen kort en krachtig de stelling: ‘Finis peregrinationis sit notitia sextuplex, Linguae, Regionis, Regiminis, rerum gestarum, morum, & clarorum virorwn.’ (2) Met andere woorden, Van Erpen bepleit inzicht in de ‘res Galliae’, de Franse maatschappij, door studie van haar taal, historisch fundament, geografische gesteldheid en maatschappelijke structuur.
Eerste voorwaarde voor een goed begrip van dit alles acht Erpenius beheersing van de taal. Nu was deze visie, zeker in 1624, niet nieuw. Evenmin was de Leidse hoogleraar de eerste auteur die met dit oogmerk zijn lezers een verblijf in het Loire-district aanbeval als vervolg op de eerste taaloefeningen die in Parijs gedaan moesten worden. Volslagen nieuw en origineel was wèl de ‘catalogue raisonnée’ van studieboeken en literatuur. In zes kernachtige paragrafen ontvouwt Van Erpen zijn studieprogramma Frans.13 Hij bespreekt daarbij grammatica's, beredeneert de bruikbaarheid van bepaalde samenspraken en maakt een keuze uit de Franse literatuur, geschikt voor beginnende studenten. Tenslotte dringt hij aan op omgang met Fransen en het mijden van landgenoten.
Vervolgens brengt hij enkele historische en aardrijkskundige werken ter sprake, waarvan hij de lectuur aanbeveelt als een eerste oriëntatie op 's lands geschiedenis, geografische gesteldheid en bestuurlijke organen. Allereerst noemt hij het derde deel van de ‘Cosmographia Generalis’ van Paulus Merula. Als tweede bron geeft hij een recente Franse uitgave op, ‘Les antiquitez & recherches des Villes Chasteaux, & Places plus remarquables de toute la France’ van André Duchesne en verder de reisgids van Jodocus Sincerus die, in 1616 te Leiden verschenen onder de titel ‘Itinerarium Galliae’, overal verkrijgbaar is.14. Tot slot van deze ‘Notitia regionis’ bespreekt Van Erpen de verdiensten van verschillende aardrijkskundige kaarten van Frankrijk.
Dan volgt in het tractaat de ‘Notitia regiminis’, waarin de auteur volstaat met de opgave van twee handboeken: het derde en vierde deel van Du Haillan, ‘De
l'Estat & Succes des affaires de France’ en het op Frankrijk toepasselijke stuk uit ‘Les Estats, Empires, & Principaultez du Monde’. Du Haillan is ook voor de Franse geschiedenis de grote autoriteit. In de eerste twee boeken van zijn magnum opus vindt de lezer een ‘epitomen elegans’, dat eigenlijk uit het hoofd geleerd moet worden. Verder komen, aldus Van Erpen, als lectuur in aanmerking ‘Memoires de Serres’ en Caesars ‘De bello Gallico’. Maar, zo waarschuwt hij, zorg dan wel de betrouwbare editie te gebruiken, door Scaliger verzorgd en bij Raphelingius uitgegeven.15
In het tweede hoofdstuk bespreekt Van Erpen het reisplan, de ‘Ratio instituendi itineris’.16 Hij acht het wenselijk, dat de reiziger eerst een tijdje naar Parijs gaat en daar blijft totdat hij de boekenlijst heeft doorgewerkt en zich in het Frans verstaanbaar kan maken. Onderwijl kan hij dan plannen maken voor zijn reis door het land. Ieder heeft daarbij wel een eigen voorkeur en bovendien is zo'n tour een kwestie van beschikbare tijd en geld. Meestal wordt een rondreis, een ‘gyrus’, gemaakt langs de interessantste steden, waarvan Erpenius er een dertigtal, verspreid over Frankrijk, Genève meegeteld, opsomt. Het is wel zaak om daarbij een metgezel van enig intellectueel niveau te zoeken, natuurlijk van Franse nationaliteit. Tijdens deze tour moet de reiziger telkens weer studie maken van de kenmerkende bijzonderheden der steden die hij bezoekt.
Het derde hoofdstuk, ‘De Observatione’, doet de lezer een methode aan de hand om tot kennis van staatsinrichting en bestuur, derzelver gezagsdragers, van rechtspraak en vormen van kerkelijke organisatie te komen en daardoor tot inzicht in contemporaine gebeurtenissen en politieke machtsverhoudingen.17 Van Erpen helpt dit onderzoek op gang met een lange vragenlijst. Hij geeft de tourist daarbij nadrukkelijk de goede raad om zich tot deskundigen te wenden. Rechtsen godgeleerden acht hij ideale ‘wegh-wijsers’. Dergelijk contact zal het jongmens in kwestie meer profijt opleveren dan het bekijken van tientallen kostelijke paleizen.
Alle kennis onderweg vergaard, dient ook te worden vastgelegd. Van Erpen vindt het allerminst ‘infra dig’ om zijn lezers, jongelieden toch met een academische opleiding, de fijne kneepjes bij te brengen van het dagboek houden, evenmin als hij er zich in de laatste paragrafen van zijn verhandeling te goed voor acht om minutieuze aanwijzingen te geven voor het pakken van boeken, kaarten en schrijfgerei. Zorg er voor, zo vervolgt hij zijn praktische adviezen, steeds een aantal notitieboekjes in voorraad te hebben voor de dagelijkse korte aantekenin-

10. De educatiereis, zo doceert Erpenius, beoogt vóór al ‘kennisse en verstant’ van mens en maatschappij in den vreemde.
gen en werk die in rustige uren uit op ‘Postpampier’, oftewel houd een klad en een net journaal bij.18
Tot besluit van alle verstandige raad geeft de Leidse hoogleraar de verzekering dat de jongeman die zijn adviezen stipt opvolgt naderhand in eigen vaderland een bijzonder goed figuur zal slaan wanneer in gezelschap Frankrijk ter sprake komt. Dan zal hij zich doen kennen als een expert, ‘peritus linguae et rerum Gallicarum.’ (26)
Nadat zijn tractaat een aantal jaren in manuscript onder belangstellenden had gecirculeerd, werd het ten gerieve van een groter publiek in druk uitgegeven. De opname in deze Leidse uitgave uit 1631 van een ‘Korte Beschrijving van Frankrijk en zijn Steden’ als een soort bijlage bij Erpenius' ‘Tractatus’, was een misgreep van de samensteller. Het auteurschap van deze povere descriptie kan bezwaarlijk Van Erpen aangerekend worden. Trouwens, waarom zou hij zich de moeite geven, nu hij zo nadrukkelijk de reisgids van Zinzerling had aanbevolen? Maar de redacteur revancheerde zich met de keuze van de derde bijdrage in deze uitgave: Justus Lipsius' essay over het reizen, de ‘Ratio peregrinandi’. Daarmede bezorgde de uitgever tijdgenoot en nageslacht een juweel van een boekje, met een voorbeeldige uiteenzetting van ‘theorie en praktijk der educatiereis’. Een handleiding waarin beide Leidse hoogleraren, ieder op eigen manier, een uitwerking gaven van de stelling: Scientia en Experientia sámen voeren tot Prudentia.19
Namen de heren touristen op hun reizen nu metterdaad notitie van Erpenius' adviezen? In de aanhef van zijn tractaat had deze zijn lezers met klem aangeraden pas naar Frankrijk te gaan na voltooiing der universitaire studie. De academische vorming van de aanstaande tourist beschouwde hij daarmee als afgesloten; van enigerlei bemoeienis van touristen met universiteiten in het buitenland is bij hem dan ook geen sprake.20
Het heeft er op het eerste gezicht veel van alsof de touristen en masse dit advies naast zich neerlegden, want tijdens hun Groote Tour lieten zij zich bij herhaling en vaak langdurig zien in universitaire steden, zowel in Frankrijk, Engeland, Duitsland als in Italië. Toch was het niet de aantrekkingskracht van het wetenschappelijk instituut ter plaatse, dat touristen naar de kleine universiteitssteden ten zuiden van Parijs lokte, maar de overtuiging dat daar, langs de Loire, het zuiverste Frans gesproken werd. Ook in Italië prevaleerden voor bezoek aan en verblijf in Padua en Siena andere motieven boven studieplannen. Padua was
aantrekkelijk wegens het milde religieuze en politieke klimaat dat, vooral ten gunste van niet-katholieken, vanuit Venetië met wijs inzicht bestendigd werd. Siena stond bekend om haar gezonde lucht en het zuivere Italiaans harer inwoners.21
In Engeland werd een bezoek aan de universiteiten van Oxford en Cambridge steevast opgenomen in het programma van Nederlandse touristen, maar uitsluitend terwille van hun toeristische attracties. Constantijn Huygens was in 1620 vermoedelijk de laatste bezoeker uit de Lage Landen die door de universiteitsbibliotheek van Heidelberg rondging, voordat deze en vele andere Duitse universiteiten hun poorten moesten sluiten.22 Toen na 1648 het onderwijs weer op gang kwam, kreeg zelfs Heidelberg, dat in voorafgaande tijden voor de Nederlanders verreweg de belangrijkste Duitse universiteit was geweest, geen nieuwe toeloop uit het westelijke buurland. Genève was in trek als doorgangsstation tussen Frankrijk en Italië. Maar een mededeling over de hogeschool als die van Johan Huydecoper ‘...hoorende oock somwijl de lessen inde theologie en andere’ komt zelden voor.23
De tegenstrijdigheden gaan nog verder, want de uitspraak dat andere motieven dan studieplannen touristen nopen tot verblijf in vele der bekende universiteitssteden lijkt weer moeilijk te rijmen met het feit dat telkens weer, tot ver in de zeventiende eeuw, touristen zich laten inschrijven in universitaire registers. Een vergelijking van de matrikellijsten van Padua met drie dag- en briefboeken van Nederlandse touristen toont immers zonneklaar aan dat maar liefst de helft van de juristen die tussen 1647 en 1651 (de jaren door deze drie schrifturen bestreken) de ‘Matricula Nationis Germanae juristarum’ te Padua tekenden, tot de correspondenten, kennissen of vriendenkring van de drie schrijvers behoorden. Daarbij tekenden in die jaren vijf van hen het Paduaanse ‘artiesten’ register.24 En van de zeven Nederlandse handtekeningen die tussen 1647 en 1651 in het register van de universiteit van Siena voorkomen, zijn er weer vier afkomstig van
touristen uit dezelfde kringen.25 Inderdaad, hier staat een aantal touristen pur sang, ingeschreven aan Italiaanse universiteiten. Maar omgekeerd is dat maar een heel klein percentage uit die grote gemeenschappelijke touristenkring om de drie schrijvers Aernout Hooft, Constantijn Huygens jr en Johan Huydecoper. Slechts één keer is er aanleiding om van studieplannen te reppen. Op 24 oktober 1649 schrijft Aernout Hooft in zijn journaal: ‘24. Gingh Mr Kieft nae Padoa om te studeren.’ (f 53v) Inderdaad, nog diezelfde dag tekende Andries Kieft het juristenmatrikel van de Natio Germanica te Padua... Voor het overige bewaren zowel de zoon van P.C. Hooft als zijn Haagse studievriend, de heer van Zuylichem en zijn stadgenoot, de heer van Maarseveen, Hollanders die elkaar in Italië bij herhaling tegen het lijf liepen, een volstrekt stilzwijgen over reisvrienden behept met studie-neigingen.26
Bovendien, een matrikellijst fungeerde niet zelden als gastenboek dat door bepaalde bezoekers getekend werd ‘ad maiorem gloriam’ zowel van de universiteit als van de gewichtige gast, die de universiteit met een, doorgaans zeer vluchtig, bezoek eerde. Zo tekenden in november 1609 Willem van Goltstein en Adriaan Cromholt, in hun kwaliteit van heren uit de suite van het gezantschap van Cornelis van der Mijle, het juristen-matrikel van de Natio Germanica te Padua. Ook twee andere leden van dit gezelschap, de zwager van de heer Van der Mijle, Willem van Oldenbarnevelt en diens vriend Philips de Zoete de Houthain, kapitein der ruiterij, droegen het hunne bij tot verluchting van het album. Van der Mijle zelf tekende in Padua als hoofd van de Nederlandse missie wederom het register waarin hij tien jaar tevoren als student zijn naam gezet had. Daardoor dankt aan dit bezoek van één diplomatiek gezelschap het Natio-boek te Padua liefst vijf illustere namen, het Studio slechts illusoire alumni.27
Elders bestonden er voor de aanwas der matrikellijsten weer andere redenen. Zo werd bij inschrijving in Genève de zogenaamde ‘lettre d'habitation’, tevens verblijfsvergunning in de stad uitgereikt.28 Het laat zich dus denken dat het aantal ingeschrevenen geen getrouwe afspiegeling is van het getal der bona-fide studenten. Een indruk die nog versterkt wordt door het feit dat een aantal namen
opgetekend in dit ‘livre du recteur’ ook voorkomt in dat andere Geneefse album dat de Schola voorlegde aan een bepaalde categorie van buitenlandse bezoekers, het ‘Nomina et Stemmata’ album. Een liber amicorum ten gebruike van een uitgelezen genootschap van begunstigers van de hogeschool zonder wetenschappelijke aspiraties. In de verluchting van dit album hadden vooral telgen der Duitse adel een kleurrijk aandeel met hun imposante familiewapens, gloedvolle deviezen en hoogdravende spreuken. Maar ook de Nederlanders lieten zich in deze kring van hooggeborenen niet onbetuigd. Gelderse adel, zogoed als Zeeuws en Fries patriciaat en ook pretendenten naar deze status kleurden een 35 bladzijden met wapens en spreuken.29
Terwijl het tekenen van zo'n gastenboek geen enkele consequentie had, was dat met een immatriculatie wel het geval. Verplichtte de student zich daarmee tot naleving der regels van de betreffende universitaire gemeenschap, hij werd ook haaf privileges deelachtig. En van die ‘studenten’ waren de heren touristen zeker niet ongevoelig voor het genot van deze voorrechten, waarvan zij zich het gemak en de voordelen nog levendig herinnerd zullen hebben uit hun eigen studietijd in Leiden.30 Vele van die voorrechten, die betrekking hadden op vrijdom van bepaalde belastingen, van inkwartiering en van schuttersdiensten, op berechting voor een academische vierschaar, kwamen al van oudsher toe aan de alumni van Europa's universiteiten. Van lieverlee had de Natio Germanica, die aan bepaalde universiteiten in Frankrijk en Italië opereerde als de grootste en machtigste der studentencorporaties, daarnaast nog een aantal andere aantrekkelijk privileges weten te bedingen.
Die extra's, uitsluitend voorbehouden aan de Natio-leden, betroffen in de eerste plaats rechtspraak en persoonlijke beveiliging. In Italië stonden zij voor vergrijpen terecht voor een eigen tribunaal en in Frankrijk verschenen zij niet voor de provoost, maar voor de baljuw, die de jurisdictie had over de ‘classes nobiliaires et privilégiées’. Ook het Franse erfrecht erkende de bevoorrechte status van leden der Natio. In geval van overlijden verviel hun bezit niet aan de staat, zoals gebruikelijk bij sterfgevallen van vreemdelingen, maar werd toegewezen aan de familie van de overledene. Verder was het voorrecht gewapend over
straat te gaan exclusief voorbehouden aan Natio-leden, terwijl het recht van reizen tegen reductie tussen Orléans en Parijs aan iedere student toekwam. Tenslotte kon het bestuur van de Natio in Orléans aanspraak maken op vrije plaatsen in de schouwburg.31
In Italië lagen de secundaire privileges op een ander vlak, maar ze waren er niet minder gezocht. In het Venetiaanse fungeerde het inschrijvingsbewijs aan het Studio te Padua als een zeer bruikbaar paspoort aan de grenzen van deze republiek. En een vrijgeleide uitgegeven door het bestuur der Duitse natie deed in de ogen der studenten qua rechtsgeldigheid en effect niet onder voor een diplomatiek paspoort, ook buiten het territoir van Venetië.32 Verder hadden de Paduaanse studenten in de streken onder Venetiaans gezag geen last van douanebeambten, wier collega's elders in Italië, met name in de Kerkelijke Staat, gestreng en onverbiddelijk optraden. Maar buiten die grenzen werd ‘een privilegebrief met vrijdom van alle douane onderzoek in geheel Toscane’ wèl met het nodige respect bekeken.33
Men kan zich dus voorstellen dat het lidmaatschap van een invloedrijke Natio-vereniging aantrekkelijk kon zijn voor touristen. Wanneer men deze gedachtenlijn doortrekt, wordt het ook aannemelijk dat een aantal hunner het niet beneden hun waardigheid achtte om voor beperkte tijd ook actieve bemoeienis te hebben met het Natio-leven, door zitting te nemen in het bestuur van zo'n studentengemeenschap. Bij voorkeur juist aan die universiteiten waar de Natio Germanica een lichaam van aanzien en invloed was. Een vereniging die, bij monde van het bestuur, rechtstreeks in onderhandeling kon treden met de regerende vorst en bij zulke gelegenheden met onderscheiding werd bejegend.34
Tenslotte is in deze gehele passage over matrikellijsten en universitaire voorrechten het sterkste argument tégen die studie door touristen een bewijs uit het ongerijmde; noch in de reisjournalen, noch in de brieven naar huis - en dit betreft de voltallige groep van Nederlandse scribenten - is ergens een zinsnede te vinden die zou kunnen duiden op een academische studie van de schrijver. Johan
de Witt verzuimt niet, in het raam van zijn spaarzame aantekeningen, nauwkeurig te vermelden wanneer en waar zijn broer en hijzelf met scherm- en danslessen beginnen, Johan Huydecoper houdt precies het financiële verloop van zijn Franse lessen bij en Gijsbert de With is op dit punt nauwelijks minder uitvoerig. Constantijn Huygens is beslist niet karig in het geven van details over zijn dagelijkse bezigheden, maar nergens rept hij van studie. En bij de overige ‘journaliers’ is het al niet anders, of men er nu het verslag van Frederik Coenders' reis met de neefjes, of het lijvige dagboek der Van der Dussens op naleest. Al met al lijkt het nu dan ook verantwoord om te beweren dat de touristen Erpenius' eerste advies wèl ter harte namen en met een wijde boog om de collegezalen heen liepen.
Maar op een ander punt hadden zij wel degelijk bemoeienis met de universiteit. Zij vertoonden zich er niet zelden in examenvertrek of promotiezaal. De nuchtere bijzonderheden die tien kandidaten zelf over deze examens aandragen, betreffen allemaal proeven van bekwaamheid afgelegd aan één der Franse universiteiten in het Loire-district. Al wettigen de verhalen van dit groepje touristen nog geen algemene conclusies over kwaliteit of frequentie van deze examens, dit geleerd genootschap zal ongetwijfeld een groter ledenaantal gehad hebben. Daarbij zou hoogstwaarschijnlijk ook de voorkeur voor een Frans diploma nog sprekender uitkomen.
De wetenschap dat Nederlandse juristen (tot het begin der dertiger jaren van de zeventiende eeuw) ook wel graag in Bazel promoveerden, doet daaraan geen afbreuk, evenmin als het verlangen van Constantijn Huygens om (in 1620) in Padua te promoveren, of het feit dat Jacob de Witt nog in 1675 aan de Venetiaanse universiteit zijn doctorstitel behaalde.35 Bij Constantijn Huygens was het promoveren primair, niet de universiteit. Orléans was hem even lief geweest. Maar zijn verplichtingen te Venetië, als ambassade-secretaris, beletten hem de gang naar Padua en naderhand bleef, door wijziging in de thuisroute, ook Orléans buiten zijn bereik. Ook de negentien juristen-bullen, gezegeld te Bazel (waarvan zestien vóór 1620), zijn geen bedreiging voor het primaat van Frankrijk, zolang niet is bewezen dat die jonge doctores niet in het gilde der ‘academisten’, maar in het touristenkamp thuishoorden.36
Valt er aan de rechtsgeldigheid der Franse papieren niet te tornen, men kan wel
een vraagteken zetten bij de wetenschappelijke waarde van die certificaten. Een academisch examen, en passant afgelegd, lijkt haast even gebruikelijk als inschrijving aan de universiteit, bij een kortstondig verblijf in de betreffende stad. Vaak was er direct causaal verband.
Men leest met geamuseerde verbazing hoe onbekommerd sommige heren de intellectuele krachtproef tegemoet zien. Zij brengen de dagen direct voorafgaande aan het examen door in gezellige kout met Hollandse vrienden of Franse kennissen, ofwel ze drentelen op hun gemak door de stad waar zij zojuist zijn aangekomen. Tenslotte begeven zij zich monter, en naar hun verhalen te oordelen zonder enige voorbereiding naar het examen.
In deze geest schrijft Gijsbert de With zijn relaas. Hij vertelt hoe hij daags na aankomst in de ‘vermaeckelijcke stadt’ Orléans besluit om samen met zijn vrienden Monsr Gouthouven en Monsr de Sille zich ‘alhier te laeten promoveren I.U.D. waerom wij ons des anderen daechs begaeven inde vermaerde Duijtsche natie, om dat geen Hoochduijtch of Neerlander kan alhier gepromoveert worden sonder sich in de selve eerst begeven te hebben. Deze Natie, haere privilegien, macht, bibliotheeck, eet, wapen, etc. is op de bibliotheeck te lesen’. Alles staat bij Gölnitz uitvoerig geboekstaafd, zo vervolgt hij, om dan plompverloren te berichten ‘Onse promotie hebben wij, Godt sij gelooft, nae ons begeren verkregen den 18 Sept. [1634]’. Waarop Gijsbert welgemoed overgaat tot de orde van de dag: de obligate stadsbeschrijving. Een vermelding van de namen van de promotoren en van de onderwerpen waarover de drie vrienden ondervraagd werden, vond Gijsbert kennelijk minder belangrijk dan die der financiële aspecten van dit academisch evenement. Los in zijn journaal ligt een staatje waarop alle onkosten aan de promotie verbonden, zorgvuldig gespecificeerd, zijn opgesomd: ‘Mijn promotie kost 109 gu̅l̅d. / 84 gu̅l̅d t'examen. / de natij voor inteeckenen 6 gu̅l̅d. / voor t testimonium 6 gu̅l̅d. / 16 st de pedel. / voort schrijven vā 2 brieven 3 gu̅l̅d. / 4.16 st voor de doosen. 12 pistolen uijt gegeven niet hoger dan 8 gu̅l̅d. 6 st. maeckt noch 2 gu̅l̅d. acht, st. 16 st. most ick geven ten besten voor de borsten. en dan voor de pedellen of schrijvers een vereeringh etc̄.’ (ff 20v-21r)
Uitvoeriger is het verslag van Constantijn Huygens jr. Deze arriveerde de 21 ste juli 1649 's middags vanuit Saumur in Angers. Hij besteedt de volgende dag aan de gebruikelijke wandeling door de stad in gezelschap van neef Schendel. Deze begeleidt Huygens in de morgen van de 23e ‘...nae een professor Mr de Voisin, en dede mij examineeren om Licentiat te werden. De materie was de Tutelis. Hij vraegde mij vijff of sess questiën (waervan de eerste was Quotuplex est tutela?) en drij of vier dubieuse wetten, en besloot met de precepta juris. Ick gaf hem 51 gulden en 12 stuyvers, dat het recht is. Nae de middagh ginghen wij Hasselaar een stuck weeghs nae Nantes geleijden.’37

Gerard Hinloopen motiveert zijn keuze van Orléans waar hij in 1667 wil promoveren, met de opmerking ‘...sijnde de beste academie van t rijk.’ 26 juli rijdt hij 's avonds laat de stadspoort binnen en hij werkt de volgende dag het normale programma van bezienswaardigheden af. Vervolgens laat hij zich inschrijven ‘pour membre & partie, tant de l'Université dudit Orléans, que de nostre Nation’ (deze zinsnede heeft hij stellig overgenomen uit zijn diploma van de Natio, want zijn eigen Frans was niet zo gaaf) en maakt zijn opwachting bij de rector, Monsieur de Lalande, om tijd en onderwerp af te spreken: ‘...hij vraaghde mij oft al gereet was, & van welke materie mijn disputatie wilde nemen, daar op hem seijde een uijt dees' drie wilde kiesen, als 1 de jurisdictione 2 ad § 8 de legat, de jure accressendi, 3 ad leg: 23: ff de R;j: hij seijde mij, dat die materien alte intricaat waren, en nog wel eens bij hem behoorden overgesien te werden en dewijl men t niet in den bul sette, welke materie men gedefendeert hadde, soo riede mijn maar een andre t' eligeren, waar op doe koos d' usu fructu. hier mede soo distribueerde onder enige andre professoren ettelijcke Theses, en ginck doen ontrent 4. uren savons met mijn Reijskleren aan een dasje geknoopt om de hals, een degen op sijd in de accademie, die nogtans afdede treckende over mijn klederen aen een lange swarte smerige rok, klom op stoel, sijnde met [?] een open accademie, hoewel nogtans niemant meer present was als den Rector, mijn Neeff, en enige Pedellen, hij opponeerde mijn met goed fatsoen ontrent een halff uir lang, als wanneer met dese woorden afbrak, Domine Video te nostram artem intelligere; kreeg doen mijn bul, nevens enige privilegien, die de duijtse Natie daar geniet gaff voor alles frans gelt ontrent 106. off 108 gld.’ In Hinloopens journaal ligt, zorgvuldig bewaard, wel het diploma van de Natio Germanica, maar niet de examenbul.38
Mag men zijn verhaal zó interpreteren dat hier een hooggeleerde als promotor fungeert die wel bereid is zijn Hollandse promovendus in het gebruikelijke ijltempo aan de doctorsbonnet te helpen, maar toch niet van zins is om deze gebeurtenis tot een schertsvertoning te degraderen en derhalve de defendens een gemakkelijker onderwerp ter verdediging aanbeveelt? (In Leiden was ‘de usu fructu’ als examenstof zeer populair.) Of mankeerde het de rector aan parate kennis?
Coenraad Ruysch had om een of andere reden zijn zinnen gezet op een promotie te Poitiers. Conform het patroon van aankomen, examen doen en weer afreizen, bracht Ruysch zodra hij zijn bagage in de ‘Cloche Perse’ had afgegeven,
de gebruikelijke bezoeken aan professoren om een afspraak te maken voor een examen op zondag 25 april 1677. Drie hooggeleerden waren hem graag ter wille, maar de vierde dacht er niet over. Diens bezwaren golden niet het onderwerp van examen, maar de nationaliteit van de examinandus. Ruysch had kunnen verwachten dat hij in Frankrijk niet overal en onder alle omstandigheden voorkomend bejegend zou worden. Het was tenslotte nog geen 1678. Indien de professor zich bij zijn weigering beriep op een koninklijk decreet van april 1672, waarbij alle Nederlanders werd aangezegd binnen een half jaar Frans grondgebied te verlaten, dan werd Coenraad geacht helemaal niet in het land te zijn. En dan kon de universiteit van Poitiers ook geen enkele bemoeienis met hem hebben. Een beroep op 's professoren welwillendheid had geen succes, evenmin als een verwijzing naar het vrijgeleide hem, Ruysch, uit naam des konings verstrekt, waarin vervat de gebruikelijke formules over hulpvaardigheid en vrije doortocht. De drie andere heren zonden toen een secretaris naar hun weerspannige collega om te bemiddelen. Met een kiese toespeling op het examen-honorarium dat professor zou derven bij volharding in zijn principiële houding, wist deze afgezant het Franse chauvinisme door te prikken. De hoogleraar ging overstag en verklaarde zich alsnog tot examineren bereid. Na de omstandige uiteenzetting van deze contre-temps, volgt het tamme verslag van het examen zelf als een anticlimax. Zondagochtend maakt Ruysch een paar visites en vertelt dan: ‘omtrent tien ueren wiert ick gepromoveert en nam noch voor den eeten afscheijt van mijn Promotor monsr Umon [?]. ick raeckten eerst ten twee ueren te Paert’, de lezer in het ongewisse latend over het onderwerp van de promotie en het verloop van de plechtigheid. Het examen had nog een financiële nasleep: de kosten van de promotie bleken zoveel hoger te liggen dan aanvankelijk geraamd, een verschil van liefst 115 gulden, dat Ruysch in geldverlegenheid geraakte. Overigens slechts tijdelijk.39
Ook Lodewijk en Christiaan Huygens waren onthutst over de kosten verbonden aan hun licentiaatsexamens in Orléans en Angers, een derde van het totaal bedrag van hun vijfweekse Loire-reis. Johan en Cornelis de Witt hadden zich eveneens in Angers laten examineren ‘om tot het licentieaetschap geadmitteert te werden.’ zoals Johan laconiek noteerde. Johannes Thijs tenslotte die ook zijn ‘licentie-brief’ in Angers haalde, vergenoegde zich ter boekstaving van deze gebeurtenis met een zakelijke notitie in zijn kasuitgaven.40
Tegenover deze verslagen en mededelingen die suggereren dat de alumni van Nederlandse universiteiten hun Franse brevet van geleerdheid haalden met verbluffend gemak, staat het verhaal van één kandidaat wiens academisch onderzoek niet helemaal ‘en bagatelle’ behandeld werd.41 Pieter Berkhout besteedde haast een volle dag aan de voorbereiding van zijn examen... Overigens is dat ook in zijn geval weer ingepast in de gebruikelijke gang van zaken. Hij verkent eerst de stad, in casu Bourges, maakt visites en zoekt contact met de universiteit. Begeleid door de pedel gaat hij zich voorstellen aan de vier professoren die hem de volgende dag zullen examineren; daarna trekt hij zich terug om te werken. Deze retraite verloopt echter niet ongestoord. Een Franse kennis haalt hem met smeuïge jachtverhalen danig uit zijn concentratie, maar gelukkig heeft dat geen fatale gevolgen. Het examen verloopt naar wens, al krijgt hij zijn bul niet cadeau. Liefst drie uur lang wordt hij aan de tand gevoeld. Maar dan overhandigt de Doyen hem zijn ‘Lettres du Doctorat’ met een vriendelijk toespraakje en mag Pieter de eed afleggen op het Heilig Evangelie. Op zijn beurt dankt de jonge doctor voor de ‘iustice ou de la grace’ hem betoond en wandelt terug naar de ‘Boeuf couronné’. Onderwijl mijmert hij nog wat na over zijn nieuwe status van Zeergeleerd Heer. Als ik mezelf goed ken, zo schrijft hij vertrouwelijk, dan zal ik in mijn verder leven nooit zo dwaas zijn mij te laten voorstaan op deze ‘...qualité si supresme et... un degré si relevé’, ‘Mais laijssons la le Doctorat; puisque docteur suis’.42
Waarom hechtten de touristen toch zo'n waarde aan een universitair diploma gezegeld in het buitenland?43 Ging het bij het meebrengen naar Holland van deze kostbare reistrofee, het academisch diploma, om de ‘lustre’ die zo'n reissouvenir uit verre streken uitstraalt? Of was het toch iets anders dan een onbewimpelde vorm van geleerd snobisme? Speelde hierbij misschien toch een sterke traditionele gerichtheid op de oude en befaamde universiteiten van Europa een rol? Zo'n gevoel van traditionele gebondenheid zou dan misschien ten grondslag liggen aan
de wens van Oldenbarnevelt, zo nadrukkelijk verwoord in zijn testament van 1592, dat zijn zonen Reinier en Willem van hun grote tour niet zouden terugkeren in de Nederlanden, alvorens in den vreemde hun doctorsgraad ‘genomen’ te hebben. Een wens die overigens niet in vervulling ging.44
De touristen zelf blijven een antwoord op deze vraag schuldig. Zij reppen niet van motieven en doen er het zwijgen toe.
Na deze uitvoerige excursie op en om de terreinen van de ‘Civitas Academica’, een uitstapje door Erpenius noch door Lipsius aanbevolen, nu naar een oefenveld, dat wèl uitdrukkelijk Van Erpens goedkeuring wegdroeg. Voor een goed begrip van land en volk, zo had Van Erpen betoogd, was kennis van de landstaal onontbeerlijk. (9) Nu lijkt het, oppervlakkig gezien, net zo min noodzakelijk om ter wille van zo'n studie een buitenlandse reis te maken, als dat essentieel was voor een volwaardige academische opleiding.
In de Lage Landen waren er immers ampele mogelijkheden om Frans te leren.45 Sedert het begin van de zestiende eeuw al prijkte er naast lezen, schrijven en rekenen ook Frans op het lesrooster van de zogenaamde ‘bijscholen’. Dit type elementair onderwijs had in de loop der jaren zo aan populariteit gewonnen, dat omstreeks het midden der zeventiende eeuw haast in elke stad van enige betekenis, zeker in het westen des lands, zo'n school te vinden was. Ter onderscheiding van de Latijnse scholen was toen de benaming ‘Franse school’ in zwang geraakt. Frans had zelfs een plaats op het lesrooster van enkele dier Latijnse scholen verworven, waaronder, zeker niet bij toeval, die te Amsterdam. Aan de twee bloeiende ‘gymnasia’ op de Oudezijds en de Nieuwezijds Voorburgwal was het traditionele curriculum uitgebreid met verschillende vakken, waaronder lessen in ‘moderne’ talen: Frans en Nederduits.46
Een derde mogelijkheid om in eigen land Frans te leren werd verschaft door particuliere huisleraren en tenslotte kon men daarvoor ook aan de universiteit terecht. Daar mochten Franse studenten zich, na daartoe verkregen toestemming van curatoren, ‘spraeckmeester’ noemen en als zodanig hun lessen aankondigen op de Series.47
De student kon speciaal in Leiden nog andere moderne talen leren. Hij had
daar, in het derde kwart der zeventiende eeuw, de keuze uit zes docenten Italiaans, van wie er twee bovendien Frans gaven, twee leraren Engels, waarvan er één ook een Franse bevoegdheid had, en één docent die Frans combineerde met Spaans.48
Men krijgt echter de indruk dat de spreekvaardigheid, verkregen door oefening in eigen land, bij verreweg de meeste touristen te wensen overliet, terwijl toch naarmate de zeventiende eeuw verliep de noodzaak van het beheersen der Franse taal steeds sterker gevoeld werd. Een van de belangrijkste opdrachten de jongeman op reis meegegeven, was dan ook om naar het vaderland terug te keren met een ‘nette tael’. Ouders en opvoeders waren het roerend met elkaar eens. Al vanaf het tijdstip waarop Frederik Coenders noteert, dat hij zijn jonge neven naar het buitenland begeleidt - in het bijzonder naar Frankrijk - ‘ad linguam discendam’, krijgt, in de omschrijvingen die de ouderen geven van doelstelling van de educatiereis, de talenstudie een voorname plaats.49
In zijn ‘Tractatus’ nu, ontvouwt Van Erpen een goed doordacht en welomlijnd werkprogramma.50 Begin van alle kennis is studie van de grammatica. Daarvoor gebruike men, zo adviseert hij, ‘La grammaire et syntaxe française’ van Charles Maupas uit Blois, een werk waarvan toen net een Latijnse vertaling was verschenen.51 Let daarbij, waarschuwt Van Erpen als ervaren docent, vooral op die eigenaardigheden in het Franse spraakgebruik waarmee vreemdelingen altijd zo'n moeite hebben: leer de onregelmatige werkwoorden uit het hoofd! En wees in vredesnaam zo verstandig om het bij deze éne grammatica te houden. Als aanvulling hierop leze de student de dialogen van Philippe Garnier uit Orléans, de ‘Gemmulae Gallicae Linguae’.52 In het Frans wel te verstaan! Dit is aangename lectuur, van een typisch Frans esprit, schrijft Van Erpen bemoedigend. Bovendien zal de lezer hier ook die hoffelijke conversatieformules vinden die in galant gezelschap gangbaar zijn, in afwijking van het alledaagse spraakgebruik. Zijn deze twee boeken doorgewerkt, dan heeft de student voldoende niveau om een werk uit de literatuur ter hand te nemen. Als romans noemt Van Erpen de ‘trilogie’ van Guillaume Bouchet ‘Les Serées’, en ‘L'Astrée’ van Honoré d'Urfé.53 De eerste is plezierig om te lezen en bovendien fraai van stijl. Van ‘L'Astrée’, de lijvige mode-roman, overal in Europa hemelhoog geprezen, bewerkt, omgewerkt,
verkort, geschilderd en bezongen, prijst Erpenius de kuise toon van de auteur, diens elegante stijl en de welsprekendheid der dialogen. Wat Franse poëzie aangaat, heeft de student voldoende aan Du Bartas. Tenslotte kan hij veel plezier hebben van het boekje ‘Le Secrétaire des Secrétaires’ wanneer hij Franse brieven moet schrijven.54
Aan deze behartenswaardige adviezen over leren en lezen, verbindt Van Erpen een paar even waardevolle raadgevingen betreffende het spreken. De student doet er verstandig aan, betoogt hij, om tijdens deze studieperiode domicilie te kiezen in een van de grote steden van Frankrijk, bij voorkeur in Parijs. Hij moet proberen in huis te gaan bij een Franse familie met kinderen, want onbeschroomd babbelen met kinderen bevordert spreekvaardigheid. Ook de boekhandel is een goed oefenterrein; het mes snijdt hier bovendien aan twee kanten. Men hoort daar gesprekken op intellectueel niveau en men krijgt er allicht een indruk van allerlei zaken die voor een reiziger van belang zijn.
Succes bij deze talenstudie is verzekerd, mits de student maar steeds dat éne zinnetje uit het tractaat in vlammend rood schrift voor ogen houdt: ‘Iugis cum Gallis conversatio, & popularium aversatio.’ (5) Een zin die nogal eens op z'n kop gezet werd.
Als men nu aan de hand van dagboeken op reis bijgehouden en van brieven naar huis geschreven, tracht na te gaan of er inderdaad touristen waren die Erpenius' adviezen ter harte namen, dan blijkt dit een teleurstellende bezigheid. Van zelfstudie volgens de methode-Erpenius valt in deze documenten bitter weinig te bespeuren. De briefschrijvers en journaalhouders zien er allerminst tegenop om uren aan hun schrijftafels door te brengen, maar die besteden zij dan aan het afdoen van correspondentie en het bijhouden van hun dagboek.
Toch zijn er in journalen en kasboeken wel aanwijzingen voor talenstudie te vinden, in de vorm van notities over de aanstelling en het honorarium van een ‘spraeckmeester’. Want les nemen bij een privé-leraar was de oplossing die de jongelieden op reis gevonden hadden voor de verplichting tot talenstudie. Op deze manier kon men een gepast vertoon van ijver in de brieven naar huis suggereren, ook al klopte dat misschien niet altijd met de werkelijkheid. De serieuzen uit het genootschap der touristen niet te na gesproken.
Maar het kon ook anders. Frans leren kon zelfs een verrukkelijk tijdverdrijf zijn, wanneer men het aanpakte op de manier die Cats, schrijvende over zijn studententijd in Orléans, uit de doeken deed:
Conversatielessen die vele andere touristen in ‘eerbaer onderhout’ met jonge meisjes op gezellige avondjes in Orange, Grenoble en Genève ook zeer wel bevielen.55
Vaak leerde een jongmens op reis zijn Frans buiten Frankrijk. Vooral in de zestiende eeuw, in de vier decennia voorafgaande aan Cats' tijd in Orléans [1598], nam een tourist vaak zijn eerste lessen in Zwitserland. Ofwel omdat hij een verkenning van Zwitserland beschouwde als een preludium op een verblijf in Frankrijk, ofwel omdat hij - wanneer door burgeroorlog in Frankrijk de grens weer eens gesloten bleek - genoodzaakt was zich met Zwitserland te behelpen en er daar dus maar het beste van maakte wat studie en toeren betrof.
Onder de menigte Fransen die hun heil en lijfsbehoud over de grenzen gezocht hadden, waren er te Genève en Lausanne velen die als hospes of als taalleraar vreemdelingen hun diensten aanboden. Toen Frederik en Everard Coenders op hun eerste buitenlandse reis in de zomer van 1558 vanuit Bazel in Lausanne aankwamen met de bedoeling om daar Frans te leren, zocht Philip Mart, hun mentor, onder de leden van de Franse kolonie een taalmeester voor zijn pupillen. (131) Bovendien koos hij een frans ‘restaurant’, waar de Coendersen ten huize van monsieur de Requerol, ‘nobilem exulem Gallicum’, aan tafel weer vele andere Franse refugiés troffen (131). Toen zij negen jaar later een winter in Genève doorbrachten, hadden zij daar alle tijd en gelegenheid om hun Frans bij te schaven. Een zeer internationaal gezelschap van jonge mensen, Duitsers, Zwitsers, Fransen en Italianen verbeidde hier ongeduldig de dag waarop zij dóór konden reizen of terugkeren naar Frankrijk.56
Als eindelijk in 1572 de politieke situatie wat minder gespannen lijkt, kan Frederik Coenders zijn neefjes zonder moeite het beloofde land binnenloodsen. Hun tour kunnen zij er volgens plan maken, maar voordat zij, conform de ouderlijke ordonnatie aan een leergang Frans kunnen beginnen, donkert het andermaal boven Parijs.57
Wanneer opnieuw het onderwerp ‘Frans leren’ door de touristen zelf ter sprake wordt gebracht, is de eerste helft van de zeventiende eeuw al goeddeels verstreken. De geschiedenis van het instituut ‘taelmeester’ bestaat, gegeven het beperkte aantal der documenten, ook dan slechts uit wat losse paragraafjes met laconieke notities, opgetekend en bewaard in volstrekte willekeur van persoon, tijd en omgeving.
Ook in die tijden leerden sommige touristen hun Frans nog in Zwitserland. Zo schrijft Pieter de la Court wanneer hij in Genève overwintert: ‘...Den 26 [november 1642] quam Mr Tridon my de eerste mael onderwysen in het francois.’ (25) Een notitie die hij meteen laat volgen door een serie mededelingen in het Engels, als om zichzelf te bewijzen dat hij zijn Engels, de vorige winter te Londen geleerd, nog niet vergeten was. Vanuit Engeland was hij in het voorjaar van 1642 overgestoken naar Frankrijk. Blijkbaar hadden andere zaken hem daar zo in beslag genomen dat een serieuze talenstudie erbij was ingeschoten. Toch moet hij toen op zijn minst een rudimentaire kennis van Frans gehad hebben. Want in een woordgemeen met een inhalige herbergier in Blois weet hij zich effectief te verweren en voor de lokale magistraat zijn recht te bepleiten. (16)
Ook Aernout Hooft nam, acht jaar na De la Court, in Genève les van Mr Triton. Toen hij in het volgende najaar, aan het slot van zijn grote tour nog een maand in Parijs doorbracht, zocht hij daar opnieuw een taalmeester en nam op de valreep van zijn terugkeer naar Holland ene Mr Nicolai aan.58 Coenraad Ruysch volgde later zijn voorbeeld en engageerde als leraar Frans ‘...een seer hups man..., en seer geverseert in de historie en in de Mathematijck.’ Helaas is met deze omschrijving van 's mans kwaliteiten ook begin en einde van bijzonderheden over Ruysch' taallessen gegeven. (f 173v).
Gevoelden Aernout en Coenraad behoefte aan een vervolgcursus, of had hen toen zij eenmaal in Frankrijk waren twijfel bekropen over de waarde van hun Geneefse Frans? Hadden zij in Zwitserland ‘echt’ Frans gesproken of misschien maar een dialect? Voor Johan Huydecoper, die in zijn Geneefse tijd ook bij Mr Triton terecht kwam, was dat geen vraag: ‘...dat Ued meent hier den stat te sijn om Frans te leeren: o neen, maer om goet Savoiards, dat staen ick toe.’59 De beschuldiging was al eerder geuit, ook Van Aerssen had er destijds geen hoge dunk van, maar dit afgeven vermocht geen afbreuk te doen aan de gevestigde Geneefse reputatie. Nog in 1686 noemt Wicher Pott als een der beste plaatsen om Frans te leren Genève. Overigens leerde hij het zelf elders.60
Huydecoper blijft daar, ondanks zijn bedenkingen, toch trouw zijn ‘devoir’ doen in de Franse taal. In een van zijn volgende brieven aan zijn ongemakkelijke vader brengt Johan opnieuw verslag uit en rapporteert onder andere over zijn vorderingen in het Frans ‘...neantmoins ie trouve q le langages Latijn aider beaucoup pour... dendre icelle, mais le plu grand difficulte q ie trouve, est le prononciation bien different de la escriture’. Een moeilijkheid die nog eens duidelijk geïllustreerd wordt in een passage even verderop in dezelfde brief, waar Johan melding maakt van een ‘carel’ (querelle) tussen neef Jan van Gheel en één van de vrienden uit het Hollandse clubje, Mr van der Mart.61
Een voortzetting van de Franse lessen lijkt dan ook met deze proeve van onbekwaamheid voor ogen geen luxe. Als Johan wat later vanuit Genève teruggaat naar Frankrijk om de grote tour te doen, besluit hij om tot het voorjaar in Frankrijk te blijven. Want het wordt dan te laat in het seizoen om nog naar Italië te vertrekken.62 Om te overwinteren komt, met het oog op de goedkoopte en ter wille van voortzetting van zijn studie Frans, één der Loire-steden in aanmerking. Deze streek was van oudsher befaamd om ‘le bon français’ der inwoners en werd dan ook van meet af aan in de reisgidsen warm aanbevolen. In Orléans konden de touristen voor taallessen profiteren van speciale faciliteiten gecreëerd door de Natio Germanica: in de grote zaal van de bibliotheek der Natio werden iedere dag cursussen Frans gegeven. In Bourges nam de zustervereniging dit lofwaardig initiatief aanstonds over.63 Of waarom zou de tourist niet neerstrijken in Tours, ‘Amoenitatis gratia, Et maxime linguae’, of in Saumur, ook al een centrum bij vreemdelingen uiterst populair, vanwege de uitmuntende maîtres in alle exercitiën die men er vond?64 Al konden de overige steden in dit district zich niet op soortgelijke attracties beroemen - hoewel, in Blois was er een tennisbaan van uitzonderlijk grote afmetingen, lokaas voor sportieve touristen - toch was het vaak moeilijk een keuze te maken uit de verschillende plaatsen. Overal stonden taalmeesters gaarne de heren touristen ten dienste met privélessen en stelden Franse families, vooral van dominees en apothekers, hun huis open om pensionaires op te nemen.
Een persoonlijk motief lijkt niet vreemd aan de beslissing van Huydecoper om in Saumur te overwinteren, want hij weet daar neef Schaap te zullen vinden. Hij gaat er in huis bij ‘eene Gotiers gevende 50 gul. voor mijn en mijn knegt met mijn cosijn op een kamer.’65 Aan zijn vader, die er blijkbaar op aangedrongen had dat Johan, teneinde beter en vlugger Frans te leren in huis zou gaan bij een Fransman,
kan zoonlief dan ook naar eer en geweten melden dat hij hem in dezen gehoorzaamd heeft, maar hij vergeet wel er bij te voegen dat zulks in feite voltooid verleden tijd is, want op 2 september ‘verhuysden sogtens bij mr 3 wegen daer ick mijn voor 55 guld. besteden.’66 Veel nuttig effect zal die ene maand bij Gotiers op één kamer met neef Schaap trouwens niet gehad hebben. Wel neemt hij weer Franse les tot het einde van het jaar. Over de waarde van deze lessen en eventuele vorderingen valt evenmin veel te zeggen; zijn Franse brieven werden er in ieder geval niet slechter van. Misschien was het grootste winstpunt van een en ander de, zij het tijdelijke, rust aan het thuisfront; enige maanden verlopen zonder nieuwe berispingen. Maar aan het einde van het jaar staat in Amsterdam het sein weer op storm. Opnieuw moet Johan zich schrap zetten tegen aantijgingen en verwijten van zijn ‘straffen, strengen, gierigen vader.’67 Hij begint wat mismoedig aan zijn verweer: ‘...veu les mescontentements et couleres concu contre moij m'ont reduit en desespoijr de vous contenter iamais, veu qu'ils sont tires des soupsons moins avantageuses pour moij.’ Maar dan ontzenuwt hij in rustige volzinnen stuk voor stuk de beschuldigingen; ik schrijf U wèl regelmatig en ik houd U wel degelijk op de hoogte van het laatste nieuws. Tenslotte ga ik hier niet om met een troep ‘vagabonts’ zoals U insinueert. Integendeel, tot mijn kennissenkring behoren onder anderen de heren Donselaer, Barck, Blaulaecken, Ravenswaij... Met de opsomming van deze onberispelijke Hollandse familienamen geeft Johan zijn vader een nieuw wapen in handen voor een zoveelste reprimande. Maar die blijft, merkwaardig genoeg, deze keer uit. ‘Soies donc assure’, vervolgt hij ‘qu ie fais tout mon possible pour vous obeir, et escrire en bonnes termes. Mais comme presq tous vos letteres sont rampli des reprimendes, ne faut il pas que ie me defens le plus qui m' est possible faisant mon possible pour vous obeir, et donner toutes les sortes, de contentement’. Toch vermag Johan met deze aandoenlijke passage in zijn speciale Frans de aandachtige lezer van zijn almanak-notities niet geheel te overtuigen; er blijft een lichte twijfel hangen over zijn ‘uiterste best’.68
Zeker hebben velen van de Nederlandse touristen die zich voor een aantal maanden in de provincie terugtrokken om zich in het Frans te bekwamen, les genomen bij een spraakmeester en naar de mate van hun belangstelling, ijver en begaafdheid, Frans geleerd.69 Zo vond Gerard Hinloopen van zichzelf dat hij na een half jaar in Angers, de taal ‘redelijckerwijs’ geleerd had. (f 31) Toen hij daar
begin augustus 1667 aankwam en zich besteedde bij ‘den minister van de gereformeerde Religie’ voor de somma van 45 Franse guldens per maand, sprak hij nauwelijks een woord Frans. (f 20) Na zes weken waren zijn vorderingen nog zo minimaal dat hij tijdens een familiebezoek in Rennes zich eigenlijk niet verstaanbaar kon maken, hetgeen overigens geenszins zijn plezier in het uitstapje vergalde. (f 26) Het mag dan ook een wonder heten dat Hinloopen zichzelf aan het einde van dat halve jaar in Angers toch een brevet van redelijke bekwaamheid in het Frans meende te kunnen uitreiken, want hij was in die maanden nogal eens met Hollandse vrienden opgetrokken.
Op deze gronden had Wicher Pott dan ook grote bezwaren tegen Blois. Hij was trouwens oorspronkelijk helemaal niet van plan geweest om in déze streek, maar in Montpellier de taal te leren. Toen hem aan het verstand was gebracht dat daar in de Midi ‘heel quaet’ Frans gesproken werd en hij begrepen had dat men de ‘nettigheyt vande tael’ ten zuiden van Parijs moest zoeken, had hij besloten om dan maar naar Orléans te gaan.70 Want in Blois - blijkbaar kwam er in 1685 geen andere stad in de Val-de-Loire in aanmerking - was alles duurder en bovendien liep men er, omdat de plaats zo klein was, steeds weer vreemdelingen tegen het lijf. En naar gezelschap van Hollanders of Duitsers, schreef hij keurigjes, ‘ben daer nae niet begerigh dewijl daer van niet sie te profiteren’. Wat dat betreft had hij het in de ‘Croix Blanche’ zeer getroffen, want daar vond hij tot ‘goed contentement’ een aantal Franse heren die de moeite en de kosten van een nadere kennismaking waard leken. Hij inviteerde hen voor een ‘collation’, die hem weliswaar op twee rijksdaalders kwam te staan, maar hem dan ook veel vrienden opleverde. Van dezen rekende hij speciaal een Mr Zentari, ‘van de principaelste Fransche adel’ en verwant aan de prins van Condé tot zijn intimi.71 Wicher was en bleef, ook naderhand in Italië, een ‘social snob’; hij wist ook in andere opzichten precies hoe hij het beste of het zuinigste zijn doel kon bereiken. Hij verdeelde in Orléans zijn dagen tussen de Franse adel en zijn Hollandse (!) mede-pensionaires. Daarbij deed hij heel serieus de exercices, nam zang- en dansles, oefende zich in het gitaarspel en had met het oog op de aanstaande gyro een leraar Italiaans aangenomen. Aangezien deze heren zich met hem in het Frans onderhielden, meende hij zich de kosten van een aparte spraakmeester in die taal te kunnen besparen. (Al deze docenten werden met 2 rijksdaalders per maand gehonoreerd.)72
Wicher had natuurlijk groot gelijk met zijn opmerking dat hij het gezelschap van Hollanders of Duitsers bij voorkeur moest mijden, ook al bleek hij sterker in de leer dan in de praktijk. Want de keerzijde van de medaille, van al die vlijt om toch maar goed Frans te leren, was dat men elkaar dan hier, dan daar toch weer
regelmatig tegenkwam.73 Niet alleen moest men zijn compatriotten, met wie men vanzelfsprekend ‘duytsch’ sprak, liever uit de weg gaan, ook het contact met andere vreemdelingen kon op de kwaliteit van het eigen Frans funeste invloed hebben. In dezelfde ‘Croix Blanche’ in Orléans, waar Wicher Pott vriendschap sloot met de Franse adel, had twintig jaar tevoren Pieter Berkhout gelogeerd. Ook toen was de herberg, de bekendste van heel de stad, propvol met buitenlanders en met Fransen uit de provincie. Pieter vertelt hoe daar aan tafel door de gasten, Hollanders, Friezen, Brabanders, Duitsers, Fransen en Zeeuwen in geanimeerde conversatie Frans gesproken, misbruikt en geradbraakt werd: ‘C'est un plaijsir d'importance d'escouter caser [sic] tous ces Messieurs en la langue Fransoijse chaqu'un a la mode de son paijs: car la langue est si dissemblablement prononcée par eux qu'on la prendroit pour autant de langues differentes, sur tout Messieurs les Allemans la prophanent horriblement: car ils disent souvent des choses auxqu'elles ils n'ont iamais songez, et qui sont directement contraijres aux choses qui s'estoient proposer de dire’.74 Maar het meest ergerde hij zich nog over het niveau der gesprekken, vooral over hetgeen door Fransen uit de provincie aan bêtises werd gedebiteerd. Een paar weken nadien laat hij zich, ditmaal in Bourges, opnieuw wat denigrerend uit over het weinig geacheveerde der gesprekken van Franse provincialen. Maar, voegt hij er dan vergoelijkend aan toe, die boerse Fransen zijn als tafelgenoten toch veel verkieselijker dan het gezelschap van zo'n adellijke Duitse woesteling.75
Het is opvallend dat touristen van verschillende nationaliteiten zo weinig contact met elkaar zochten en onderhielden. Immers, ook Duitsers en Engelsen bevolkten in menigte de Loire-stadjes met precies hetzelfde oogmerk als de Nederlanders. Men zàg elkaar natuurlijk in de grote pensions en liep elkaar tegen het lijf op de tennisbaan. En al lieten de Nederlanders zich wel eens minachtend over de Duitsers uit, zij waren beiden lid van dezelfde studentenvereniging, waar zij ook geregeld samen om de bestuurstafel zaten. Met de Engelsen was het contact blijkbaar moeilijker, want zeldzamer. In Frankrijk was Constantijn Huygens de enige die zich in hun gezelschap vertoonde. In Lyon speelde hij tennis met een paar Engelsen, onder wie Thomas Killigrew, telg uit een familie, bevriend met zijn vader. Elders zat hij met Fransen aan tafel en hield hen voor de gek door zich voor Engelsman uit te geven.76
In Italië was het niet anders. Wicher Pott in Rome, in gezelschap van Franse en Duitse baronnen, en Aernout Hellemans in Venetië, aan tafel met Polen en
Scandinaviërs, lijken uitzonderingen op de regel. Omgang en gezelligheid zochten touristen bij voorkeur in de kring waar de eigen landstaal werd gesproken.77
Om hun Frans te leren - en daarvoor zaten de touristen tenslotte in het Loire-gebied - moesten de meesten het dus uitsluitend hebben van hun taallessen. Of die uren goed bestede tijd waren, of de pistolen daaraan uitgegeven weggegooid geld, het blijft gissen. Huydecoper mag dan de enige zijn die er met zijn verzuchting over dat moeilijke Frans rond voor uit komt dat hij het een zware studie vindt, men krijgt niet de indruk dat het gros der touristen zich met meer gemak uitdrukte. Ook de journalen op reis bijgehouden geven daartoe geen aanleiding. Verreweg het grootste percentage daarvan werd in het Nederlands geschreven; door Gijsbert de With zogoed als door P.C. Hooft en Johan de Witt, door Coenraad Ruysch en door Aernout Hooft. Pieter Berkhout behoort met slechts enkele anderen tot het kleine groepje dat gebruik van het Frans aandurft.78 (En zìjn Franse brieven schreef hij, toen hij voor de tweede keer in dat land was.)
Nu is ‘aandurven’, zeker waar het de familie Huygens betreft, eigenlijk niet de juiste term, want Frans was zowel Constantijn als zijn kinderen met de paplepel ingegoten. Christiaan, Constantijn jr en Lodewijk hadden het aan hun grootvader te danken dat zij Frans spraken en schreven als hun moedertaal, want hun vader modelleerde de opvoeding van zijn kinderen naar het voorbeeld van zijn eigen leerjaren. In het veelzijdige en originele pedagogische programma dat Christiaan Huygens, misschien wel in overleg met zijn vriend Marnix voor zijn beide zonen had opgesteld, stond Frans bovenaan het lesrooster. Zo leerden Maurits en Constantijn als kleuters de beginselen van deze taal. En zo had naderhand ook Constantijns drietal als kind thuis Frans geleerd.79 Later was te Leiden, in de omgang met Franse huisgenoten en medestudenten, deze kennis verder ontwikkeld. Dit alles te zamen had hun van lieverlee ‘een groote habitude van de Fransche tale’ bezorgd. Nee, voor deze familie waren de paragrafen Frans in de reishandleiding van Erpenius niet geschreven: ‘Pour la langue il ne leur en reste que peu à apprendre’ kon Constantijn, schrijvende over Franse reisplannen voor Christiaan en Lodewijk, zijn vriend André Rivet verzekeren. Zij zochten wat anders in Frankrijk dan taaloefening.80
In Engeland daarentegen hadden Lodewijk en Christiaan juist nog alles van de taal te leren. Twee jaar na het (voorlopig) terzijde schuiven van het Franse plan, deed zich een geschikte gelegenheid voor om Lodewijk kennis te laten maken met
Engeland. Constantijn wist zijn zoon een plaats te bezorgen in de suite van het Staatse gezantschap dat, onderleiding van een driemanschap met Jacob Cats aan het hoofd, in Londen intrekking van de Acte van Navigatie zou bepleiten.
Aan de vooravond van Lodewijks vertrek - december 1651 - stelde Constantijn inderhaast een memorandum voor zijn zoon op.81 Deze instructie bevat bondig gestelde directieven geënt op Constantijns eigen ervaringen, destijds in verschillende diplomatieke missies opgedaan. Constantijn bindt Lodewijk ten aanzien van zijn optreden drie stelregels op het hart en geeft hem daarnaast een leer- en studie opdracht mee, die evenzeer tersnede is. Lodewijks allereerste zorg in Engeland, zo houdt zijn vader hem voor, dient te zijn snel en correct Engels te leren, ‘pour cet effect [il] esquivera la conversation Flamende et s'intriguera dans l'Angloise tant qu'il luy sera possible’. ‘Conversatio’ met ‘inboorlingen’ en ‘aversatio’ van eigen landgenoten, het kon de touristen niet vaak of nadrukkelijk genoeg voorgehouden worden! Als variant op Erpenius' ideeën over bezoek aan de boekhandel en omgang met kleine kinderen, raadt Huygens zijn zoon zich vertrouwd te maken met gesproken Engels door 's zondags ter kerke te gaan bij een Engelse gemeente. Verder zal Lodewijk, ‘pour se bien et promptement instruire en la langue’ veel profijt hebben van ‘la conversation des dames’. Cats zal instemmend geknikt hebben! Daarbij bedenke Lodewijk wel, aangezien in Engeland vreemdelingen op hoofse wijze bejegend worden, wat hij in dezen aan geboorte en opvoeding verplicht is. Het gaat er tijdens deze bezoekjes in damessaletten namelijk om, zo verduidelijkt Constantijn, de benamingen te leren van ‘toutes sortes de minutiez’, zaken waarover de woordenboeken geen uitsluitsel geven, terwijl kennis daarvan in gezelschap toch bepaald een voordeel kan zijn.
Lodewijk heeft kennelijk met zorg en ijver gehandeld volgens alle aanwijzigingen van zijn vader, getuige de waarderende woorden die Cats een paar maanden later deed toekomen aan Lodewijks vader. Uw zoon, schreef de ambassadeur, doet niet alleen dienst als edelman bij de ambassade, maar ook als ‘amanuensis ten regarde van geschriften gestelt in d' Engelse taele, in dewelcke hij vrij beter is geoeffent als veele van ons gevolch’.82 Een van die werkjes de amanuensis opgedragen, was de vertaling van een rede die Cats in het Engels dacht af te steken, maar tenslotte toch maar in het gebruikelijke Latijn uitsprak.83 Cats' neef, Janus van Vliet, de secretaris van het gezantschap, zelf een voortreffelijk stilist in het Engels, deed er nog een schepje bovenop toen hij, eind januari al, aan Lodewijks vader schreef en zijn zoons verdiensten als ‘first gentleman in waiting’ van de heren ambassadeurs hemelhoog prees. Ambassadeur Cats beschouwt Lodewijk als zijn speciale ‘boodschapper’ in het verkeer met de Engelse heren en
bovendien, zo vervolgde Van Vliet zijn brief, spreken Lodewijk en ik samen uitsluitend Engels. Het resultaat is dat hij in één maand grotere vorderingen heeft gemaakt dan al zijn suitegenoten bij elkaar. Voorwaar een uitmuntend getuigschrift!84
Destijds, in 1618, had Lodewijks vader, ter gelegenheid van zijn eigen eerste bezoek aan Engeland, die methode om snel en efficiënt een vreemde taal te leren zelf bedacht. Maar toen Constantijn in Londen lijstjes maakte van de Engelse benamingen van allerlei garderobe-onderdelen en van bouwkundige termen, en zon op mogelijkheden om meer met Engelsen in contact te komen, toen ging het bij hem om verdere oefening van het Engels waarvan hij in Holland al de beginselen geleerd had.85
Bij die studie Engels moest Constantijn zich behelpen met een Italiaans-Engels woordenboek, want pas dertig jaar later zou de eerste Nederlands-Engelse dictionaire verschijnen. Dit is tekenend voor de kennis van het Engels in de Nederlanden, vooral ook in vergelijking tot de grote aantallen Nederlands-Franse grammatica's en woordenboeken, die sinds lang in omloop waren.86 Men zou zich kunnen voorstellen dat touristen stammende uit koopmansgeslachten of uit families die in militaire of hofkringen verkeerden, enige notie hadden van de Engelse taal, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen te vinden. Eerder het omgekeerde. De voertaal tussen Engelsen en Nederlanders was Frans of Latijn. Constantijn Huygens was bepaald een uitzondering.87
Van de Hollandse touristen wie het zeker niet aan belangstelling ontbrak voor Engeland - gelegen binnen de driehoek Londen-Oxford-Cambridge - leerden er verder slechts twee anderen de landstaal. Beiden, Pieter de la Court en Wicher Pott, bleven dan ook maandenlang in het land, waar de meesten genoeg hadden aan enkele weken.
Toen Pieter de la Court in de winter van 1641/42 in Engeland was combineerde hij het aangename met het nuttige, uitstapjes met zakenbezoek. Hij vond in Londen een onderkomen bij een herbergier die Duits en Frans sprak en maakte meteen werk van een taalmeester. Gedurende een maand nam hij lessen van een Mr James Guipart. Daarna stelde hij deze ‘7 schellingen steerlincks’ ter hand en gaf hem, onder vriendelijke dankzegging, alweer zijn congé. (3) Als Pieter bij aankomst in Engeland inderdaad geen woord Engels kende (hij liet zich toen de
weg wijzen door een Engelsman die een beetje Latijn kende), dan moet hij, evenals Lodewijk Huygens, een vlugge leerling geweest zijn. (2) Tegen het einde van zijn verblijf in Londen beheerste hij de taal zodanig dat hij in Norwich bij een Engelse predikant ter kerke kon gaan ‘...een predikant die in syn doen niet alleen teeken van een groten yver hadde maer oock van onversichtichheyt, gingen hem besoecken ontfinck ons vriendelick toonde ons syn bibliotheeck.’ (11)
Ook Wicher Pott doet in de zomer van 1684 zijn best om ‘een weynich’ Engels te leren. Hoe hij dat aanlegt wordt echter uit de brieven naar huis niet duidelijk. Hij verdiept zich onder leiding van een zekere Victrijn in Engelse geschiedenis en staatsleer, maar of dat nu in het Nederlands of in het Engels gaat (de leraar heeft een aantal jaren in Holland gewoond), vertelt hij niet.88 Van een spraakmeester wordt niet gerept. Waarschijnlijk beschouwde hij de praktijk als de beste oefenmeester. En dan had hij, met het oog op zijn charmante leermeesteressen te Cambridge, schoon gelijk. Een week na aankomst in Londen vergezelde Wicher immers een zekere Van Engelen, doctor in de medicijnen uit Utrecht, op een tochtje naar Cambridge. Dr van Engelen liet daar meteen bij verschillende professoren zijn introductiebrieven bezorgen. Een hunner, professor Cudworst, Regius Professor Theologiae, reageerde hierop terstond door beide Hollanders te inviteren voor een diner te zijnen huize. Hij onthaalde zijn gasten op een ‘treffelycke disch’, waarbij zij door vijf à zes knechten bediend werden. Na tafel werden de beide heren ‘door twee van syn dochters seer schoone Dames gecleet als Princessen meer als twee uur in discours op engels (dewijl sij geen andere taele verstonden) onderhouden daer wij antwoorden soo wij best konden’.89
Alle andere Hollandse touristen behielpen zich waarschijnlijk waar nodig en mogelijk met Latijn of zij maakten, zoals Johan de Witt, hun ‘tourkien’ onder begeleiding van in Engeland wonende Hollandse vrienden. In het ergste geval nam men zijn toevlucht tot gebarentaal. Met zijn goed gespeelde pantomime kreeg Gerard Hinloopen, onderweg naar Londen, tenslotte ook zijn gewenste maaltijd van ham en salade voorgeschoteld.90
Geen der touristen gevoelde, zo lijkt het, noodzaak of neiging om Hoogduits te leren. Waarom zouden zij die moeite nemen? Zij reisden in Duitsland alleen met de bedoeling om zo snel mogelijk de grenzen weer over te gaan en met een beetje wederzijds goede wil konden Nederlanders en Duitsers elkaar ook zo wel begrijpen.91 De manege van Frobenius in Genève dankte zijn talrijke Nederlandse clientèle niet in de laatste plaats aan het feit dat Herr Frobenius Duitser was, zodat de Hollandse leerlingen bij hem, afgezien van hippische puzzels, niet met taalproblemen werden opgezadeld.92
Een aanbeveling, strekkende tot studie van de Duitse taal is in de Apodemiek-literatuur niet te vinden, en in kringen van ouders en opvoeders werd afkeurend gewaagd van de drankzucht en de onmatigheid die het Germaanse karakter ontsierden.93
In zijn ‘Descrittione di tutti i Paesi Bassi’, zwaait Luigi Guicciardini, een Italiaan die lange tijd in Antwerpen woonde, de bewoners van de Lage Landen lof toe wegens hun talenkennis. Het zijn echte polyglotten, schrijft hij. Vele mensen, die nooit buitenslands geweest zijn spreken er een aantal vreemde talen, vooral Frans, maar ook Duits, Engels, Italiaans en Spaans. Maar in welke sociale groepen of beroepen deze linguïsten te vinden zijn, vermeldt hij er niet bij.94
Wat nu die vermeende kennis speciaal van Guicciardini's moedertaal betreft, het merendeel der Italiaans sprekende Nederlanders was vermoedelijk te vinden in die families die handelsbelangen hadden in Italië. Maar het is, behalve ten aanzien van P.C. Hooft en Johan Huydecoper, verder gissen of en in hoeverre touristen, stammende uit koopmansgeslachten, vertrouwd waren met Italiaans.95 Of voor de overigen die talenkennis méér of iets anders was dan een literaire luxe is de vraag. De Nederlandse reiziger kon aan de zuidzijde van de Alpen waarschijnlijk al een eind komen met de dialogen uit de ‘Delitiae Italiae’ en desnoods kon hij zich ook zonder Italiaans wel redden, hetzij met Latijn, hetzij met handen en voeten.96 Toch deden degenen die het ernst was met ‘le profit’ van de educatiereis, hun best om Italiaans te leren.
Een moeilijke taal, vond Van Aerssen van Sommelsdijck, die in Genua de aankoop van boeken motiveerde met de opmerking dat hij zulks uitsluitend deed om bij het verlaten van dat land niet meteen alles te vergeten van de taal waar hij anderhalf jaar op gezwoegd had. (253)
Bij Constantijn Huygens en Coenraad Ruysch is het niveau van taalbeheersing te peilen, maar de anderen geven daarover geen uitsluitsel. Het Italiaans sprekende touristengezelschap telde maar twee leden van de familie Huygens, de beide naamgenoten Constantijn. Waarschijnlijk hield ook Constantijn jr zich in
zijn Leidse jaren al met Italiaans bezig, want hij woonde daar met broer Christiaan ten huize van Pietro Paravicino.97 Maar in feite deed hij dit pas echt toen hij, al lang en breed in het buitenland, in Genève Italiaanse les nam bij een zekere Lunati.98 Van zijn eventuele bedrevenheid in die taal is echter niets bekend, want het journaal van de gyro, het ‘journal de prix’, waarover Constantijn jr vol trots schrijft aan broer Christiaan, is verloren gegaan. En van de brieven vanuit Italië geschreven, bleef er maar een enkele bewaard en die was, zoals gewoonlijk, in het Frans gesteld.99
Zijn vader oogstte complimentjes voor zijn vloeiend Italiaans, de eerste de beste keer dat hij zich in dat land van de taal bediende. De ‘louable tesmoinage’ waarover hij vanuit Venetië vol trots aan zijn ouders schreef, was afkomstig van niemand minder dan de doge.100 Had de ‘Prince’ misschien in het Italiaans van de Nederlandse ambassade-secretaris een Venetiaans accent beluisterd, dat hem gecharmeerd had? Dat is niet onmogelijk, want Constantijn had jaren her in Den Haag de beginselen van de taal geleerd van Giovanni Biondi en deze protestantse diplomaat, fervent antipapist, was uit Venetië afkomstig.101 Toen Constantijn twee jaar nadien met zijn studievriend Cesare Calandrini correspondeerde, deed hij dat in het Italiaans; onderwijl oefende hij zijn Engels met behulp van de Italiaans-Engelse dictionnaire.102
Toen hij in de zomer van 1620 met beide handen de invitatie aannam om François van Aerssen te vergezellen op diens missie naar Venetië, had Constantijn zijn eerste diplomatieke scholing al gehad. Hij meende dan ook goede papieren te hebben om te kunnen solliciteren naar de functie van ambassade-secretaris. Geen der andere suite-genoten, ook de ambitieuze Pauw niet, kon bogen op een combinatie van diplomatieke ervaring en taalkundige vaardigheid. Dat hij zichzelf niet overschatte, bleek gelukkig dra na aankomst te Venetië.103
Constantijns kennis van het Italiaans reikte trouwens verder dan de vormelijke welbespraaktheid, gebruikelijk in diplomatiek verkeer. Tijdens de zware heen-
tocht van Zwitserland naar Italië over de ‘facheuse’ Splügen ontstond het madrigaal waarin Constantijn zijn gevoelens van ootmoed en verlatenheid in deze barre natuur vertolkt.104
Hiermee zij niets gezegd ten nadele van andere, linguïstisch minder begaafde touristen. Want op hun manier spanden ook zij zich in om de taal te ‘verstaen’. Zelfs Willem Barnevelt, bepaald niet het ijverigste lid van het touristen-gilde, deed zijn best en boog zich in de winter van 1609 te Padua over de boeken, onder leiding van ‘een die Syn Ed. Italiaens komt leeren’ en voor zijn moeite 9 (Hollandse?) gulden mocht toucheren.106 Het moet voor de heer van Cralinger-polder een ontmoedigende ervaring geweest zijn dat er tijdens zijn gyro geen sprake was van conversatie met ‘les plus qualifies’, zoals hij zich had voorgesteld. In de Romeinse monde kreeg hij geen entree. Voor een Hollandse jonker, zonder papieren of Italiaanse vrienden, bleven de salons gesloten; ook een zoon van de landsadvocaat van Holland werd buiten gehouden.
Voorbeeld van het andere uiterste, een enorme verscheidenheid aan Italiaanse kennissen en vrienden, is Coenraad Ruysch. In de meest uiteenlopende kringen, van geleerden en kunstenaars tot demi-mondaines en adellijke kloosterlingen, had hij connecties. Het is niet altijd duidelijk van welke taal hij zich in die conversaties bedient, maar hij zal zeker met het merendeel der ‘onwaerdeerlycke Vrouwen’ uit zijn artistieke en mondaine kennissenkring in heur moedertaal ge-
converseerd hebben. Al aan het begin van zijn gyro sprak hij Italiaans en in Rome oefende hij naderhand onder bekwame leiding verder. Hij moest wel een tijd geduld hebben voordat er een leraar beschikbaar kwam, want in het najaar van 1674 was de ‘confluentie’ van vreemdelingen in verband met het naderend Heilig Jaar zo groot, dat het corps van leraren de overstelpende vraag naar lessen niet kon verwerken. Pas half januari, toen na afloop van de vele feestelijkheden rond de plechtige opening van het Anno Santo de vloedgolf van toeristen weer wegebde naar het Noorden en Zuiden, kwam er een docent vrij. Helaas rept ook Ruysch met geen enkel woord over aard of frequentie der lessen, noch over gebruikte boeken. Wel blijkt dat er een vriendschappelijke verhouding groeide tussen leraar en leerlingen(neef Hoogeveen nam ook les), die een jaar later bekroning en afsluiting vond in een afscheidsdineetje ter gelegenheid van hun definitieve vertrek uit Rome.107
Al nam Aernout Hooft nog taalles in Siena, na 1650 verbleekte allengs mèt de glans van de universiteit ook de reputatie van puurtaligheid harer inwoners. Toen nam de secretaris van de heer van Dijksterhuis de traditionele aanbeveling, in de reisliteratuur aan Siena gekoppeld, ‘beroemt om de nettigheyt der italiaense spraeck’ alleen maar over, om er meteen zijn pinnige correctie op te maken ‘maer de uitspraak der inwoonderen deugt niet.’ (f 84) Dergelijke bezwaren koesterde, ongeveer tezelfder tijd, Wicher Pott tegen Venetië. Hij vond dan ook dat hij met zijn, in Frankrijk geleerde, Italiaans beter vorderingen kon maken in Rome, want daar, zo legde hij zijn vader uit, werd zeer goed Italiaans gesproken. Het staat te bezien of hij daarin slaagde, gelet op zijn drukke programma van toeristische activiteiten en op het gezelschap van Duitse en Franse adel dat hij met kennelijk welbehagen zocht.108 Aernout Hooft, verkerende in minder exquis gezelschap dan Wicher Pott, kreeg in Rome misschien toch meer oefening. In ieder geval nam hij daar en in Siena les. Wellicht ten overvloede, want voordat hij in Italië aankwam, had hij zich in Holland al met taal en literatuur beziggehouden. Misschien was daarbij Antonio Marganetti, die immers speciaal voor Aernout de ‘Breve Instruttion’ had opgesteld, zijn ‘wegh-wyser’ geweest.109
Ook Johan Huydecoper leerde zijn Italiaans in Holland. Maar het zou hem, eenmaal op reis, nog heel veel moeite kosten voordat hij de gelegenheid kreeg die Hollandse lessen in Italiaanse praktijk te brengen. In een zoveelste poging om zijn vaders toestemming te krijgen voor de reis naar Italië, bracht hij in een brief
vanuit Genève zijn jarenlange inspanning om de taal te leren ter sprake. Die moeite zou toch niet tevergeefs blijken?110 Aanvankelijk bleef Papa onvermurwbaar; pas een jaar later, toen Johan allang weer in Frankrijk was, zwichtte burgemeester Huydecoper door voorspraak van Johans zuster. Toen kon zijn zoon, jubelend van dankbaarheid, eindelijk definitieve plannen gaan maken voor zijn reis naar ‘il giardin del mondo’.111
Hoe kweten zich de heren touristen nu van de vele andere, hun op reis meegegeven studie-opdrachten? Hoe werkten zij aan hun ‘augmentum scientiae’ en welke waren, in tweede instantie, de ‘remarques en reflectien’ die zij aan het papier toevertrouwden? Want slechts aan hun vlijt in dezen, aan hun schriftelijke nalatenschap, kan worden afgelezen hoe groot hun belangstelling was voor allerlei staatkundige, politieke, historische en religieuze aspecten der samenlevingen in den vreemde, waar zij vaak langdurig als gast verkeerden. Dat een beoordeling louter op grond van overgeleverde papieren een gebrekkige methode is met kans op vertekening, behoeft nauwelijks betoog.
Het bijeengaren van voorbereidende studies à la Erpenius, levert maar een armzalige oogst op. Alleen in de papieren van Lodewijk Huygens en Aernout Hooft is er iets van te vinden en daarvan zijn, in dit verband, slechts de uittreksels van Aernout ‘geldig’. De excerpten die Lodewijk maakte uit de ‘Cosmographia’ van Merula betroffen Spanje, een land dat nu juist ver buiten het gebruikelijke circuit van de educatiereis viel.112
Aernout Hooft neemt voor zijn vertrek naar Italië Lipsius' ‘Ratio’ ter hand. ‘Indagare, discere’, noteert hij, is belangrijker dan ‘vagari, lustrare, discurrere.’ Verder prent hij zich goed in het hoofd dat een bescheiden en onopvallend gedrag de reiziger past, maar dat deze niettemin iedere gelegenheid moet aangrijpen om zich te doen informeren over het bekende pakket van studie-onderwerpen. Het ‘Nulli fidere’ en ‘Cres mihi esto inter Cretas’ neemt hij, al kopiërend en onderstrepend, ter harte.113 ‘Wantrouwen en veinzen’ is ook de teneur van gedragsregels die hem bij andere auteurs duidelijk aanspreken. Enige Nederlandse en Italiaanse levenswijsheden verpakt in sententies zijn eveneens deel van Aernouts geestelijke bagage. Bovendien maakt hij aantekeningen uit de ‘Bizarrie’ van Loredano en uit een werk van Strada. Met zijn lijsten van steden en bezienswaardigheden komt Aernout weer wat dichter bij Van Erpens bedoelin-
gen, maar het blijft toch allemaal een beetje oppervlakkig.114 Frankrijk komt er nogal bekaaid af. Hij vergenoegt zich hier met lijsten van plaatsnamen, afstanden, herbergen en parlementen, tout sec. Johannes Thijs concentreert zich, blijkens de inhoud van zijn boekenkist, nu juist wel op Frankrijk. Maar ook het breed uitmeten van de werkzaamheden van Hooft en Thijs heeft zijn grenzen.115
Van studie tijdens de Tour valt iets meer te bespeuren, maar indrukwekkend is ook dit niet.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat touristen die reisden onder toezicht van een gouverneur, in dezen een goed figuur zullen slaan. Van zo'n mentor werd immers onder meer verwacht dat hij onderweg leiding zou geven aan de studie van zijn pupil. Maar omdat in Nederland gouverneurs op reis meestal beschouwd werden als overtollige franje, was hun aantal gering en van hun bemoeienissen is dan ook maar een enkel voorbeeld te vinden.
In Parijs, in het begin der vijftiger jaren, behandelt de Franse gouverneur van de twee Zeeuwse heren Thibault met zijn pupillen de geschiedenis van Frankrijk aan de hand van een bepaald boek. Weliswaar een ‘abrégé’, zoals hun vrienden De Villers wat snibbig opmerken, maar goed, voor de Thibaults kunnen zij waardering hebben.116 Een andere tijdgenoot in Parijs, Philibert van Tuyll, heer van Serooskerken, mag daarin niet delen, hij is mikpunt van hun kritiek. Philibert is juist in Parijs teruggekeerd van zijn grote tour door Frankrijk ‘...sans y avoir rien appris ny remarqué que les maisons et les ruës des villes’.117 Men moet er niet aan denken welke termen van kil misprijzen zij gebezigd zouden hebben, had jonker Jantie van Ruytenburg, heer van Vlaardingen, die in 1660 door Parijs pierewaaide, tot hun kennissenkring behoord. Deze goedmoedige jonkman, die zijn dagen verdeelde tussen de rijschool, de comédie en ‘les belles filles’, liet er zich gaarne op voorstaan dat hij sinds zijn aankomst in Parijs nog geen woord Frans gesproken had.118
Waarschijnlijk komt het staaltje van zelfgenoegzame kritiek op Van Tuyll niet voor rekening van de heren de Villers, maar van de gouverneur die hun pen
bestuurde, Antoine de Brunel.119 De lezer van het omvangrijke journaal waarin omstandig de wederwaardigheden van diens pupillen in Parijs geboekstaafd zijn, zal zich er misschien over verbazen dat De Brunel nergens rept van lessen zoals zijn ambtgenoot die aan de heren Thibault gaf. Maar dat lag eer aan zijn opdrachtgevers dan aan hemzelf. De instructies, hem in Den Haag meegegeven door de ouders der jonkers De Villers, waren geheel toegespitst op ‘la bonne et belle conversation.’120 Op een reis voorafgaande aan die met de twee De Villers, had De Brunel hun oudere neef François van Aerssen van Sommelsdyck en diens metgezel Justinus van Nassau wel degelijk aan het werk gezet. In Rome gaf hij François een boek in handen dat werd gelezen door ieder die informatie wenste over het bestuur der Kerkelijke Staat en over hiërarchie en ceremonieel aan het pauselijk hof, Girolamo Lunadoro's ‘Relazione della Corte di Roma’. Op deze monografie baseerde François zijn uitvoerige scriptie, waarin hij ook van allerlei verwerkte dat hijzelf in Rome zag, hoorde en opving aan vaak pikante roddels.121
In Florence gebruikte De Brunel bij een dergelijke studie de ‘Storia fiorentina’ van Francesco Guicciardini als handboek. Ook hier zijn de beschouwingen in het journaal, uitgaande van Guicciardini, aangevuld met paragrafen die stoelen op eigen observatie en ondervinding. Van de meest prominente leden der groothertogelijke familie, die bij verschillende gelegenheden zijn gastheren zijn, maakt François karakterschetsen, opmerkingen over bestuurlijke kwaliteiten en amoreuze hebbelijkheden incluis. Dat verknoopt hij met gegevens over de leefwijze der aanzienlijke Florentijnse families, wier francofiele inslag - de Florentijnse monde spreekt Frans en ‘men’ heeft in Frankrijk gereisd - een opvallend kenmerk is. De kwijnende handel en de druk der belastingen ziet hij als oorzaken van het leeglopen en verpauperen van het eertijds zo florissante Florence. Een opinie die trouwens algemeen opgeld deed.122
Met deze ‘remarques en reflectien’ over pauselijk Rome en hertogelijk Florence, aangevuld met politieke en administratieve vignetjes van Lucca, Genua, Siena en Napels, komt François van Aerssen opvallend goed voor den dag in vergelijking met hetgeen in de berichtgeving der overige touristen te vinden is. Hem komt dan ook een woord van lof toe. Maar in die waardering moet uitdrukkelijk Antoine de Brunel betrokken worden, die als gouverneur de supervisie over François' werk had. Aan de intrinsieke waarde van het reisverhaal doet de kwestie van het auteurschap natuurlijk niets af. Slechts het aureool van eigen werk is overschilderd.123
Waarschijnlijk bestudeerde ook de Friese jonker Van Eminga Lunadoro's ‘Relazione’ om zijn opstel ‘Lo Stato e la Corte del Pontifice’ te kunnen schrijven.124 Zijn werkstukken over ‘Roma antiqua’, korte paragraafjes zonder veel samenhang, berusten op lectuur van een reeks van auteurs, historici en dichters, klassieke zogoed als moderne, waaronder Erasmus en Lipsius. Hij doorspekt zijn zinnen met citaten uit Ovidius, verwijst naar Tacitus, Suetonius, Juvenalis en Plutarchus. Bewondering zij zijn deel! Helaas steekt ook hier het wantrouwen onmiddellijk de kop weer op: zou een nader onderzoek, in dit geval een vergelijking van Van Eminga's schriftuur met één der vele reisgidsen voor Italië misschien opnieuw uitlopen op een demasqué? Of is dit misplaatste achterdocht?125
De uitkomst van speurtochten naar literatuurstudie over andere landen op het tour-circuit zijn al evenmin spectaculair. Over Genève schreef Johan Huydecoper, zoals hij zijn vader verzekerde, een doorwrocht stuk met alle wetenswaardigheden van bestuur en staatsinstellingen van deze merkwaardige stadstaat. We zullen hem op zijn woord geloven, want het geschrift zelf is zoek geraakt.126 In Zwitserland gaat ook Wicher Pott aan de slag. Hij maakt ter informatie van zijn ouders een ‘Korte generale descriptie van Switserlandt’. Dit werkstuk is geen uittreksel van een of ander boek, maar een spontane reactie op hetgeen hem, reizende in Zwitserland, het meest frappeerde. Hij had er zich een bepaalde voorstelling van gemaakt ‘...aleer daar in quam verbeelde mij een elendig, woest en arm Landt te vinden met Hemelhoge onvruchtbaere bergen, in wiens menige geheelijck ben bedroogen alles in tegendeel bevindende’. En hij vervolgt enthousiast: ‘...vruchtbaere vlacke velden, lustige Valleijen..., schone Steden, en Dorpen soo wel getimmert en soo net onderhouden als men selfs in Hollant niet soude konnen desidereren, de tracteringe is passabel en het volck oprecht, goede justitie’, en zo gaat de lofzang voort. In de ‘regeringe des Landts’ valt Wicher op dat alle kantons ten opzichte van het buitenland eendracht betrachten. Gezamenlijk staan zij op de bres ‘ten aensien van haer gemeen interest de conservatie van 't Landt betreffende’. Bewapening en bewaking (alle bergtoppen zijn bebakend) hebben dan ook overal bijzondere aandacht. Maar zodra de religie
in het geding komt, zijn ze onderling verdeeld, jaloers en onverdraagzaam. Door scherpe bepalingen worden de Zwitsers tot soberheid en matigheid in leefwijze gemaand. Bij ‘prachtwetten’ is de dracht van gouden en zilveren sieraden verboden; kansspelen en tabak roken worden evenmin getolereerd. Maar in hun kleding kunnen de Zwitsers zich uitleven. Die is ‘seer wonderlijck’, vindt Wicher, en ‘...seer verscheeden, soo dat in een Stadt van Switserland meerder onderscheidt in kledinge gesien hebbe als in alle mijne reisen’.127
Pott is dan op thuisreis van zijn Groote Tour, waaraan hij twee jaar te voren begonnen was met een bezoek aan Engeland. In die zomer van 1684 schrijft hij regelmatig naar huis. Hij heeft het, zo laat hij vijf weken na aankomst in Engeland weten, zeer naar zijn zin. Prettig gezelschap, goed onderdak en een bekwame gids om hem rond te leiden. ‘...uit dese en voorgenoemde redenen kunnen UEE wel oordelen dat ten hoogsten gecontenteert ben, sullende mijn tijt in t leren van een weinig van de Engelse taele en in t doorgronden van de Engelse Policij en manieren wel besteet agten’. Als hij aan deze term inderdaad dezelfde betekenis hecht als de ‘Amsterdamse Vader’, namelijk ‘al 'geene dat tot de burgerlycke Societeit behoort en dienstig is’ en daaronder vallen dan geschiedenis, handel, justitie en staatsinrichting, zogoed als kunsten en wetenschappen, dan heeft Wicher de zaken wel grondig aangepakt.128 Er is trouwens geen aanleiding om daaraan te twijfelen, want hij reserveert zijn ochtenden van zeven tot elf ‘...in 't lesen van de historiën van Engelant of andere leersaeme boecken (waer van eenige engelse hier hebbe gecogt en andere van Hollant mede gebragt)’. Wat de gebeurtenissen van de dag betreft, blijft hij au fait door dagelijks de nieuwstijdingen te beluisteren die ten beurze circuleren en vervolgens de couranten te lezen. Duitse, Franse of Engelse! Wicher meent dan ook te mogen vaststellen ‘...hoe langer hier vertoeve hoe meerder kennisse in de coustoumen en de manieren van dit Koninckrijck krijge twelck mij des te aengenaemer de tijt doet verslijten’.129 Helaas zijn Wicher Potts ‘Notula’ van zijn verblijf in Engeland dezelfde weg gegaan als de Geneefse scriptie van Johan Huydecoper. Een lot dat ook de aantekeningen van Wichers tour door Frankrijk en Italië was beschoren.
Al houdt het dus (nog steeds afgaande op brieven en journalen) niet over aan duidelijke bewijzen van studie, toch past een mild oordeel. Trouwens, een oordeel, mild of scherp, is pas op zijn plaats wanneer - als laatste hulpmiddel om de intellectuele belangstelling van touristen te peilen - ook de reisdocumenten nog zijn nagelezen op aantekeningen over boekenbezit.
Het doorbladeren van journalen en brieven levert niet veel meer op dan wat algemeenheden. Pieter Berkhout schrijft dat hij zich ter instructie en ontspanning boeken aanschaft, maar hij laat zijn correspondente in het ongewisse over titel en
auteur. Constantijn Huygens laat vanuit Venetië een zending boeken en andere aankopen naar huis verschepen, die echter haar bestemming niet bereikt.130 Van Aerssen koopt in Genua boeken om zijn Italiaans niet te vergeten. (253) In Londen koopt Pieter de la Court bij ‘Samuel Gellibrant in 't koperen serpent bij St Paulus kerck’ een aantal nieuwe uitgaven, die hij zo goedkoop vindt, dat hij een week later, ter aanvulling van bepaalde auteurs nogmaals bij Gellibrand koopt. (5) Alleen in Frankrijk noemt hij de schrijvers van de twee theologische verhandelingen die hij in Saumur bestudeert.131 De Haagse heren De Villers slaan een figuur met hun opmerking dat zij boeken willen kopen, maar ze te duur vinden. Misschien hadden zij dan maar het voorbeeld moeten volgen van Johan Huydecoper, die in Genève (alweer niet nader omschreven) boeken huurt.132 Diens ‘lijst van uytgift’ bevat nog meer gegevens; ook het ontcijferen van de kasboekjes van Johan de Witt blijkt dankbaar werk en voor de derde en gemakkelijkste vangst zorgt Johannes Thijs. Hij schrijft in zijn ‘Reijsboeck’ de catalogus uit van de bibliotheek die hij naar Frankrijk heeft meegenomen.
Het boekenbezit van dit driemanschap van naam- en tijdgenoten bestrijkt een breed veld van interesse. Zij bezitten modern en klassiek werk op het gebied van geschiedenis, theologie, epigrafiek en romanliteratuur, verder ook reisgidsen en grammatica's. Het blijkt dat Johan Huydecoper zich in Genève serieus voorbereidde op zijn reis naar Italië. Hij kocht daar voor 7 florijnen een ‘Machiavel’ en hij betaalde er 6 voor een uitgave van Sarpi's niet minder beroemde ‘Consilio tridentium’. Verder kocht hij een boekje over de ‘révolte van Napels’, een opstand die de gemoederen der touristen in Genève, waar verschillende hunner op het punt stonden naar Italië te vertrekken, nogal bezig hield. Bovendien schafte Johan zich de ‘Opera Goulartij’ aan. Op zijn boekenlijstje komt ook voor een ‘Petronius’, wiens ‘Satyricon’ in die jaren zeer en vogue was bij jong Europa.133 In de sectie klassieke auteurs behoren ook de Juvenalis van Johan de Witt en de ‘Terentius Elsevier’ plus de ‘Epigrammata’, die Johannes Thijs in zijn boekenkist had.134
Johan Huydecoper heeft tijdens de lange wintermaanden in Genève alle tijd om zijn Frans te oefenen op de ‘Francion’, waarover hij naar huis rapporteert: ‘lees een Fransion, die ick ten naesten bij varsta’.135 Ook Johan de Witt koopt Sorels roman en daarbij een uitgave van de ‘ijzersterke bestseller’ ‘Amadis de Caulle’ en
als derde roman Cervantes’ ‘Don Quichote’. De ‘Comédies’ van Corneille gaan eveneens in zijn bagage.136 Natuurlijk doet De Witt als ‘amateur’ van wiskunde en filosofie ook aankopen op die terreinen, een ‘algebra van Peletier’ en een, evenmin nader omschreven, editie van Archimedes. Van Descartes koopt hij zowel de ‘Méthode’ als de ‘Metaphysica’.137 Tenslotte betaalde Johan Huydecoper 52 1/2 florijn voor een Janus Gruterus, waarschijnlijk diens ‘Inscriptiones antiquae totius orbis Romani’ van 1603. Een fors bedrag, maar hij zou er al gauw in Lyon profijt van hebben.
Johannes Thijs kocht zijn boeken niet onderweg, hij had ze van huis meegenomen. Bij zijn vertrek uit Holland had hij in Den Briel een kist vol boeken aan boord laten dragen. Het belangrijkste bestand van deze reisbibliotheek werd gevormd door een aantal werken over Franse en Nederlandse geschiedenis, waaronder Froissart en De Commines en Strada's ‘De bello Belgico’. Daarbij had Thijs enkele juridische en taalkundige studieboeken ingepakt, evenals reisgidsen voor Frankrijk en Italië.138
Zo levert het snuffelen in twee kasboekjes en één boekenlijst, al met al, toch geen onbevredigend resultaat op. De papieren vande tourist-student stijgen weer!
Nu is - nog steeds Van Erpens indeling op de voet volgend - een onderzoek aan de orde naar de ‘remarques en reflectien’, die de tourist onderweg werden ingegeven door de onderwerpen die Erpenius in zijn ‘Tractatus’ behandelt in ‘Sectio III, De Observatione’.139 Oftewel: in hoeverre hielden de jongelieden zich aan diens advies om de kennis omtrent staatsinrichting en bestuur die zij uit boeken gepuurd hadden, al reizende aan hun bevindingen te toetsen?
Slechts terloops en dan nog vrij oppervlakkig, moet hierop het antwoord zijn. Belangstelling voor de ingewikkelde machinerie van het Franse monarchale bestuursapparaat lijkt bij touristen miniem. Het centrale ‘gouvernement’, deszelfs werking, belangrijkste ambtenaren, niemand die zich hierin verdiepte. Wat de regionale en stedelijke besturen aangaat, blijft het nota-nemen beperkt tot wat verspreide aantekeningen. Pieter Berkhout vertelt zijn correspondente iets over het bestuur van Marseille, Arles en Montpellier, en belooft haar een exposé over
Bordeaux, waar destijds ‘cet excellent autheur, M. de Montaigne’ burgemeester was, maar maakt zich er dan met een slap excuus van af. Gijsbert de With doet zijn best op een beschrijving van Loudun, waar hij een tijdlang woont; Aernout Hooft schrijft wèl het een en ander over Bordeaux en geeft enkele bijzonderheden over het bestuur van Grenoble. In Genève beschrijft hij de verkiezingsprocedure voor ‘luitenant’ en auditeur en is hij aanwezig bij de ambtswisseling der Syndiques, het college van bestuur der Republiek. Pieter de la Court geeft enkele aanvullende bijzonderheden van de verkiezing der ‘officiers’. Johan Huydecopers werkstuk over Genève is al gememoreerd en met deze magere opsomming is het hoofdstuk ‘de observatione’, afdeling Frankrijk algemeen, dan wel bekeken. Waarschijnlijk vergenoegden de touristen zich wat dit betreft met het nalezen van de betreffende passages in hun reisgidsen, die allemaal wel wat ‘politieke’ informatie gaven.140
De uitkomsten van een onderzoek naar bestuurlijke en politieke belangstelling der touristen in Italië zijn niet veel beter, noch in kwantiteit noch in diepgang. De werkstukken van de twee-eenheid De Brunel-Van Aerssen en de opstelletjes van Frans van Eminga kwamen, als neerslag van literatuurstudie, al ter sprake.
Na beschouwing van deze wat povere resultaten weet men niet recht welke maatstaf aan te leggen. De examinator is geneigd bij beoordeling van de ‘remarques’ enige clementie te betrachten, wetende dat de ‘Ragion di Stato’ van het toenmalige Italië - een heterogeen samenstel van Kerkelijke Staat, hertogdommen, republieken en wingewesten van buitenlandse mogendheden - een bijzonder lastige en ‘intricaete materie’ was.141 En de vraagbaak voor ‘curieuze’ reizigers, de predikant, door Van Erpen in deze kwaliteit zo warm aanbevolen, ontbrak natuurlijk in Italië. Bovendien waren de ‘bones et recti homines’, van wie de tourist het volgens Lipsius in dit land moest hebben, veel minder genaakbaar dan elders. Het was in kringen der buitenlanders algemeen bekend dat de Italianen van nature ‘seer geretireert’ leefden en voor vreemdelingen zonder behoorlijke introductie moeilijk toegankelijk waren. Lipsius had De Lannoy er dan ook op voorbereid dat hij weinig kans op contact zou hebben, maar er tevens tot troost aan toegevoegd dat zijn jonge vriend overal onderweg en in onderkomen toch wel het nodige aan de weet zou kunnen komen.142 Maar dan diende de tourist (dat vergat Lipsius er bij te zeggen) wel met zorg zijn gesprekspartner te kiezen; de voertaal was in zo'n geval minstens even belangrijk als het intellectuele niveau. In Italië werd immers een verwarrende verscheidenheid van dialecten ge-
sproken en als de één slechts Frans of Latijn en de ander uitsluitend Napolitaans sprak, waren de kansen op misverstanden groot.
Toch zijn deze verzachtende omstandigheden geen aanleiding tot het uitgeven van een algemeen pardon. Bijvoorbeeld om Aernout Hooft de verontschuldigen voor de onbenulligheden die hij terloops neerschrijft over het gouvernement van Lucca, Genua en Venetië. Dan wist De Brunel Van Aerssen tot beter werk aan te zetten, met een uiteenzetting over aard en oorzaak van het diepgaand conflict tussen Genua en Spanje en een beschouwing van de verhouding dier Republiek tot Frankrijk.143
Maar opnieuw is het zaak - er is al eerder tegen gewaarschuwd in dit hoofdstuk - niet te snel conclusies te trekken. Men kan iemand als Van Buchell bezwaarlijk gebrek aan maatschappelijke belangstelling aanwrijven, al is er in diens ‘Iter Italicum’ maar een enkele afgeronde passage te vinden over bestuursstructuur, politieke verhoudingen of dergelijke. Zijn reisverslag getuigt van diepgaande interesse voor het klassieke verleden en voor alles dat in de vorm van ‘rudera’ nog als illustratie daarvan in Van Buchells eigen tijd te zien was. Maar daarnaast was hij ook gevoelig voor contemporaine kunst en bij het observeren van het maatschappelijk leven in den vreemde had hij ogen en oren wijd open. Door zijn hele reisverslag heen wisselen kunstbeschrijvingen en opmerkingen over de ‘res quotidianae’, in grote verscheidenheid van onderwerpen, elkaar af. Bovendien wemelt het van citaten en verwijzingen naar een groot aantal schrijvers, klassieke zogoed als moderne. Wel een bewijs van de indrukwekkende belezenheid van deze Utrechtse historicus, wiens vrienden met gulle hand de superlatieven zouden uitstrooien over Van Buchells in memoriam: ‘vir antiquitatis peritissimus’, ‘studiosissimus’ en ‘versatissimus.’144
Een beoordeling volgens bovengenoemde maatstaf zou ook andere leden van de oudere generaties van Italië-gangers onrecht doen. Voor de vader van Aernout Hooft, de schrijver van de ‘Reisheuchenis’, een document bijeengehouden door lacunes, zou dit een totale miskenning betekenen van diens literaire en historische lectuur in Italië.145 Ook de belangstelling van Constantijn-père voor de ‘res Italianae’ zou niet hoog worden aangeslagen, wanneer die uitsluitend werden beoordeeld op hetgeen daarover in dagboek en brieven naar huis werd geschreven. Het was geen gebrek aan weetgierigheid, maar een kwestie van omstandigheden die hem beletten vrij door Venetië te gaan en een zuidelijker kennismaking met Italië al helemaal uitsloten. Over hetgeen op diplomatiek niveau in Venetië omging bracht hij getrouw verslag uit en voorzover het hem ter
ore kwam briefde hij zijn vader eveneens over, wat er elders in Italië voorviel.146
Zijn bevindingen stemden hem somber, blijkens het gedicht dat hij op terugweg naar Holland neerschreef onder de titel ‘Italia decolor’. Eer een hekeldicht dan een treurzang, waarbij het nogal eigenwijs lijkt om daarin ook Rome te betrekken waarvan hij immers verre bleef.147 Overigens is die kritiek op de ‘caput mundi’ eigenlijk niet anders dan het nazeggen van een algemeen gevoelen, hier verwoord door Hooft:
Met Hooft hadden ook verschillende andere touristen hier recht van spreken en oordelen. Verbazing, afkeuring en teleurstelling kenmerkten ook uitlatingen van Jan Merens en Van Buchell. Deze laatste, die vol verwachting naar Italië reisde en jubelend Rome binnenging, verliet het land gedesillusioneerd over zoveel wellust, verval, goddeloosheid en praalzucht. Toch zou hij, decennia later, het nog diep betreuren dat hij in zijn leven geen gelegenheid gevonden had om opnieuw naar Italië te gaan.149
Ook die omstreden figuur, losbol èn scherpzinnig schouwer, Matthijs van de Merwede, was naar Italië gegaan met hooggestemde verwachting en serieuze bedoeling, om daar, in het zuiden ‘...niet alleen na schoone gebouwen beytel- en pinzeel-kunst te zien’, maar ook ‘te leeren, wat Italien ende d'Italianen & zijn.’